Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:772

Op 19 January 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.40647 en NL25.40648, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:772. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.40647 en NL25.40648
Datum uitspraak:
19 January 2026
Datum publicatie:
20 January 2026

Indicatie

Asiel, Irak, Jezidi, terecht nieuw landenbeleid voor jezidi's toegepast, de minister heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom Khanasor in de regio Sinjar voor eisers als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt, bestreden besluiten in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, Voor zover het vluchtelingenkamp Khanké in de KAR, voor eisers als normale woon- en verblijfplaats zou moeten worden aangemerkt, heeft de rechtbank in eerder uitspraken geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de ontheemdenkampen in de KAR kunnen worden beschouwd als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi’s uit de Sinjar regio. De minister heeft ten onrechte terugkeerbesluit aan eisers opgelegd. De bestreden besluiten komen ook om die reden voor vernietiging in aanmerking. De beroepen zijn gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.40647 en NL25.40648

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam 1] , eiser 1

geboren op [geboortedatum 1] ,

V-nummer: [nummer 1]

[naam 2] , eiser 2

geboren op [geboortedatum 2] ,

V-nummer: [nummer 2]

beiden van Iraakse nationaliteit,

samen te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. W.C. Boelens),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. (Voetnoot 1) Eisers zijn jezidi’s afkomstig uit Sinjar, Irak. Volgens de minister kunnen eisers veilig terugkeren naar hun ouders in Khanasor in de regio Sinjar, omdat eisers daar tot hun vertrek in juli 2022 hebben verbleven, en zij bij terugkeer naar Irak geen vervolging te vrezen hebben of een reëel risico op ernstige schade lopen. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zijn standpunt niet deugdelijk heeft gemotiveerd en dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. Eisers krijgen gelijk en de beroepen zijn daarom gegrond.

Procesverloop

Procesverloop

1. Eisers hebben op 8 januari 2023 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de besluiten van 7 augustus 2025 (bestreden besluiten) deze aanvragen afgewezen als ongegrond. De minister heeft daarbij aan eisers ook een terugkeerbesluit opgelegd.

1.1.

Eisers hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Zij hebben op 24 september 2025 de gronden van het beroep ingediend. Eisers hebben op 12 en

19 december 2025 aanvullende gronden van het beroep ingediend. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

1.2.

De rechtbank heeft de beroepen op 30 december 2025 op zitting gevoegd behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers (bijgestaan door een tolk), mr. M.A. Vegter als waarnemer van de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

2. Eisers hebben aan hun asielrelaas ten grondslag gelegd dat zij jezidi zijn en dat zij na een aanval op hun dorp door IS (Voetnoot 2) op 3 augustus 2014 samen met hun ouders zijn gevlucht naar een vluchtelingenkamp in Khanké in de KAR (Voetnoot 3). Eisers hebben verklaard dat jezidi’s worden bedreigd door moslims en worden gediscrimineerd. Zij vrezen bij terugkeer naar Irak te worden gediscrimineerd en opnieuw te worden aangevallen door IS. Verder hebben eisers verklaard dat het voor hen niet veilig is in Irak. Zij zijn daarom in juli 2022 -via Griekenland (Voetnoot 4)- naar Nederland gereisd.

De bestreden besluiten

3. Bij de beoordeling van het asielrelaas van eisers heeft de minister de volgende asielmotieven vastgesteld:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Problemen van eisers in Irak omdat zij Jezedi zijn.

3.1.

De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Ook acht de minister geloofwaardig dat eisers in Irak werden gediscrimineerd omdat zij jezidi’s zijn. Hij stelt dat uit het AAB (Voetnoot 5) Irak 2023 blijkt dat ontheemden in kampen in Duhok – voornamelijk jezidi’s – zich relatief vrij konden bewegen en daardoor toegang hadden tot diensten (voor zover beschikbaar) buiten het kamp. De minister vindt dat eisers kunnen terugkeren naar hun ouders die in Khanasor, gelegen in de regio Sinjar, wonen. De omstandigheid dat de woning van eisers’ ouders geen ramen en deuren heeft, maakt volgens de minister nog niet dat daarmee voor eisers geen toegang tot huisvesting bestaat. De minister meent dat eisers geen gegronde vrees hebben voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat zij bij terugkeer naar Irak ook geen reëel risico lopen op ernstige schade. (Voetnoot 6)

3.2.

Eisers kunnen zich hiermee niet verenigen. De rechtbank gaat hierna in op hun (aanvullende) beroepsgronden, voor zover deze van belang zijn.

Heeft de minister ten onrechte het nieuwe beleid  (Voetnoot 7) voor Jezidi’s toepast?

4. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat de minister het beleid (Voetnoot 8) zoals dat gold voor 27 juni 2024 had dienen toe te passen. Dit geldt ook voor beleidsregels. In beginsel moet worden uitgegaan van het op het moment van het nemen van het besluit geldende recht. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstigere positie komt, is geen bijzondere omstandigheid waardoor van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken. (Voetnoot 9) Ook in de combinatie van het gewijzigde beleid en het niet tijdig beslissen door de minister op de aanvragen ziet de rechtbank geen bijzondere omstandigheid die aanleiding zou moeten vormen om van het uitgangspunt van toepassing van het geldende recht af te wijken. De rechtbank stelt vast dat de bestreden besluiten lange tijd op zich hebben laten wachten, echter van het frustreren van de rechten van eisers is de rechtbank niet gebleken. Het ten tijde van de aanvragen geldende beleid betekende ook niet per definitie dat een vergunning zou worden verleend.

Heeft de minister Khanasor in de regio Sinjar als normale woon- en verblijfplaats kunnen aanmerken?

5. Eisers hebben aangevoerd dat zij niet terug kunnen keren naar Khanasor omdat hun ouders daar niet langer verblijven en naar Griekenland zijn gevlucht. Eisers menen dat het vluchtelingenkamp Khanké, gelegen in de provincie Duhok, waar zij tot hun vertrek in juli 2022 hebben geleefd, niet als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt. Ter onderbouwing beroepen zij zich op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 december 2025 (Voetnoot 10).

5.1.

De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor de hand ligt dat eisers terugkeren naar Khanasor, omdat zij hebben verklaard dat hun ouders daar verblijven. De minister gaat er daarom vanuit dat eisers terugkeren naar Sinjar. Hij wijst er in verband op dat uit het AAB 2023 (Voetnoot 11) blijkt dat jezidi veelvuldig terugkeren naar de Sinjar regio en dat voor Sinjar een lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. De minister meent dat in Irak in het algemeen sprake is van adequate opvang op basis van het landenbeleid (Voetnoot 12).

De minister heeft op de zitting aangegeven dat in het geval van eisers Khanasor in Sinjar als normale woon- en verblijfsplaats moet worden gezien, ook al wonen hun ouders daar inmiddels niet meer. Hij heeft er in dit verband op gewezen dat de ouderlijke woning van eisers in Khanasor staat, dat zij tot hun vertrek in juli 2022 altijd in gezinsverband hebben samengewoond en dat een oudere broer en zus van eisers daar zijn achtergebleven. Hij meent dat de normale woon- en verblijfsplaats samenhangt met de plaats waar de ouders van eisers eerder ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten hebben verbleven. Eisers kunnen volgens de minister terugkeren naar Khanasor, ook omdat daar nog volwassen familieleden van eisers wonen.

5.2.

Eisers hebben op de zitting gesteld dat eiser 2 gedurende zijn leven langer heeft verbleven in het vluchtelingenkamp Khanké in de KAR dan in Khanasor, Sinjar. Eiser 2 heeft tijdens zijn vormende jaren in het vluchtelingenkamp Khanké in de KAR gewoond en hij is daar ook naar school geweest. Datzelfde geldt voor eiser 1. Verder wonen de ouders van eisers inmiddels niet meer in Khanasor, Sinjar. Hun ouders zijn uit Irak vertrokken en naar Griekenland gevlucht. Eiser 2 kan niet terugkeren naar Khanasor in Sinjar omdat zijn ouders daar niet meer wonen. Dat een oudere broer en zus van eiser 2 nog in Khanasor in Sinjar wonen, maakt niet dat hij naar Sinjar terug kan keren. Daarnaast heeft de minister niet onderzocht of voor eiser 2 in Khanasor in Sinjar adequate opvang aanwezig is, nu zijn ouders, die het ouderlijk gezag hebben, daar niet meer wonen. In dit verband hebben eisers verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats Groningen van 18 augustus 2025 (Voetnoot 13). Daarnaast menen eisers dat de minister in het bestreden besluit geen goede onderbouwing heeft gegeven voor zijn standpunt dat eiser 2 toegang zal krijgen tot Khanasor in Sinjar. Daarbij wijzen eisers op het IB (Voetnoot 14) 2025/13 en het arrest TQ van het Hof (Voetnoot 15) van 14 januari 2021 (Voetnoot 16), waaruit volgt dat de minister nader onderzoek moet doen naar de vraag of voor eiser 2 bij terugkeer naar Sinjar sprake is van adequate opvang. De gewijzigde omstandigheden van na de bestreden besluiten, te weten dat de ouders van eisers niet meer in Khanasor verblijven, moeten bij de beoordeling worden betrokken.

5.3.

De rechtbank zal de vraag moeten beantwoorden of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat Khanasor in de regio Sinjar de normale woon- en verblijfplaats is voor eisers. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Zij legt dat hieronder uit.

5.4.

Uit de uitspraak van de Afdeling (Voetnoot 17) van 18 september 2012 (Voetnoot 18) volgt dat bij de beoordeling of een vreemdeling in het land, dan wel in het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een reëel risico loopt op ernstige schade moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- of verblijfplaats had. Bij de beantwoording van de vraag of een plaats kan worden beschouwd als de plaats waar de vreemdeling zijn normale woon- en verblijfplaats had is onder meer van belang hoe lang en onder welke omstandigheden de vreemdeling daar heeft verbleven.

5.5.

De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom Khanasor in Sinjar voor eisers als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt. Dat, zoals door de gemachtigde van de minister op de zitting is gesteld, eisers voor hun vertrek in juli 2022 altijd in gezinsverband met hun ouders hebben gewoond (eerst in Khanasor en daarna in Khanké), is niet voldoende om Khanasor als normale woon- en verblijfsplaats aan te merken. De rechtbank overweegt daartoe dat, zoals de gemachtigde van eisers op de zitting heeft gesteld, eiser 2 langer (ruim acht jaar) in het vluchtelingenkamp Khanké in de KAR, heeft verbleven dan bij zijn ouders in Khanasor, Sinjar (ruim zes jaar). Daarbij is niet zonder betekenis dat eiser 2 zijn vormende jaren heeft doorgebracht in de KAR en dat hij is in die periode daar ook naar school is geweest. Ook voor eiser 1 geldt dat hij vanaf zijn 14e levensjaar is opgegroeid in de KAR. Hij heeft daar als jong volwassene in een vluchtelingenkamp geleefd, totdat hij op [leeftijd] leeftijd is gevlucht naar Griekenland. Dat, zoals de minister op de zitting heeft gesteld, er nog een oudere broer en zus van eisers in Khanasor wonen, is geen reden om anders te oordelen. Het is namelijk niet bekend wat de huidige woon- en leefsituatie van die oudere broer en zus is in Khanasor, voor zover al zou moeten worden aangenomen dat zij daar nog wonen.

De rechtbank overweegt verder dat de ouders van eisers niet meer in Khanasor verblijven en eisers dus niet meer op hen kunnen terugvallen. Dat het, zoals de minister op de zitting heeft gesteld, de eigen keuze van de ouders van eisers is geweest om in Khanasor te gaan wonen, maakt nog niet dat Khanasor voor eisers als normale woon- en verblijfplaats dient te worden aangemerkt, nu bij de huidige stand van zaken helemaal niet zeker is of zij naar die plaats kunnen terugkeren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de minister geen deugdelijke onderbouwing heeft gegeven voor zijn standpunt dat eiser 2 toegang zal krijgen tot Khanasor dan wel of er voor hem adequate opvang in Khanasor aanwezig is. Uit het IB 2025/13 volgt dat de minister nader onderzoek moet doen of er voor eiser 2 sprake is van adequate opvang in Khanasor omdat zijn ouders daar inmiddels niet meer verblijven. De minister had dan ook in die situatie onderzoek moeten doen naar de vraag of adequate opvang voor eiser 2 in Khanasor aanwezig is. Dat heeft de minister, zoals eisers op de zitting hebben aangevoerd, ten onrechte niet gedaan. Dat de minister stelt dat eiser 2, mocht het al zover komen, niet alleen zal terugkeren naar Sinjar omdat eiser 1 met hem mee kan reizen, leidt niet tot een ander oordeel. Dat geldt evenzeer voor het standpunt van de minister dat er adequate opvang voor eiser 2 is in Sinjar omdat er nog familieleden zijn. Zonder eerst onderzoek te doen kan de minister dat niet stellen. Daar komt bij dat uit het door eisers in 5.2 aangehaalde arrest TQ van het Hof van 14 januari 2021 volgt dat de minister moet onderzoeken of er voor eiser 2 in Sinjar adequate opvang is. Zoals hiervoor al is overwogen, heeft de minister dat niet gedaan zoals hij zelf op de zitting heeft bevestigd.

5.6.

Gelet op het vorenstaande heeft de minister zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat Khanasor voor eisers als normale woon- en verblijfsplaats heeft te gelden. Dat geldt evenzeer voor het standpunt dat voor eiser 2 adequate opvang in Khanasor aanwezig is. Dit geeft aanleiding om de bestreden besluiten te vernietigen wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel (Voetnoot 19).

5.7.

Voor zover het vluchtelingenkamp Khanké in de KAR voor eisers als normale woon- en verblijfplaats zou moeten worden aangemerkt, verwijst de rechtbank naar haar uitspraken van de zittingsplaats van 27 februari 2025 (Voetnoot 20), 8 juli 2025 (Voetnoot 21), 18 augustus 2025 (Voetnoot 22) en 2 december 2025 (Voetnoot 23). In deze uitspraken heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de ontheemdenkampen in de KAR kunnen worden beschouwd als normale woon- en verblijfplaats voor jezidi’s uit de Sinjar regio.

Mocht de minister een terugkeerbesluit opleggen?

6. Eisers hebben aangevoerd dat de minister ten onrechte in het terugkeerbesluit heeft opgenomen dat zij dienen terug te keren naar Irak, omdat zij over een verblijfsvergunning in Griekenland beschikken. Zij menen dat de minister niet aan hen heeft laten weten dat hij de Griekse autoriteiten op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen de asielaanvragen af te wijzen. Ook is volgens eisers niet gebleken dat de minister navraag heeft gedaan bij de Griekse autoriteiten. Ter onderbouwing hiervan beroepen eisers zich op de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 (Voetnoot 24) en de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van

17 oktober 2025. (Voetnoot 25)

6.1.

De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat terecht een terugkeerbesluit aan eisers is opgelegd, omdat bij de afdoening van de asielaanvragen is vastgesteld dat er geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade in het land van herkomst. De minister heeft op de zitting gesteld dat als een vreemdeling niet terug kan keren naar Griekenland, het zo is dat als bij de beoordeling van het asielrelaas niet aannemelijk is dat er bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico bestaat op ernstige schade, de minister niet anders kan dan een terugkeerbesluit te nemen. Het genomen terugkeerbesluit ziet op het land van herkomst Irak.

6.2.

De rechtbank stelt vast – en dat is ook niet in geschil – dat de minister de Griekse autoriteiten niet op de hoogte heeft gesteld van de uitkomst van de in Nederland gevolgde asielprocedure en dat de Griekse autoriteiten de verleende vluchtelingenstatus van eisers niet hebben ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen terugkeerbesluit kan nemen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en deze in reactie hierop hebben aangegeven of zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. (Voetnoot 26) Nu de minister dat heeft nagelaten, is ten onrechte een terugkeerbesluit aan eisers opgelegd. De bestreden besluiten komen ook om die reden voor vernietiging in aanmerking.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op wat hiervoor onder 5.5 en 5.6 en onder 6.2 is overwogen, worden de beroepen gegrond verklaard en vernietigt de rechtbank de bestreden besluiten. Omdat de bestreden besluiten reeds hierom gegrond zijn, laat de rechtbank de overige beroepsgronden, bijvoorbeeld of eisers te vrezen hebben voor vervolging en of zij bij terugkeer naar Irak een reëel risico lopen op ernstige schade, onbesproken. De minister zal nieuwe besluiten op de aanvragen van eisers moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken de tijd. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De rechtbank oordeelt dat sprake is van samenhangende zaken (Voetnoot 27) die voor de vergoeding van de proceskosten als één zaak worden beschouwd.

Beslissing

Beslissing
De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten van 7 augustus 2025;

- draagt de minister op om binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister in de gezamenlijke proceskosten van eisers tot een bedrag van

€ 1.868,-. (Voetnoot 28)

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Voetnoot 2

Islamitische Staat.

Voetnoot 3

Koerdische Autonome Regio.

Voetnoot 4

In de bestreden besluiten staat dat uit het Griekse dossier is gebleken dat eisers in Griekenland een vluchtelingenstatus hebben gekregen omdat zij jezidi zijn.

Voetnoot 5

Algemeen Ambtsbericht.

Voetnoot 6

Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.

Voetnoot 7

Zie Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2024/12.

Voetnoot 8

Zie WBV 2021/1.

Voetnoot 9

Zie de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1393 en 24 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22152.

Voetnoot 10

ECLI:NL:RBDHA:2025:24369.

Voetnoot 11

AAB Irak, november 2023, p. 67.

Voetnoot 12

Zie hoofdstuk C7/16.6 van de Vreemdelingencirculaire en Informatiebericht (IB) 2025/13.

Voetnoot 13

ECLI:NL:RBDHA:2025:15345.

Voetnoot 14

Informatiebericht.

Voetnoot 15

Hof van Justitie van de Europese Unie.

Voetnoot 16

ECLI:EU:C:2021:9.

Voetnoot 17

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoot 18

ECLI:NL:RVS:2012:357.

Voetnoot 19

Als bedoeld in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

Voetnoot 20

ECLI:NL:RBDHA:2025:724,

Voetnoot 21

ECLI:NL:RBDHA:2025:12114.

Voetnoot 22

ECLI:NL:RBDHA:2025:15345.

Voetnoot 23

ECLI:NL:RBDHA:2025:22819.

Voetnoot 24

ECLI:NL:RVS:2025:2865.

Voetnoot 25

ECLI:NL:RBDHA:2025:19029.

Voetnoot 26

Zie onder andere de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19029 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van

6 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21083.

Voetnoot 27

Als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Voetnoot 28

Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.