de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).
Inleiding
1. De minister heeft op 9 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef a en onder b, van de Vw (Voetnoot 1) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 april 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Zijn gemachtigde is op de rechtbank in Groningen verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
2. De minister heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a (a-grond) en b (b-grond) van de Vw. Als aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan, is elk van deze gronden afzonderlijk voldoende om de maatregel te kunnen dragen. In dit verband stelt de minister zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen (b-grond). De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;(lichte gronden)4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreek zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
5. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op de a-grond is opgelegd. Voor de a-grond van artikel 59b van de Vw is vereist dat de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich tenminste twee bewaringsgronden voordoen. De minister stelt in de maatregel van bewaring terecht dat er onvoldoende zekerheid bestaat over de identiteit van eiser. Eiser heeft namelijk geen identificerende documenten overgelegd. Het hiervoor genoemde wordt dan ook gevolgd nu eiser nog steeds niet in het bezit is van identificerende documenten, of vervangende reisdocumenten. Dit is door eiser niet betwist. Dat de minister in de asielprocedure is uitgegaan van de identiteit en nationaliteit van eiser, betekent niet dat deze gegevens ook vaststaan.
5.1.
Daarnaast heeft de minister de maatregel eveneens op de b-grond kunnen baseren. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (Voetnoot 2) volgt dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht - door middel van de lichte en zware gronden - ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen. (Voetnoot 3) Ook dit is niet betwist door eiser.
Gronden
6. De rechtbank is van oordeel dat, om de zware gronden 3a, 3b, 3c, 3f, 3i aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank oordeelt dat de grond 3a feitelijk juist is, omdat eiser bij binnenkomst in Nederland niet beschikte over de juiste reisdocumenten en ook niet over een visum voor het Schengengebied. Dat een vreemdeling als asielzoeker inreist en dat eiser zichzelf later, op 19 februari 2026 in opdracht van de Duitse autoriteiten in Nederland heeft gemeld, doet hier niet aan af. Ook grond 3b is feitelijk juist, omdat eiser op 15 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. Grond 3c is tevens feitelijk juist, omdat eiser op 29 januari 2026 een beschikking heeft ontvangen, met terugkeerbesluit en inreisverbod van twee jaar. Eiser kan niet aantonen dat hij gevolg heeft gegeven aan zijn vertrekverplichting. Grond 3f is ook feitelijk juist nu eiser heeft verklaard zijn identiteitskaart te hebben weggedaan en/of vernietigd. Tot slot is grond 3i feitelijk juist, omdat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft aangegeven niet te willen terugkeren naar Algerije.
6.1.
Eiser merkt op dat aan de lichte grond 4b niet is voldaan. Een nieuwe aanvraag zou niet zondermeer kansloos zijn, nu eiser heeft aangedragen dat zijn huidige partner christelijk is en waarmee hij voor de islamitische wet getrouwd is. In zijn afwijzende asielaanvraag is geoordeeld dat er niet is gebleken dat zijn partner niet naar een islamitisch land als Algerije zou kunnen afreizen. Eiser is van mening dat er te snel aan dit punt voorbij is gegaan.
6.2
De rechtbank merkt hierover op dat dit standpunt niet wordt getoetst in dit beroep. Het aandragen van omstandigheden die kunnen leiden tot een verblijfsvergunning, konden worden aangedragen in de beroepsprocedure over de verblijfsvergunning. Verweerder stelt zich terecht op het punt dat de afwijzende beschikking van 27 februari 2026 ten grondslag ligt aan de maatregel van bewaring. Dit beroep ziet enkel op de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring van 9 maart 2026. Inmiddels is ook de derde asielaanvraag van eiser, van 28 maart 2026, afgewezen.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor besproken niet betwiste zware gronden en de lichte gronden, in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Ook bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister om een significant risico op onderduiken aan te nemen.
6. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat daarom niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. De rechtbank stelt daarbij vast dat de minister de medische en psychische omstandigheden van eiser voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring. Door de minister is eiser erop gewezen dat de medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is en die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Van persoonlijke omstandigheden die de maatregel onevenredig maken voor eiser is niet gebleken.
Voortvarend werken aan de asielaanvraag
7. De termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. (Voetnoot 4) Op
20 maart 2026 is naar aanleiding van de asielaanvraag van eiser een voornemen uitgebracht en op 28 maart 2026 is een beschikking geslagen. De rechtbank acht dit voldoende voortvarend.
8. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 (Voetnoot 5) heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid van de Vw.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.