Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:8426
Op 9 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.63326, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:8426. De plaats van zitting was Groningen.
Indicatie
Mondelinge uitspraak. Eiser MOB. Beroep is niet-ontvankelijk.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
zaaknummer: NL25.63326
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).
Inleiding
1. Op 19 december 2025 heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
1.2.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Overwegingen
Overwegingen
2. De minister heeft de rechtbank op 6 januari 2026 bericht dat eiser op 1 januari 2026 met onbekende bestemming (mob) is vertrokken. De minister heeft zich daarbij gebaseerd op informatie van het COa (Voetnoot 1).
2.1.
De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank op 3 april 2026 laten weten dat hij het beroep handhaaft nu hij geen verzoek tot intrekking heeft ontvangen. De gemachtigde heeft sinds de mob-melding geen contact meer gehad met eiser, maar heeft aangegeven dat de ervaring leert dat eiser plotseling wel op de zitting kan verschijnen.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet is verschenen op de zitting. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat hij geen contact heeft gehad met eiser. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting toegelicht dat er geen nieuwe informatie is en dat eiser zich niet weer heeft gemeld voor opvang.
2.3.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (Voetnoot 2) blijkt het volgende. (Voetnoot 3) Wanneer een vreemdeling, die een asielaanvraag heeft ingediend met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, kan er in principe vanuit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
2.4.
In dit geval heeft eiser de opvang verlaten, de minister en de gemachtigde niet op de hoogte gesteld van zijn verblijfsplaats en heeft hij ook geen contact meer met zijn gemachtigde. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Het is de rechtbank verder ook niet gebleken van concrete aanknopingspunten om hiervan af te wijken. Daarom is er geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het beroep en is het beroep niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
2.5.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026 door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en gepubliceerd door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Voetnoot
Voetnoot 1
Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
Voetnoot 2
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Voetnoot 3
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662) en 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4049).