Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001.
Kon de maatregel worden opgelegd hangende een procedure?
2. Eiser acht het niet opportuun dat hij in bewaring is gesteld. Hij voert daartoe aan dat hij bij de Afdeling (Voetnoot 2) hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend.
3. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet heeft onderbouwd en geconcretiseerd tegen welke uitspraak hij hoger beroep heeft ingesteld. Ook heeft eiser niet onderbouwd waarom hij hierdoor niet in bewaring kan worden gesteld. De rechtbank ziet geen aanleiding om de maatregel om deze reden onrechtmatig te achten.
Kunnen de gronden de maatregel in beginsel dragen?
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb (Voetnoot 3) heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
De minister heeft de gronden onder 3c, 3d en 4e laten vallen.
5. Eiser heeft alle gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd gemotiveerd betwist. Zo stelt eiser ten aanzien van de zware grond 3a dat hij is gevlucht vanuit zijn land van herkomst en als asielzoeker naar Nederland is gekomen. Hierdoor kan niet van hem worden verwacht dat hij in zijn land van herkomst, waar hij gevaar loopt, eerst een paspoort en visum aanvraagt en daarna dat land verlaat. Hij heeft onverwijld asiel aangevraagd in Nederland. Ten aanzien van de zware grond 3b stelt eiser dat hij zich tijdens de procedure in grote lijnen heeft gehouden aan zijn meldplicht. Eiser was op een bepaald moment niet langer welkom op het AZC (Voetnoot 4) en is toen naar Frankrijk gegaan. Er is geen sprake van het (vrijwillig) onttrekken aan het toezicht, nu eiser niet meer op het AZC mocht verblijven. Ten aanzien van de zware grond 3i voert eiser aan dat hij niet op de hoogte was van het terugkeerbesluit, maar hij wel degelijk wil meewerken aan zijn terugkeer. Om die reden is hij ook naar Ter Apel gegaan. Eiser heeft de uitnodiging voor het vertrekgesprek met DTenV (Voetnoot 5) niet ontvangen. Eiser weet dat hij een terugkeerbesluit heeft gekregen en hij wil ook graag terugkeren naar Algerije, zoals hij heeft verklaard tijdens het bewaringsgehoor. Met betrekking tot de lichte grond 4a voert eiser aan dat hij nooit in het bezit is geweest van een paspoort en dat hij niet op de hoogte was van zijn vertrekplicht. Eiser heeft rechtsmiddelen ingesteld tegen de beschikking waarin de vertrekplicht staat opgenomen. Hij wenst het hoger beroep in Nederland af te wachten. Over de lichte grond 4b voert eiser aan dat hij zijn verblijf wil legaliseren en hij zich opnieuw tot de autoriteiten heeft gewend. Ten aanzien van de lichte grond 4c voert eiser aan dat hij ook in een AZC of VBL (Voetnoot 6) kan verblijven, waar hij zich dagelijks wil melden. Over de lichte grond 4d voert eiser aan dat hij als asielzoeker naar Nederland is gekomen en afhankelijk is van de verstrekkingen van het COA. (Voetnoot 7) In de maatregel is niet deugdelijk gemotiveerd waarom op basis van deze grond sprake is van een risico op onttrekking. De lichte gronden zijn onvoldoende zwaar om hieruit af te leiden dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is de zware grond 3a feitelijk juist en heeft de minister de feitelijke juistheid van deze grond voldoende toegelicht in de maatregel. Uit deze toelichting volgt dat eiser niet over een geldig paspoort inclusief visum, dan wel een mvv (Voetnoot 8) beschikte bij zijn aanmelding in Nederland. Dat eiser als asielzoeker zonder (reis)documenten naar Nederland is gekomen, kan hem nu worden aangerekend omdat de asielprocedure is afgerond en zijn asielaanvraag is afgewezen. Ook de zware grond 3b is naar het oordeel van de rechtbank feitelijk juist en de minister heeft de feitelijke juistheid van deze grond voldoende toegelicht in de maatregel. Uit deze toelichting volgt dat eiser op 26 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken en zich op 28 februari 2023, 2 december 2025, 8 december 2025, 9 december 2025, 11 december 2025, 15 december 2025, 22 december 2025, 31 december 2025, 2 januari 2026, 8 januari 2026, 15 januari 2026, 16 januari 2026, 22 januari 2026, 30 januari 2026, 12 februari 2026, 18 februari 2026, 20 februari 2026, 24 februari 2026, 25 februari 2026 en 3 maart 2026 niet heeft gehouden aan zijn meldplicht. Dat eiser niet langer welkom was op het AZC doet er niets aan af dat hij aan de minister zijn verblijfplaats had moeten doorgeven en zich tijdens zijn verblijf op het AZC had moeten melden. Dat betekent dat de zware gronden 3a en 3b terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd. De genoemde gronden zijn al voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Wat verder nog is aangevoerd over de overige gronden behoeft dan ook geen bespreking meer.
Had kunnen worden volstaan met een lichter middel?
7. Eiser voert aan dat de minister in de maatregel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er niet is gekozen voor een lichter middel. Aan eiser had een meldplicht opgelegd kunnen worden en dit kan nog steeds. Eiser werkt immers mee aan zijn terugkeer. De minister heeft dit onvoldoende in zijn overwegingen betrokken.
8. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De rechtbank verwijst daarbij naar wat hiervoor is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Dat eiser nu stelt terug te willen keren, is onvoldoende gelet het feit dat hij eerder een lichter middel opgelegd heeft gekregen, maar zich daar niet aan heeft gehouden. De rechtbank wijst daarbij op de melding dat eiser op 26 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken en de overige keren dat eiser zich niet aan de meldplicht heeft gehouden. Verder is niet geconcretiseerd dat eiser bezig is geweest met het werken aan zijn terugkeer. Deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. (Voetnoot 9)
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.