Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:786

Op 12 January 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.330, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:786. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.330
Datum uitspraak:
12 January 2026
Datum publicatie:
20 January 2026

Indicatie

Bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting, lichter middel, belangenafweging, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.330

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Procesverloop

Verweerder heeft op 2 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 7 januari 2026.

Overwegingen

Inleiding

1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 november 2025 (in de zaak NL25.56299) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 24 november 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 24 november 2025 tot 7 januari 2026.

Zicht op uitzetting

2. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Senegal in zijn geval ontbreekt. Eiser wijst er op dat zijn laissez-passer (lp)-aanvraag al loopt sinds 29 januari 2025, zonder dat een lp is afgegeven. Daarnaast beschikt verweerder over een kopie van een geldig Senegalees paspoort en over de vingerafdrukken van eiser. De lp-aanvraag is gebaseerd op deze gegevens en wordt nog steeds onderzocht, ondanks herhaalde rappels en zelfs rappelleren op dossierniveau. Eiser heeft bovendien meegewerkt aan de presentatie op 12 februari 2025.

3. De rechtbank stelt vast dat het ontbreken van het zicht op uitzetting naar Senegal eerder is aangevoerd en beoordeeld in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 28 november 2025. De rechtbank verwijst in dit verband naar rechtsoverweging 4 van deze uitspraak. De situatie is sindsdien niet zodanig veranderd dat de rechtbank daarin aanleiding ziet om nu anders over de beroepsgrond te oordelen. Het tijdsverloop is daartoe onvoldoende. Hierbij betrekt de rechtbank opnieuw dat op eiser de plicht rust om actieve en volledige medewerking te verlenen om uitzetting te bewerkstelligen. Hoewel eiser in het verleden heeft meegewerkt aan een presentatie, blijkt uit het vertrekgesprek van 31 december 2025 dat hij nog altijd geen actie heeft ondernomen om aan (reis)documenten te komen die zijn uitzetting kunnen bespoedigen, wat maakt dat hij de vereiste medewerking nog niet verleent. Uit de voortgangsrapportage blijkt verder niet dat de Senegalese autoriteiten de lp-aanvraag hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet langer in behandeling hebben. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel en belangenafweging

4. Eiser voert aan dat, gezien de huidige stand van zaken en zijn persoonlijke omstandigheden er voldoende aanleiding is voor het toepassen van een lichter middel, zoals een meldplicht. Betrokkene heeft een vaste verblijfplaats in Nederland en heeft zich bereid verklaard zich aan een meldplicht te houden. Eiser meent verder dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen en tot opheffing van de maatregel moet leiden.

5. De rechtbank verwijst naar de rechtsoverwegingen 6 en 7 van de uitspraak van 28 november 2025, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is voor oplegging van een lichter middel en ook niet voor opheffing van de maatregel op grond van een belangenafweging. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er zich in de te toetsen periode gewijzigde omstandigheden hebben voorgedaan die thans tot een ander oordeel moeten leiden. Zo is niet gebleken van omstandigheden waardoor het risico op onttrekking is weg- of afgenomen. Hierbij wordt gewezen op de vertrekgesprekken van 3 en 31 december 2025 waaruit kan worden opgemaakt dat eiser niet voornemens is terug te keren naar Senegal. De enkele gestelde omstandigheid dat eiser een vaste verblijfplaats heeft in Nederland, doet aan het onttrekkingsgevaar niet af. De rechtbank is evenmin gebleken van persoonlijke omstandigheden die de maatregel onevenredig bezwarend maken. Tot slot zijn in het door eiser aangevoerde geen bijzondere omstandigheden gelegen die maken dat aan de belangen van eiser, ook al is de zesmaandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. De beroepsgronden slagen niet.Ambtshalve toetsing6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 24 november 2025 tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.