de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De EU (Voetnoot 1) heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. (Voetnoot 2) Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. (Voetnoot 3) In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland op 24 oktober 2025 een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek op 5 november 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
5. Eiser voert allereerst aan dat hij zijn standpunten zoals verwoord in de zienswijze handhaaft. De rechtbank oordeelt dat dit onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
6. Eiser betoogt dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om zijn bezwaren tegen de overdracht aan Zwitserland tijdens een Dublingehoor naar voren te brengen. Eiser heeft de uitnodiging hiervoor niet ontvangen, omdat deze naar de COa (Voetnoot 4)-locatie in Epe is verzonden waar hij op dat moment niet meer verbleef.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit zowel het dossier als de motivering in het bestreden besluit volgt dat uit de systemen van de minister en de desgevraagde bevestiging van het COa is gebleken dat eiser stond geregistreerd op de COa-locatie in Epe op het moment dat de uitnodiging voor het Dublingehoor op 3 oktober 2025 is verzonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze informatie te twijfelen. De niet onderbouwde beroepsgrond dat eiser ten tijde van de verzending van de uitnodiging was overgeplaatst naar Ter Apel, maakt dat niet anders. In aanvulling hierop stelt de rechtbank vast dat eiser ter zitting wisselend heeft geantwoord op de vraag waar hij zich op 3 oktober 2025 bevond. Zo heeft hij aangegeven dat hij in Ter Apel was, in Amsterdam verbleef en dat hij (toch) in Epe was, waar hij stiekem op een andere kamer verbleef. Dat eiser de uitnodiging voor het Dublingehoor niet heeft ontvangen komt dan ook voor zijn rekening en risico. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat eiser de mogelijkheid heeft gehad om door middel van het indienen van een zienswijze zijn bezwaren tegen het voornemen naar voren te brengen. Eiser heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en de rechtbank ziet dan ook geen reden voor het oordeel dat hij in zijn belangen is geschaad.
7. Eiser voert aan dat de minister een standaardvoornemen heeft uitgebracht dat niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Hierbij verwijst hij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 3 juni 2024. (Voetnoot 5) Nu hij niet is gehoord middels een Dublingehoor, heeft de minister zijn bezwaren tegen de Dublinoverdracht ten onrechte niet kenbaar betrokken in het voornemen.
7.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst allereerst naar rechtsoverweging 6.1. waarin al een oordeel is gegeven over de omstandigheid dat eiser niet op een Dublingehoor is gehoord. Over het voornemen oordeelt de rechtbank dat deze voldoet aan de daaraan gestelde vereisten, omdat het de dragende overwegingen bevat. Zo is in het voornemen voldoende duidelijk uiteen gezet op grond van welke redenen Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag en ook waarom er door de minister geen aanleiding wordt gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling te nemen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling (Voetnoot 6) heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat ten aanzien van Zwitserland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. (Voetnoot 7) Dit betekent dat de minister er in beginsel vanuit mag gaan dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Zwitserland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM (Voetnoot 8) en artikel 4 van het Handvest (Voetnoot 9). Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Zwitserland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zwitserse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Zwitserland overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen daarmee. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in het geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. (Voetnoot 10)
8.1.
Eiser is hierin niet geslaagd. De rechtbank stelt voorop dat uit de onder voetnoot 7 aangehaalde uitspraken van de Afdeling volgt dat ervan kan worden uitgegaan dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen nakomt. Het AIDA-rapport (update 2023) van 4 juli 2024 en het meest recente AIDA-rapport (update 2024) van mei 2025 zijn daarbij meegewogen. Door de Afdeling zijn geen latere uitspraken gedaan waarin anders is geoordeeld. Uit de door eiser aangehaalde (deels verouderde) rapporten en het artikel van InfoMigrants komt naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk ander beeld naar voren dan de landeninformatie die de Afdeling bij haar uitspraken heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit niet dat er in Zwitserland sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en dat eiser buiten zijn wil en keuzes terecht kan komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie, zoals bedoeld in het Jawo-arrest van 19 maart 2019. Eiser heeft in dat verband ook niet toegelicht dat de door hem gestelde problemen van toepassing zijn op Dublinclaimanten. De Zwitserse autoriteiten hebben het terugnameverzoek van de minister geaccepteerd en zullen daarmee de asielaanvraag van eiser in behandeling nemen overeenkomstig de internationale verplichtingen en relevante Europese richtlijnen. Van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen wendt tot de (hogere) Zwitserse autoriteiten. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestaat.
Artikel 17 van de Dublinverordening
9. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen.
9.1.
Paragraaf C2/5. van de Vc (Voetnoot 11) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht.
9.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Voor zover eiser betoogt dat de door hem naar voren gebrachte problemen met betrekking tot de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Zwitserland ook moeten worden meegenomen in de motivering of artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, verwijst de rechtbank naar de Afdelingsuitspraak van 25 februari 2025. (Voetnoot 12) Daarin is geoordeeld dat als de minister de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt.
10. Het beroep van eiser op het arrest Tarakhel (Voetnoot 13) slaagt niet. In dit arrest heeft het Hof van Justitie overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, als de vreemdeling aantoont dat hij zonder garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Uit de Afdelingsuitspraak van 3 december 2015 (Voetnoot 14) volgt dat het Tarakhel-arrest ook van toepassing kan zijn op andere personen die bijzonder kwetsbaar zijn als aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdeling van belang kunnen zijn. De bewijslast dat er sprake is van deze bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling. Eiser heeft aangevoerd dat hij psychische klachten heeft en in Zwitserland geen hulp of behandeling heeft gehad. Ook heeft hij geen advocaat toegewezen gekregen, geen tolkvoorziening, geen opvang en heeft hij zich onveilig gevoeld. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat er in het geval van eiser sprake is van bijzondere kwetsbaarheid als bedoeld in het Tarakhel-arrest. Eiser heeft niet met concrete bewijzen aannemelijk gemaakt dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Zwitserland geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag er van worden uitgegaan dat eiser in Zwitserland zal worden toegelaten tot de opvang en dat (noodzakelijke) medische zorg voor hem beschikbaar is. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat er individuele garanties van de Zwitserse autoriteiten zijn vereist voor de overdracht van eiser.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.