Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:8417

Op 3 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.55304, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:8417. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.55304
Datum uitspraak:
3 April 2026
Datum publicatie:
9 April 2026

Indicatie

Asielaanvraag, intrekking Nederlanderschap, buitenschuld niet naar Marokko kunnen vertrekken, 8 EVRM en schrijnendheid, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.55304

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(de minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft evenmin aanleiding hoeven zien om aan eiser een reguliere verblijfsvergunning op humanitaire gronden toe te kennen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2.

Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 en verder staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. In overwegingen 4 en 5 zet de rechtbank eisers asielrelaas en zijn asielmotieven uiteen. Onder 6 bespreekt zij de omvang van het geding. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7.1. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de minister eiser een verblijfsvergunning mocht weigeren. Onder 8.1 en verder bespreekt de rechtbank of de minister mocht weigeren om aan eiser een reguliere verblijfsvergunning vanwege privéleven, humanitaire gronden of vanwege schrijnendheid te verlenen. In overweging 9.1 oordeelt rechtbank over de vraag of de minister opnieuw had moeten ingaan op de vraag of eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Aan het eind onder 10 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Intrekking Nederlanderschap, terugkeerbesluit en zwaar inreisverbod

3. In het voornemen van 10 september 2019 heeft de minister toegelicht dat hij voornemens was om eisers Nederlanderschap in te trekken, aan hem een terugkeerbesluit op te leggen en een inreisverbod van 20 jaar uit te vaardigen. De reden hiervoor is dat eiser met het vonnis van 2 augustus 2018 van de Rechtbank Rotterdam is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren wegens het medeplegen van deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. (Voetnoot 1) Het misdrijf is gepleegd in de periode van 1 november 2015 tot en met 1 februari 2018 in Syrië. Eisers veroordeling is per 16 april 2019 onherroepelijk geworden.

3.1.

Uit het vonnis van de rechtbank Rotterdam volgt dat eiser als verdachte samen met medeverdachten is uitgereisd om zich in Syrië aan te sluiten bij een aan Al-Qaida gelieerde terroristische organisatie. Binnen deze organisatie heeft eiser een periode van ruim twee jaar een ondersteunende – maar voor het functioneren van de organisatie een (wezenlijke) – rol gehad, in ieder geval in de zin van het helpen en verzorgen van gewonde ‘broeders en zusters’. De minister heeft zich gelet op die veroordeling toen op het standpunt gesteld dat over het algemeen geldt dat personen die uitreizen om zich aan te sluiten bij een aangewezen terroristische organisatie, personen zijn die streven naar het actief ondersteunen van groeperingen die zich ter plaatse schuldig maken aan misdrijven en die de intentie en potentie hebben tot het plegen van aanslagen tegen westerse belangen, zowel in de regio als in westerse landen, waaronder ook Nederland. Iedereen die zich bij een dergelijke organisatie aansluit, vormt volgens de minister daarmee een werkelijke en actuele dreiging voor de Nederlandse nationale veiligheid. Dat geldt niet alleen voor personen die actief deelnemen aan een gewapende strijd of persoonlijk betrokken zijn bij misdrijven, maar ook voor mensen die hieraan praktische ondersteuning bieden. Eiser valt binnen de laatste categorie van het bieden van praktische ondersteuning aan personen die actief hebben deelgenomen aan de gewapende strijd. Op basis van de persoonlijke gedragingen van eiser zoals volgt uit de overwegingen van de rechtbank, heeft de minister toentertijd geconcludeerd dat eiser een gevaar vormde voor de openbare orde en de nationale veiligheid.

3.2.

Met het besluit van 17 maart 2020 heeft de minister het Nederlanderschap van eiser ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap omdat eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren vanwege het medeplegen van deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. Met de uitspraak van 31 mei 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), is de intrekking van eisers Nederlanderschap in rechte vast komen te staan.

3.3.

Met het besluit van 17 maart 2020 is de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het verblijfdoel ‘humanitair niet-tijdelijk als oud-Nederlander’ afgewezen. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd en is aan hem een inreisverbod voor de duur van twintig jaar opgelegd. Met de Afdelingsuitspraak van 3 februari 2025 is dit besluit in rechte vast komen te staan.

3.4.

Daarbij komt dat eiser op 8 maart 2024 een aanvraag heeft ingediend voor een verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘Buiten schuld niet uit Nederland kunnen vertrekken’. Deze aanvraag is met het besluit van 12 juni 2024 niet in behandeling genomen omdat eiser de leges voor het in behandeling nemen van deze aanvraag niet had betaald. Eiser heeft hiertegen bezwaar ingediend en op dat bezwaarschrift moet nog worden beslist.

3.5.

Vervolgens heeft eiser op 7 oktober 2025 een aanvraag gedaan voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. In het voornemen van 3 november 2025 heeft de minister in de eerste plaats opgemerkt dat om proceseconomische redenen artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag en het feit dat aan eiser een zwaar inreisverbod is opgelegd omdat hij een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, in de onderhavige procedure niet aan hem worden tegengeworpen. Met het besluit van 5 november 2025 heeft de minister eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Evenmin is aanleiding gezien om aan eiser een reguliere verblijfsvergunning te verlenen.

Het asielrelaas

4. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit, is geboren op [geboortedag] 1988 en behoort tot de Berber bevolkingsgroep. Aan zijn asielaanvraag legt eiser ten grondslag dat hij niet terug kan keren naar Marokko omdat zijn Nederlanderschap is ingetrokken en hij niet aan een Marokkaans paspoort kan komen. Eiser leidt daarom een zwervend bestaan.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst.

De minister acht het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Dit maakt echter niet dat aan eiser een verblijfsvergunning asiel wordt verleend. De minister stelt zich namelijk op het standpunt dat eisers redenen om asiel aan te vragen enkel zijn gebaseerd op zijn verklaring dat hij een zwervend bestaan zou leiden in Nederland. Ook betrekt de minister daarbij dat eiser heeft verklaard dat hij als hij een Marokkaans paspoort krijgt, zal terugkeren naar Marokko. (Voetnoot 2) Zodoende kan het geloofwaardig geachte asielmotief niet worden herleid naar één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Ook is het feit dat eiser afkomstig is uit Marokko op zichzelf niet voldoende om een risico op ernstige schade aan te nemen. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij bij terugkeer naar Marokko in de gevangenis zal belanden, maar deze vrees heeft hij niet aannemelijk gemaakt nu deze enkel is gebaseerd op eisers eigen vermoedens en speculaties.

Inleidende overweging omtrent de omvang van het geding

6. De rechtbank constateert dat de door eiser ingediende beroepsgronden er in essentie steeds op neer komen dat hij buiten zijn eigen schuld niet terug kan naar Marokko en dat hij om die reden een asielvergunning of reguliere vergunning op humanitaire gronden dan wel vanwege schrijnendheid (namelijk artikel 3.6a lid 1, aanhef en onder a, 3.6b of 3.6ba Vb) zou moeten krijgen. Eiser betoogt namelijk dat hij niet terug kan naar Marokko omdat de Marokkaanse autoriteiten aan hem geen reisdocument verstrekken. Doordat eiser niet terug kan naar Marokko verkeert hij in Nederland noodgedwongen in een situatie van morele en materiële deprivatie. Ter onderbouwing dat de Marokkaanse autoriteiten eiser niet terug willen nemen en hij voortdurend niet over een reisdocument beschikt, heeft eiser verschillende bijlages met vertrekgesprekken overlegd.

6.1.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de vraag of eiser inderdaad buiten zijn schuld niet terug kan naar Marokko thuis hoort in de buitenschuldprocedure die nog altijd aanhangig is. Dat eiser zijn leges niet heeft betaald omdat er geen geld is voor een dergelijke procedure en de zaak zich nog in de bezwaarfase bevindt, maakt dit niet anders. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn herhaalde betoog dat de minister hierover in deze asielprocedure een standpunt in moet nemen. Anders dan eiser in zijn gronden stelt, betreft dit alles geen ‘lokettentruc’ van de minister. In de asielprocedure wordt eisers asielmotief beoordeeld en wordt bekeken of hij in Marokko moet vrezen voor vervolging dan wel of hij een reëel risico op ernstige schade loopt. Daarbij toetst de minister ambtshalve of eiser in aanmerking komt voor een reguliere vergunning op grond van art. 8 EVRM of op humanitaire gronden. De vraag of eiser buiten zijn schuld niet terug kan naar Marokko en of hij in aanmerking komt voor de reguliere buitenschuldvergunning is geen onderdeel van deze procedure. De rechtbank zal, met inachtneming van bovenstaande, de door eiser aangevoerde gronden hieronder beoordelen.

Heeft de minister ten onrechte geen aanleiding gezien om aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen?

7. Eiser betoogt dat het voor hem onmogelijk is om aan zijn vertrekplicht naar Marokko te voldoen ondanks het feit dat hij er alles aan heeft gedaan om hier uitvoering aan te geven. Ten onrechte gaat de minister in het bestreden besluit niet inhoudelijk op deze omstandigheden in. De Marokkaanse overheid weigert namelijk om aan eiser een reisdocument te verstrekken overeenkomstig de internationale verplichtingen en convenanten. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de door hem gedane verklaringen op pagina 4-6 van het nader gehoor. Eiser meent dan ook dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Marokkaanse autoriteiten. Ter zitting heeft eiser aanvullend betoogd en verduidelijkt dat hij bij terugkeer naar Marokko niet vreest voor vervolging of voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. De basis van eisers asielaanvraag is erin gelegen dat hij in Nederland in een situatie van ernstige morele en materiële deprivatie verkeert omdat Marokko weigert om hem toe te laten. Deze omstandigheid vormt de basis voor een asielclaim en verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De kwalificatie van de feiten moet door de minister worden gemaakt. Dit is ten onrechte niet gebeurd.

7.1.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. In de eerste plaats stelt eiser zelf dat hij geen gegronde vrees heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Marokko. Dat eiser betoogt dat hij in Nederland in een situatie van ernstige morele en materiële deprivatie verkeert maakt evenmin dat aan eiser een verblijfsvergunning asiel moet worden verleend. De minister stelt zich in dat opzicht terecht op het standpunt dat eisers verklaringen geen raakvlakken hebben met het Vluchtelingenverdrag of met artikel 3 van het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.

Moet aan eiser een reguliere verblijfsvergunning worden verleend op humanitaire gronden of vanwege bescherming van het privéleven (8 EVRM)?

8. Eiser betoogt dat hij, anders dan de minister stelt, inhoudelijk heeft gemotiveerd waarom aan hem een tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning verleend moet worden. De minister miskent dat eiser de feiten naar voren heeft gebracht en dat de minister naar aanleiding van die feiten een beoordeling maakt waarbij wordt bekeken of eiser aanspraak op een verblijfsrecht kan maken. Uit de Afdelingsuitspraak van 27 augustus 2025 (Voetnoot 3) volgt dat de minister nog altijd de discretionaire bevoegdheid heeft om vanwege schrijnende of bijzondere omstandigheden een verblijfsvergunning te verlenen. De minister heeft ten onrechte nagelaten om hieraan te toetsen. Dit terwijl eiser meent dat er bijzondere omstandigheden spelen in het kader van eisers privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM, nu hij immers in een staat van morele en materiële deprivatie verkeert. Eiser heeft duidelijk verklaard dat hij al drie jaar aan zijn lot wordt overgelaten. Het behoort verder tot de verantwoordelijkheid van de minister om door te vragen in het geval onduidelijk is om welke verblijfsvergunning eiser verzoekt. Dit heeft de minister ten onrechte niet gedaan terwijl uit de artikelen 3.6a, 3.6b en 3.6ba van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) volgt wat de grondslagen zijn om aan eiser een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden, op grond van artikel 8 van het EVRM of vanwege schrijnende omstandigheden te verlenen. Eiser verkeert in een staat van vergaande materiële deprivatie nu het strafbaar is om hulp te bieden aan mensen die een inreisverbod hebben gekregen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar zijn verklaringen op pagina 6 van het nader gehoor. De minister gaat ten onrechte niet in op het feit dat de Marokkaanse overheid eiser niet terug te willen nemen en dat daardoor de situatie ontstaat dat eiser zonder opvang verkeert.

8.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de eerste plaats, anders dan eiser betoogt, wel degelijk beoordeeld aan de hand van de verschillende toepasselijke kaders. De minister heeft in deze toetsing echter geen aanleiding hoeven zien om aan eiser een reguliere verblijfsvergunning te verlenen. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet heeft aangegeven op welke grond aan hem een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op één van de gronden genoemd in artikel 3.6a eerste lid en 3.6b van het Vb 2000 zou moeten worden verleend. Het gegeven dat hij als gevolg van de weigering van de Marokkaanse autoriteiten om hem toe te laten, in Nederland in materiële en morele deprivatie verkeert kwalificeert, zoals de minister terecht overweegt, niet als een dergelijke grond. Dat eiser mogelijk buiten zijn schuld om niet naar Marokko kan keren, is binnen de hierboven genoemde kaders niet relevant. De minister mocht daarvoor dan ook verwijzen naar de buitenschuldprocedure.

8.2.

Voor wat betreft de toetsing aan artikel 3.6a, eerste lid en artikel 3.6b van de Vb 2000, meent de rechtbank dat de minister deugdelijk heeft getoetst en gemotiveerd waarom aan eiser op grond van beide artikelen geen reguliere verblijfsvergunning wordt verleend. In artikel 3.6a, eerste lid, van het Vb 2000 staat opgenomen dat bij afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ambtshalve een verblijfsvergunning regulier kan worden verleend als uitzetting van de vreemdeling in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. In artikel 3.6b onder a van het Vb 2000 staat opgenomen dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ambtshalve kan worden verleend vanwege tijdelijke of niet-tijdelijke humanitaire gronden. De minister stelt in de eerste plaats terecht dat al eerder in de procedure ‘niet- tijdelijke humanitaire gronden als oud-Nederland’ is getoetst of eiser op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Dat was toen niet het geval. Met de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2025 staat dit ook in rechte vast. In de onderhavige procedure zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht die een ander licht werpen op eisers privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister hoefde dus geen aanleiding te zien om aan eiser een vergunning te verlenen op grond van artikel 3.6a, eerste lid van het Vb 2000. In de tweede plaats is terecht geen aanleiding gezien om eiser een reguliere vergunning op grond van tijdelijke of niet-tijdelijke humanitaire gronden te verlenen zoals staat opgenomen in artikel 3.6b onder a van het Vb 2000. Dat hulp aan eiser strafbaar is en Nederland hem niet helpt kan niet leiden tot reguliere vergunningverlening op grond van dit artikel. Voor toetsing van de door eiser aangedragen omstandigheden, namelijk het in ieder geval langer dan een half jaar verstoken zijn van opvang en daarmee in een gelijke positie verkeren van mannelijke asielzoekers in België, is binnen artikel 3.6a, eerste lid en 3.6b onder a van het Vb 2000 geen plaats. Bovendien stelt de minister terecht dat geen sprake is van een vergelijkbare situatie. Eiser had tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag namelijk recht op opvang. Dat eiser stelt in een situatie van ernstige materiële deprivatie te verkeren omdat de Marokkaanse overheid al vijf jaar weigert om aan hem een reisdocument te verstrekken, maakt niet dat de minister aan hem een verblijfsvergunning in dit kader moet verlenen.

8.3.

Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich verder terecht op het standpunt dat niet ambtshalve wordt getoetst aan schrijnende omstandigheden als sprake is van een inreisverbod op grond van artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 (zie B11/2.5 Vc). Dat artikel 3 van het EVRM toepassing van deze beleidsregel zou verbieden, zoals eiser betoogt, kan de rechtbank niet inzien, reeds omdat de toets van artikel 3.6ba van het Vb 2000 niet ziet op artikel 3 van het EVRM. Gezien eisers inreisverbod met de Afdelingsuitspraak van 3 februari 2025 in rechte vaststaat, hoefde de minister niet te toetsen of eiser in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning regulier vanwege schrijnende omstandigheden. De beroepsgrond slaagt niet.

Openbare orde en terugkeerbesluit

9. Eiser betoogt dat hij geen gevaar vormt voor de openbare orde. De minister verwijst naar oude besluiten van vijf jaar terug die ex tunc getoetst zijn door de rechtbank en door de Afdeling. Eiser heeft met zijn gedrag laten zien dat hij geen gevaar vormt voor de nationale veiligheid of de openbare orde. Dat de minister stelt dat de procedure met betrekking tot het terugkeerbesluit al is afgehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2025, maakt niet dat er niet gekeken moet worden naar de nieuwe feiten die niet in het kader van de vorige procedures voorlagen. De nieuwe omstandigheid is erin gelegen dat eiser al vijf jaar tevergeefs probeert om te vertrekken en er alles aan heeft gedaan om dit te realiseren.

9.1.

De rechtbank stelt vast dat de minister op pagina 5 van het bestreden besluit heeft opgenomen dat het gevaar voor de openbare orde en de nationale veiligheid, in het kader van de vraag of eiser een verblijfsvergunning asiel of een reguliere verblijfsvergunning moet worden toegekend, niet is tegengeworpen. In dat kader behoeft deze grond dus geen verdere bespreking. Verder staan het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod met de Afdelingsuitspraak van 3 februari 2025 in rechte vast. Hetgeen hieromtrent door eiser is aangevoerd kan daaraan niet afdoen. De grond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Artikel 140a, eerste lid, Wetboek van Strafrecht.

Voetnoot 2

Nader gehoor van 30 oktober 2025, pagina 5.

Voetnoot 3

ABRvS van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4130.