Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:8226

Op 8 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.17731 en NL26.17880, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:8226. De plaats van zitting was Roermond.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.17731 en NL26.17880
Datum uitspraak:
8 April 2026
Datum publicatie:
8 April 2026

Indicatie

Bewaring terugkeer Somalië – eiser heeft beroep ingesteld tegen de meeromvattende beschikking op zijn 6e asielaanvraag en heeft daarnaast beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit dat een besluitonderdeel van die beschikking is. Dat beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard net als het beroep tegen het op 25 augustus 2020 uitgevaardigde inreisverbod – de beroepsgrond dat in de maatregel niet kenbaar is gemotiveerd dat het refoulementverbod zich niet tegen verzet tegen de verwijding slaagt niet – dit is namelijk wel gemotiveerd in de maatregel, daargelaten dat het de vraag is of uit het arrest Adrar volgt dat het Unierecht een kenbare refoulementbeoordeling in de bewaringsmaatregel vereist of dat het Hof alleen heeft verduidelijkt dat de bewaringsrechter verplicht is om de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement te betrekken bij de beoordeling of sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering.

Beroep tegen TKB/IRV niet-ontvankelijk, beroep tegen maatregel ongegrond, geen SV, geen PKV.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.17731 en NL26.17880

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser],

geboren op [geboortedatum] 1998, Somalische nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. N. Birrou),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr.[ ]).

Procesverloop

Procesverloop

Eiser heeft op 20 maart 2026 vanuit bewaring voor de zesde maal een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze opvolgende asielaanvraag bij besluit van 30 maart 2026 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). In dit besluit is tevens vermeld dat op 25 augustus 2020 een terugkeerbesluit is vastgesteld en een inreisverbod met een duur van 10 jaar is uitgevaardigd en dat zowel het terugkeerbesluit als het inreisverbod nog geldig zijn en hier ook geen zienswijze tegen is ingediend.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 maart 2026 (NL26.17727) en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL26.17728) en daarna de rechtbank ook verzocht om een ordemaatregel te treffen.

Verweerder heeft op 30 maart 2026 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd, aansluitend aan opheffing van de op 20 maart 2026 opgelegde maatregel op de asielgrond.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de maatregel van 30 maart 2026, welk beroep tevens wordt aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding (NL26.17731).

Eiser heeft daarnaast een zelfstandig beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit dat op 30 maart 2026 is vastgesteld en tegen het inreisverbod (NL26.17880).

De rechtbank heeft het beroep tegen de bewaringsmaatregel en het zelfstandige beroep tegen het op 30 maart 2026 vastgestelde terugkeerbesluit en inreisverbod op 7 april 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiser spreekt de Nederlandse taal en heeft voorafgaand aan de behandeling ter zitting aangegeven geen tussenkomst van een tolk nodig te hebben om in persoon te worden gehoord. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft gemachtigde van eiser ter zitting allereerst voorgehouden dat er op 30 maart 2026 geen inreisverbod is uitgevaardigd en er geen rechtsmiddel meer openstaat tegen het inreisverbod met een duur van 10 jaar dat op 25 augustus 2020 is uitgevaardigd. Het beroep voor zover dit is gericht tegen het inreisverbod zal dus niet-ontvankelijk worden verklaard.

2. De rechtbank heeft vervolgens met gemachtigde van eiser besproken dat het terugkeerbesluit dat op 30 maart 2026 is vastgesteld, een besluitonderdeel van de meeromvattende beschikking op de opvolgende asielaanvraag van eiser is en dat eiser daar reeds beroep tegen heeft ingesteld. Omdat eiser beroep heeft ingesteld tegen de meeromvattende beschikking die een terugkeerbesluit omvat, zal het zelfstandige (tweede) beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. De rechtbank heeft gemachtigde van eiser voorts verzocht om zorgvuldiger om te gaan met het verzoeken om een ordemaatregel omdat dergelijke verzoeken met voorrang worden behandeld en het indienen van een dergelijk verzoek dus betekent dat tijdelijk minder tijd kan worden besteed andere procedures. Het verzoeken om een ordemaatregel te treffen zonder dat reeds een uitzetting is gepland is zonder betekenis omdat elke spoed om een dergelijke maatregel te treffen ontbreekt. De rechtbank begrijpt de door de gemachtigde ter zitting gegeven toelichting dat het bij een grote zaaksvoorraad lastig is om direct te handelen na de aankondiging van een vlucht. Het echter ‘alvast indienen van een verzoek om een ordemaatregel te treffen voor het geval een feitelijke uitzettingsdatum bekend zal worden gemaakt’, zonder dat de behandeling van dat verzoek op dat moment spoed behoeft, zal niet leiden tot de toewijzing van dit verzoek terwijl met de afwijzing van dat verzoek wel tijd is gemoeid. De voorzieningenrechter zal in een procedure als de onderhavige waar de uitzetting naar Somalië na een langdurig verblijf hier te lande aan de orde is en er reeds een concrete vluchtdatum is aangekondigd, zonder meer trachten om dat verzoek te behandelen en inhoudelijk te kunnen beoordelen. De voorzieningenrechter zal doorgaans alleen een ordemaatregel treffen als de tijd ontbreekt om het verzoek om een voorlopige voorziening deugdelijk te kunnen behandelen en er voorts inhoudelijk aanleiding bestaat om ‘de situatie te bevriezen’. De rechtbank heeft eiser tevens medegedeeld dat kort voor aanvang van de bewaringszitting is bepaald dat het beroep tegen de meeromvattende beschikking en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 april 2026 door de rechtbank op zitting zal worden behandeld omdat verweerder inmiddels heeft aangekondigd dat eiser op 15 april 2026 zal worden verwijderd naar Somalië.

4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder gemotiveerd waarom eiser in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw en heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft vier zogenoemde zware gronden en vier zogenoemde licht gronden opgevoerd om dit te onderbouwen.

5. Eiser heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:329) op het standpunt gesteld dat de maatregel van bewaring van aanvang af onrechtmatig is omdat in de maatregel niet kenbaar is overwogen dat er een beoordeling van het refoulementrisico is verricht.

6. De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond niet slaagt. Daargelaten dat het de vraag is of uit het arrest Adrar (arrest van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647) volgt dat het Unierecht een kenbare refoulementbeoordeling in de bewaringsmaatregel vereist of dat het Hof alleen heeft verduidelijkt dat de bewaringsrechter verplicht is om de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement te betrekken bij de beoordeling of sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering, wijst de rechtbank op de navolgende passage in de maatregel:

(…)

ZICHT OP UITZETTING:

Op 24-03-2026 hebben de Somalische autoriteiten een LP afgegeven waarmee u uitgezet kunt worden naar land van herkomst. Hiermee is uw identiteit en nationaliteit bevestigd en bestaat er zicht op uitzetting naar Somalië binnen een redelijke termijn.

Betrokkene heeft op 20-03-2026 een 6e asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag is door de IND op 30-03-2026 afgewezen. Gezien zijn afwijzende asielbeschikking kan er worden

aangenomen dat betrokkene terug kan keren naar Somalië en blijken er geen omstandigheden aanwezig dat er een schending is op non-refoulement.

(…)

7. De rechtbank stelt vast dat er wel een kenbare motivering in de maatregel is opgenomen die betrekking heeft op het refoulementrisico. De stelling van eiser dat uit de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat ‘niet mag worden volstaan met een verwijzing naar een ander besluit’ slaagt niet. De rechtbank beoordeelt bij de rechtmatigheid van een maatregel die is opgelegd om terugkeer voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren onder meer of het eerder vastgestelde terugkeerbesluit kan worden uitgevoerd. Eiser heeft weliswaar beroep ingesteld tegen de meeromvattende beschikking van 30 maart 2026, maar eiser heeft niet aangegeven dat sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan of die bekend zijn geraakt na de vaststelling van het eerder dan 30 maart 2026 vastgestelde terugkeerbesluit. Dit blijkt ook uit de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag. Eiser heeft in die beroepsgronden, in het bewaringsgehoor en in de bewaringsgronden evenmin concrete feiten en omstandigheden genoemd die niet in de eerdere besluitvorming zijn betrokken en die een nadere beoordeling van het refoulementrisico vergen. Eiser heeft ter zitting, nadat de rechtbank dit heeft besproken en met name heeft benoemd dat niet is toegelicht waaruit de gestelde ‘verwestering’ uit zou kunnen blijken, verklaard dat hij de Somalische taal niet meer spreekt. De rechtbank overweegt dat deze stelling weliswaar eerder door eiser is ingenomen in het gehoor opvolgende aanvraag dat op 20 maart 2026 heeft plaatsgevonden, maar dat niet is toegelicht waarom dit gestelde gebrek aan taalvaardigheid nu anders dan in de eerdere besluitvorming en een refoulementrisico oplevert en daardoor het terugkeerbesluit niet zou kunnen worden uitgevoerd. De rechtbank overweegt verder dat uit deze enkele gestelde omstandigheid, ook gelet op de landeninformatie, geen indicatie volgt dat een nader onderzoek moet plaatsvinden naar de vraag of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser in Somalië een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU Handvest verboden onmenselijke en vernederende behandelingen. De rechtbank doet in deze procedure geen uitspraak over de rechtmatigheid van het op 30 maart 2026 vastgestelde terugkeerbesluit, maar komt tot de conclusie dat het beginsel van non-refoulement niet aan de uitvoering van het terugkeerbesluit in de weg staat en dat ook de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen niet in de weg staan aan de verwijdering van eiser naar Somalië.

8. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft alle overige rechtmatigheidsvereisten gecontroleerd en stelt vast dat de maatregel rechtmatig is opgelegd en strekt tot effectuering van het eerder vastgestelde terugkeerbesluit. Het beroep tegen de bewaringsmaatregel is dus ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding gelet op de beslissing op beide beroepen.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod niet-ontvankelijk (NL26.17880);

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaringsmaatregel ongegrond (NL26.17731);

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 8 april 2026.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking voor zover dit beroep zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod (NL26.17880) en binnen één week na de dag van bekendmaking voor zover het beroep zich richt tegen de ongegrondverklaring van het beroep tegen de bewaringsmaatregel en het verzoek om schadevergoeding (NL26.17731).