Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:8409

Op 3 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.53743, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:8409. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.53743
Datum uitspraak:
3 April 2026
Datum publicatie:
9 April 2026

Indicatie

Asiel; Somalië; Al-Shabaab; eerdere confrontatie met wandaden; C2/3.3.2.2 Vc 2000; onvoldoende gemotiveerd; beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.53743

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft zich namelijk onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning asiel vanwege een eerdere confrontatie met wandaden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser is van Somalische nationaliteit. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft problemen gehad met Al-Shabaab, omdat hij vanaf 2019 werkzaam was als assistent in de apotheek van een vriend van hem. In 2022 kwamen er leden van Al-Shabaab naar de apotheek. Zij namen eiser en zijn vriend geblinddoekt mee naar Raqeyle. Zij werden er toen van beschuldigd medische hulp te verlenen aan militairen van de Somalische overheid. Eiser is door Al-Shabaab mishandeld en zijn vriend is door Al-Shabaab vermoord. Enkele dagen later kwamen de overheidstroepen naar Raqeyle om Al-Shabaab aan te vallen. Eiser is toen bevrijd door de overheidstroepen en naar Afgooye gebracht. Vervolgens is eiser naar Mogadishu gegaan. Eiser is daar twee keer gebeld door Al-Shabaab, waarbij hij is bedreigd met de dood. Daarna is hij Somalië ontvlucht.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- problemen met Al-Shabaab.

De minister stelt zich op het standpunt dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Ook zijn de problemen met Al-Shabaab geloofwaardig. Eiser heeft alleen niet aannemelijk gemaakt dat hij een verdragsvluchteling is of bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade. (Voetnoot 1) Daarnaast voldoet eiser niet aan de voorwaarden om op basis van een eerdere confrontatie met wandaden een verblijfsvergunning asiel aan hem te verlenen. De minister vindt daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.

Het wettelijk kader

5. Uit het door de minister vastgesteld beleid “Eerdere confronatie met wandaden” (Voetnoot 2) volgt dat de vreemdeling die in het verleden is geconfronteerd met traumatische gebeurtenissen in zijn directe omgeving en zich op grond van de psychologische problematiek als gevolg van de wandaden in een positie bevindt dat hij niet terug kan keren naar zijn land van herkomst, door de minister onder bepaalde voorwaarden in het bezit gesteld wordt van een verblijfsvergunning asiel. Er moet dan sprake zijn van één van de in het beleid genoemde wandaden. Daartoe hoort onder meer en voor zover hier van belang de gewelddadige dood van vrienden van de vreemdeling, marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van de vreemdeling en het aanwezig zijn als getuige bij marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van vrienden van de vreemdeling. De vreemdeling moet zelf in zijn verklaringen aannemelijk maken dat sprake is geweest van een traumatische gebeurtenis en dat die traumatische gebeurtenis in relatie tot de feitelijke situatie in het land van herkomst reden is geweest voor het vertrek uit het land van herkomst. De bewijslast hiervoor berust bij de vreemdeling.

Had de minister aan eiser een verblijfsvergunning moeten verlenen op grond van een eerdere confrontatie met wandaden?

6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen verblijfsvergunning asiel aan hem heeft verleend vanwege zijn eerdere confrontatie met wandaden in Somalië. De minister had dat wel moeten doen, omdat hij eisers asielrelaas geloofwaardig acht en daarmee vaststaat dat eiser in Somalië ernstig is mishandeld door Al-Shabaab.

6.1.

De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden om op grond van het beleid “Eerdere confrontatie met wandaden” een verblijfsvergunning te krijgen. Eiser heeft ten eerste niet toegelicht of onderbouwd dat hij voldoet aan de voorwaarden van dat beleid, terwijl de bewijslast hiervan bij hem ligt. Eisers enkele verwijzing naar dat beleid is daarvoor onvoldoende. (Voetnoot 3) Ten tweede voldoet eiser ook niet aan de voorwaarden van het beleid, nu de door eiser geschetste situatie niet valt onder één van de daden die volgens dat beleid een grond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen. Eiser is namelijk niet ernstig mishandeld of gemarteld, en hij is er ook geen getuige van geweest dat familieleden of huisgenoten ernstig zijn mishandeld, gemarteld of verkracht. Ook is hij er niet direct getuige van geweest dat zijn vriend en werkgever is vermoord door Al-Shabaab. Dat de moord op zijn vriend in dezelfde detentie als eiser heeft plaatsgevonden, is niet dermate ernstig om daaraan te voldoen.

6.2.

De beroepsgrond slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden om op grond van het beleid “Eerdere confronatie met wandaden” een verblijfsvergunning te krijgen. De minister heeft namelijk onvoldoende gemotiveerd waarom de gebeurtenissen waar eiser over heeft verklaard niet zijn aan te merken als wandaden in de zin van het onder 5 beschreven beleid. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard, en de minister acht die verklaringen geloofwaardig, dat zijn vriend tijdens zijn gevangenneming door leden van Al-Shabaab werd meegenomen uit de kamer waar zij beiden gevangen werden gehouden. Hoewel eiser zijn vriend daarna niet meer kon zien, hoorde hij hem smeken en schreeuwen voor zijn leven. Vervolgens hoorde eiser dat zijn vriend werd doodgeschoten. Eiser heeft verklaard dat hij in shock raakte van deze gebeurtenis. (Voetnoot 4) Daarnaast heeft eiser verklaard twee keer te zijn mishandeld door leden van Al-Shabaab tijdens zijn gevangenneming. Hij heeft verklaard hierdoor overal pijn te hebben gehad, vooral aan zijn schouder en zijn rug. Ook is eiser in zijn ballen geschopt. (Voetnoot 5) De enkele stelling van de minister dat eiser zelf niet heeft gezien dat zijn vriend werd vermoord, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing voor de conclusie dat het horen van de moord niet is aan te merken als een confrontatie van eiser met de gewelddadige dood van zijn vriend in de zin van het beleid. De rechtbank ziet zonder nadere motivering namelijk niet in waarom een vreemdeling alleen geconfronteerd zou kunnen zijn met een gebeurtenis in de zin van het beleid als hij het heeft zien gebeuren, en niet ook wanneer hij het heeft horen gebeuren in zijn directe omgeving. Uit het beleid volgt niet duidelijk dat de vreemdeling de gebeurtenis moet hebben gezien. Verder heeft de minister zich over de mishandelingen die eiser moest ondergaan enkel op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van ernstige mishandeling of marteling, zonder nader toe te lichten waarom de mishandelingen van eiser niet als zodanig zijn aan te merken.

Dat eiser gedurende de rest van de procedure maar weinig naar voren heeft gebracht over waarom hij aan de voorwaarden van het onder 5 beschreven beleid voldoet, maakt het oordeel niet anders, gelet op eisers – geloofwaardig geachtte – verklaringen over de gebeurtenissen waarmee hij geconfronteerd is in Somalië. De verwijzing van de minister naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 26 maart 2024 maakt het oordeel niet anders, nu in de zaak die daar voorlag het asielrelaas van eiseres (afgezien van de identiteit, nationaliteit en herkomst) niet ten onrechte ongeloofwaardig is geacht.

6.3.

Nu het beroep om de bovengenoemde redenen al gegrond is, zal de rechtbank de rest van wat eiser heeft aangevoerd niet beoordelen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond, omdat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning asiel vanwege een eerdere confrontatie met wandaden. Eiser krijgt dus gelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de bestuurlijke lus toe te passen.

7.1.

De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister zes weken voor het nemen van een nieuw besluit.

7.2.

Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend (1 punt) en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

Voetnoot 2

Dit staat in paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Voetnoot 3

De minister wijst op ECLI:NL:RBDHA:2024:7132, rechtsoverweging 10.1.

Voetnoot 4

Pagina’s 6 en 13 van het nader gehoor van 23 oktober 2025.

Voetnoot 5

Pagina’s 11, 16 en 17 van het nader gehoor van 23 oktober 2025.