Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:8204

Op 3 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL24.51334, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:8204. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL24.51334
Datum uitspraak:
3 April 2026
Datum publicatie:
8 April 2026

Indicatie

Aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd op welke wijze de belangen zijn gewogen. Het feit dat referent kennismigrant is, is onvoldoende betrokken bij de weging van het economisch belang. Het standpunt van verweerder dat er geen objectieve belemmeringen aanwezig zijn om het gezinsleven in Zuid-Afrika uit te oefenen, vindt de rechtbank onder deze omstandigheden en zondere nadere motivering geen argument dat verweerder zwaar in het nadeel van eiseres kan meewegen. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL24.51334

[v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] .

geboren op [geboortedag] 2001, van Zuid-Afrikaanse nationaliteit, eiseres

(gemachtigden: mr. S.F. Helbing en mr. N. Vreede),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Inleiding

1. Eiseres heeft op 21 november 2022 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ (hierna: referent) op grond van artikel 8 van het EVRM. (Voetnoot 1)

1.1.

Met het primaire besluit van 3 maart 2023 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Met het besluit van 27 december 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft de zaak op zitting gepland waarna verweerder heeft verzocht om aanhouding van de zitting om het besluit nader te motiveren. Eiseres heeft hierop aangegeven graag de zitting doorgang te laten vinden, omdat zij op dat moment in Nederland is en bij de zitting aanwezig kan zijn. De rechtbank heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen. Verweerder heeft vervolgens het besluit op 19 september 2024 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 2 december 2024 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.2.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft aanvullende stukken ingediend.

1.3.

De rechtbank heeft het beroep op 23 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en mr. J. van Dam als gemachtigde van verweerder. De ouders van eiseres waren ook aanwezig.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiseres heeft altijd met haar ouders, broer en minderjarige broertje en zusje in Zuid-Afrika verbleven. Aan referent (de vader van eiseres) is een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘Arbeid als kennismigrant’ verstrekt. Aan de moeder van eiseres en haar minderjarige zusjes zijn verblijfsvergunningen regulier met als doel ‘Verblijf als familie of gezinslid bij [referent] ’ verstrekt. Zij hebben Zuid-Afrika op 6 januari 2023 verlaten om in Nederland te verblijven. Ook eiseres heeft een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘Verblijf als familie of gezinslid bij [referent] ’ aangevraagd. Aan de broer is een (zelfstandige) reguliere vergunning met als doel ‘Arbeid als kennismigrant’ verstrekt.

3. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Omdat eiseres onder het jongvolwassenenbeleid valt, wordt door verweerder aangenomen dat tussen eiseres en haar ouders een beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. De door verweerder gemaakte belangenweging valt echter uit in het nadeel van eiseres. Verweerder weegt hierbij in het nadeel van eiseres dat zij in de toekomst mogelijk aanspraak zal maken op door de overheid betaalde voorzieningen. Het gezinsleven tussen eiseres en referent weegt in het voordeel van eiseres. Verweerder weegt echter zwaar in het nadeel van eiseres dat er geen objectieve belemmering is om het gezinsleven in Zuid-Afrika uit te oefenen. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder weegt het feit dat referent in Nederland werkzaam is als kennismigrant niet langer in het voordeel van eiseres. Verweerder weegt in het nadeel dat eiseres na verloop van tijd zelfstandig aanspraak zal maken op de voorzieningen in Nederland. Verweerder heeft vastgesteld dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar minderjarige zusjes, maar aan dit belang wordt geen groot gewicht gehangen. Eiseres en haar gezin kunnen namelijk op verschillende manieren invulling geven aan hun gezinsleven en dat kan ook op afstand. Verweerder komt tot de conclusie dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiseres en haar gezin. Verweerder ziet in het gezinsleven van eiseres geen reden om haar een verblijfsvergunning te geven. Dit is volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.

5. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat tussen eiseres en referent sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. In geschil is wel of verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiseres mocht laten uitvallen.

Juridisch kader

6. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM toetst de rechtbank eerst of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid (vol) toetsen. (Voetnoot 2) De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de rechtbank het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen. (Voetnoot 3)

De belangenafweging

Standpunt eiseres

7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in haar nadeel is uitgevallen. Verweerder heeft nagelaten om alle elementen die in het voordeel van eiseres moeten worden gewogen, te betrekken bij de beoordeling. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk niet of en hoe verweerder de financiële situatie van het gezin en het feit dat referent kennismigrant is heeft betrokken bij de belangenafweging. Daarnaast heeft verweerder volgens eiseres te veel gewicht in het nadeel van eiseres toegekend aan het ontbreken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Zuid-Afrika uit te oefenen. Dit is volgens eiseres overigens ook niet aan te merken als een tegen te werpen belang in het kader van artikel 8 van het EVRM. Ook zijn de belangen van de minderjarige gezinsleden niet meegewogen. Ten slotte is volgens eiseres niet kenbaar hoe de belangen tegen elkaar zijn afgewogen en welk gewicht daaraan is toegekend.

Het oordeel van de rechtbank

8. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd op welke wijze de belangen zijn gewogen. Verweerder heeft in het bestreden besluit als belang van de Nederlandse Staat genoemd: het gebruik van regels voor de toelating en het verblijf van vreemdelingen, het beschermen van het economisch welzijn, de openbare orde, de rechten en vrijheden van anderen en de volksgezondheid van het land. Het is onduidelijk op welke wijze en met welk gewicht verweerder deze belangen heeft meegewogen in het bestreden besluit. De rechtbank volgt eiseres in haar stelling dat verweerder in het bestreden besluit het feit dat referent kennismigrant is onvoldoende heeft betrokken bij de weging van het economisch belang. Dat het, zoals verweerder heeft aangevoerd, sinds 2 september 2022 niet meer van doorslaggevend belang is dat een referent kennismigrant is, maakt niet dat dit helemaal niet meer (kenbaar) hoeft te worden betrokken in de belangenafweging. Aan kennismigranten wordt binnen de Nederlandse economie immers wel belang gehecht, ook als een functie minder moeilijk te vervullen is. Verweerder geeft aan dat het met betrekking tot het economisch belang niet alleen gaat over de vraag of referent eigen inkomen heeft, maar het ook gaat over de bescherming van de arbeidsmarkt en over door de overheid (deels) betaalde voorzieningen zoals onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en infrastructuur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd hoe hij dit heeft meegewogen in de belangenafweging. Uit het bestreden besluit blijkt namelijk niet of dit in het voordeel van eiseres is meegewogen, en zo ja, welk gewicht hieraan is toegekend. Daarbij volgt de rechtbank het standpunt van eiseres dat uit de besluitvorming onvoldoende kenbaar is hoe gewogen is dat referent een inkomen verdient waarmee hij het gehele gezin en ook eiseres kan onderhouden en dat eiseres in de studio kan wonen die referent aan de gezinswoning heeft laten aanbouwen. In het bestreden besluit zijn ten opzichte van het besluit van 27 december 2023 meer belangen in het voordeel van eiseres betrokken, zoals het belang van de minderjarige zusjes van eiseres, maar onduidelijk is hoe deze belangen zich verhouden tot de in het primaire besluit genoemde belangen. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd nagelaten alsnog inzichtelijk te maken welke belangen in het voordeel en in het nadeel zijn gewogen en hoe de belangen in samenhang tegen elkaar zijn afgewogen.

9. Met betrekking tot het tegenwerpen van het niet bestaan van objectieve belemmeringen overweegt de rechtbank als volgt. Referent heeft een verblijfsvergunning gekregen als kennismigrant. Dit impliceert naar het oordeel van de rechtbank dat zijn komst naar Nederland noodzakelijk en wenselijk is voor het economische belang van Nederland. Het standpunt van verweerder dat er geen objectieve belemmeringen aanwezig zijn om het gezinsleven in Zuid-Afrika uit te oefenen, vindt de rechtbank onder deze omstandigheden en zonder nadere motivering geen argument dat verweerder zwaar in het nadeel (Voetnoot 4) van eiseres kan meewegen.

10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen kenbare evenwichtige belangenafweging gemaakt waardoor er sprake is van een gebrek in de besluitvorming. Verweerder dient dus een nieuwe belangenafweging te maken en daarbij ook de omstandigheden die eiseres in beroep naar voren heeft gebracht te betrekken.

11. Omdat het beroep reeds op deze beroepsgrond slaagt, behoeven de overige gronden met betrekking tot het (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel en de mate van zelfstandigheid geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

13. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigden van eiseres een beroepschrift hebben ingediend en aan de zitting hebben deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 2 december 2024;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.A.H. Gonera, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Voetnoot 2

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:340.

Voetnoot 3

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 – 6.2.

Voetnoot 4

Zoals blijkt uit pagina 4 van het primaire besluit.