Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:8387

Op 20 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.8077, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:8387. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.8077
Datum uitspraak:
20 March 2026
Datum publicatie:
9 April 2026

Indicatie

Dublin Spanje. Beroep ongegrond. (ZIE OOK: ECLI:NL:RBDHA:2026:8410)

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.8077

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer 1] , eiseres,

mede namens haar minderjarige zoon [minderjarige], V-nummer: [V-nummer 2]

(gemachtigde: mr. E. Ceylan),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 12 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, A. Avakjan-Goulojan als tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening (Dvo). Op grond van de Dvo neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. (Voetnoot 1) In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.

Horen minderjarige zoon

5. Eiseres voert aan dat haar zoon wenst om zijn belangen ten aanzien van zijn medische problematiek en zijn innige banden met Nederland persoonlijk kenbaar te maken. Zij stelt dan ook dat de minister haar zoon in persoon had moeten horen omdat dit een essentieel recht is. Hierbij verwijst eiseres naar artikel 5 en 6 van de Dvo. Dat de minister geen tijd had om haar zoon te horen, is geen reden om hiervan af te zien. Eiseres had bijvoorbeeld tegelijkertijd met haar zoon gehoord kunnen worden. De uiterste overdrachtsdatum verstrijkt pas 5 juli 2026, dus de minister had voldoende tijd om de zoon te horen.

6. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het aanmeldgehoor, pagina 6 en 7, blijkt dat de gehoormedewerker aan eiseres kenbaar heeft gemaakt dat haar zoon, als hij dat wil, schriftelijk aan de IND kan laten weten wat hij belangrijk vindt. Deze verklaring kon eiseres dan samen indienen met de correcties en aanvullingen op het gehoor. Van deze mogelijkheid hebben eiseres en haar zoon geen gebruik van gemaakt. Door de zoon van eiseres de mogelijkheid te bieden zijn belangen schriftelijk kenbaar te maken, kon de minister in dit geval volstaan met het horen van eiseres. Uit de Afdelingsuitspraak van 20 augustus 2025 (Voetnoot 2) volgt – anders dan eiseres stelt – niet dat haar zoon in persoon gehoord had moeten worden. Het in de gelegenheid stellen om gehoord te worden ziet niet noodzakelijkerwijs op fysiek horen. Ook het beroep van eiseres op 5 en 6 van de Dvo slaagt niet. Dus de mogelijkheid die aan de zoon is geboden om schriftelijk zijn belangen toe te lichten volstaat gelet op het vorenstaande. De beroepsgrond slaagt niet.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

7. Eiseres stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje. Hiertoe voert eiseres aan dat zich in Spanje veel incidenten voordoen waardoor het bestreden besluit in strijd is met het interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiseres verwijst naar de zienswijze.

8. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Spanje mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in de uitspraken van 3 februari 2025 (Voetnoot 3) en 25 november 2025 (Voetnoot 4) nog bevestigd. Het is daarom in beginsel aan eiseres om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Spanje, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Spaanse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 Handvest. Daarvan is sprake in het geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, zoals neergelegd in het arrest Jawo. Eiseres is hierin niet geslaagd.

9. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Spanje niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Eiseres verwijst in de beroepsgronden enkel naar hetgeen aangevoerd in de zienswijze en heeft niet aangegeven waarom de reactie op de zienswijze, het bestreden besluit, van de minister niet toereikend is. De minister heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een reëel risico loopt op een slechte behandeling in Spanje, dat eiseres niet eerder als Dublinclaimant is overgedragen en dus niet uit persoonlijke ervaring kan spreken en dat niet is gebleken dat klagen of om hulp vragen bij de Spaanse autoriteiten voor eiseres niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.

Arrest Tarakhel  (Voetnoot 5)

10. Gezien hetgeen ter zitting is besproken begrijpt de rechtbank dat eiseres aanvoert dat de minister, gelet op de medische kwetsbare problematiek van haar zoon, om individuele garanties had moeten vragen. Eiseres voert aan dat haar zoon kampt met astma en vele voedselallergieën. Daarnaast speelt er ook psychische problematiek gezien het verleden van haar zoon. Gelet op het vorenstaande heeft de minister ten onrechte miskent dat geen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid in de zin van het arrest Tarakhel.

11. De rechtbank overweegt het volgende. In het arrest Tarakhel heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen. In dit arrest ging het om een echtpaar met zes jonge kinderen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 volgt dat het arrest Tarakhel ook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen indien aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdelingen ook van belang kunnen zijn. De bewijslast dat er sprake is van de betreffende bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling.7

12. De rechtbank overweegt dat eiseres heeft gesteld dat haar zoon astma, verschillende voedselallergieën en psychische problemen heeft, maar dat zij niet heeft onderbouwd waarom hij als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel moet worden aangemerkt. Iets dergelijks volgt ook niet uit de overgelegde stukken. Verder heeft eiseres ook niet met stukken aannemelijk gemaakt dat haar zoon zonder individuele garanties geen toegang heeft tot adequate zorg in Spanje. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening

13. Eiseres stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo aan zich te trekken. Hiertoe voert eiseres aan dat al hetgeen hierboven in samenhang gezien voldoende aanleiding had moeten zijn voor de minister om de asielaanvraag aan zich te trekken. In het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd waarom haar banden met de Nederlandse ambassade in Roemenië en de medische situatie van haar zoon onvoldoende aanleiding zijn voor de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dvo. De belangenafweging had gelet hierop in het voordeel van eiseres uit moeten vallen.

14. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.

15. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Spanje onevenredig hard is. Voor zover eiseres betoogt dat de omstandigheden die zijn aangevoerd over structurele tekortkomingen in Spanje ook moeten worden meegenomen in de motivering of artikel 17, eerste lid, van de Dvo moet worden toegepast, wijst de rechtbank op recente rechtspraak van de Afdeling (Voetnoot 6). Daarin is geoordeeld dat als de minister de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt.

16. Met betrekking tot de medische situatie van de zoon van eiseres is niet gebleken dat Nederland het meest voorgeschreven land is om hem te behandelen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden de medische voorzieningen in Spanje van vergelijkbare kwaliteit geacht te zijn en dat deze voorzieningen ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Ook is de omstandigheid dat eiseres banden heeft met de Nederlandse ambassade in Armenië, is geen bijzondere omstandigheid die de minister aanleiding had moeten geven om de aanvraag in behandeling te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

20 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

ECLI:NL:RVS:2025:3899.

Voetnoot 3

ECLI:NL:RVS:2025:381.

Voetnoot 4

ECLI:NL:RVS:2025:5661.

Voetnoot 5

Arrest van het EHRM van 4 november 2014 in de zaak Tarakhel tegen Zwitserland, nr. 29217/12, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.

Voetnoot 6

ECLI:NL:RVS:2025:717.