RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M. Demirtas),
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De rechtbank merkt daarbij op dat de minister op 6 januari 2026 de overdrachtstermijn in de zaak van eiser heeft verlengd tot één jaar, omdat eiser gevangen was gezet. Ook tegen dat besluit heeft eiser beroep ingesteld (zaak NL26.2223). Dat beroep heeft de rechtbank op 11 maart 2026 samen met deze procedure behandeld. Op dat beroep zal de rechtbank echter nog geen uitspraak doen. Dat wordt aan het einde van deze uitspraak toegelicht.
Procesverloop
Procesverloop
2. Eiser heeft op 3 oktober 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gedaan. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 31 december 2025 niet in behandeling genomen, omdat Slovenië verantwoordelijk is voor aanvraag. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van minister deelgenomen.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Had Nederland een verplichting om vragen te stellen over mogelijk verblijf van langer dan drie maanden buiten het grondgebied van de lidstaten (namelijk in Servië)?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd naar een mogelijk verblijf van eiser van langer dan drie maanden in Servië, waardoor de Sloveense autoriteiten niet volledig zijn geïnformeerd en het besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Hij wijst op zijn tijdens het DISA-gehoor van 3 oktober 2025 (Voetnoot 1) opgegeven reisroute, waaruit volgt dat hij via Servië heeft gereisd, en op het tijdsverloop van ruim 12 maanden tussen zijn vertrek uit Slovenië en aankomst in Nederland. Volgens eiser maakt dit een verblijf van meer dan drie maanden buiten de lidstaten aannemelijk. Ook wijst hij op de aanvankelijke weigering van Slovenië om verantwoordelijkheid te aanvaarden en het verzoek aan Nederland om nadere informatie over de reisroute. Eiser wijst ook op twee volgens hem relevante uitspraken.
4. De minister stelt zich op het standpunt dat hij niet gehouden was om tijdens het gehoor nadere vragen te stellen over een mogelijk verblijf van drie maanden buiten het grondgebied van de lidstaten, omdat eiser hier geen concrete informatie over naar voren had gebracht. Dat heeft eiser ook daarna niet gedaan. Dit betekent volgens de minister dat hij Slovenië juist en volledig heeft geïnformeerd en dat geen sprake is van onzorgvuldige besluitvorming.
5. In artikel 19, tweede lid, van de Dublinverordening is bepaald dat de verplichtingen van een lidstaat om een asielverzoek terug of over te nemen vervallen als de verantwoordelijke lidstaat kan aantonen dat de betrokken asielzoeker het grondgebied van de lidstaten ten minste drie maanden heeft verlaten. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 7 juni 2016 (Karim) (Voetnoot 2) volgt dat dit ook geldt als de vreemdeling zijn verblijf buiten het grondgebied kan bewijzen. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij meer dan drie maanden buiten de Europese Unie heeft verbleven en het is aan de aangezochte lidstaat om daar een beroep op te doen. In voorkomend geval is het aan de minister om hierop door te vragen om meer informatie hierover te verkrijgen, zodat hij de aangezochte lidstaat (in dit geval Slovenië) juist en volledig kan informeren.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens zijn DISA-gehoor negen doorreislanden heeft genoemd, te weten Turkije, Bulgarije, Servië, Bosnië, Kroatië, Slowakije, Italië, Frankrijk en Spanje. Nog daargelaten dat Slovenië ontbreekt (Voetnoot 3), kan daaruit in ieder geval niet worden afgeleid dat eiser na een verblijf in Slovenië zou zijn teruggekeerd naar Servië. Dat heeft eiser ook op geen enkel moment verklaard. Eiser heeft tijdens zijn Dublingehoor juist verklaard dat Slovenië een doorreisland was, zodat ook daarom niet valt in te zien waarom hij van daaruit zou zijn teruggekeerd naar Servië. Er bestond voor de minister dan ook geen reden om hierop door te vragen. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit het bericht van de Sloveense autoriteiten van 19 oktober 2025 blijkt dat eiser ‘arbitrarily’ het land heeft verlaten zodat van een gedwongen uitzetting naar Servië geen sprake is geweest. In de zienswijze en het beroepsschrift heeft eiser weliswaar betoogd dat de minister had moeten doorvragen over een gesteld verblijf in Servië, maar hij heeft ook daarbij niet gesteld dát eiser daar ten minste drie maanden heeft verbleven. Hij heeft ook geen enkel bewijsstuk ter onderbouwing van een verblijf in Servië overgelegd. Verder zit er weliswaar een periode van ruim een jaar tussen eisers vertrek uit Slovenië en zijn melding in Nederland, maar een dergelijk tijdsverloop vormt nog geen aanwijzing voor een verblijf buiten het grondgebied van de lidstaten. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat eiser tijdens zijn DISA-gehoor ook heeft genoemd dat hij door Italië, Frankrijk en Spanje heeft gereisd, zodat het geen vragen hoeft op te roepen dat eiser pas in oktober 2025 in Nederland zou zijn aangekomen. De feiten in deze procedure verschillen daarmee wezenlijk van de door eiser aangehaalde rechtspraak.
5.2.
Dit alles betekent dat de minister niet gehouden was nadere informatie in te winnen over een mogelijk verblijf buiten het grondgebied van de lidstaten en dat hij de Sloveense autoriteiten volledig heeft geïnformeerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister de asielaanvraag onverplicht op zich moeten nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?
6. Eiser betoogt dat de minister niet heeft onderkend dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, die in samenhang gewogen hadden moeten worden, die maken dat overdracht aan Slovenië onevenredig hard is. Hij wijst daarbij op zijn weigering om mee te werken aan terugkeer, het ontbreken van enige binding met Slovenië en de onzekerheid over de behandeling van zijn asielaanvraag, nu Slovenië verantwoordelijkheid heeft aanvaard zonder eerder gevraagde onderbouwing. Daarnaast is van belang dat onduidelijk is waarom hij Slovenië heeft verlaten en welke status hij daar had. Tot slot wijst hij op het tijdsverloop van ruim een jaar, in combinatie met zijn korte verblijf aldaar.
6.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 17 van de Dublinverordening kan een lidstaat onverplicht de behandeling van een asielaanvraag aan zich trekken. Gelet op de ruime beoordelingsvrijheid toetst de rechtbank deze beslissing enigszins terughoudend. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Slovenië onevenredig hard is. De rechtbank stelt voorop dat de minister uiteen heeft gezet dat voor Slovenië uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat Slovenië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Eiser heeft dit niet concreet betwist. De minister heeft ook kenbaar rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden die eiser heeft aangevoerd. Voor wat betreft de omstandigheid dat eiser twijfel heeft over hoe Slovenië de asielaanvraag van eiser zal beoordelen en welke status eiser in Slovenië had ten tijde van vertrek, is van belang dat dit het gevolg is van eisers keuze om dat land te verlaten. Uit de omstandigheid dat Slovenië akkoord is gegaan met eisers terugname volgt ook niet dat dat land hem in strijd met internationale verplichtingen zal behandelen. Zoals hiervoor al overwogen, is Slovenië immers terecht akkoord gegaan met het terugnameverzoek. Verder heeft de minister in de omstandigheden dat eiser niet naar Slovenië terug wil, dat hij daar maar kort heeft verbleven, dat Slovenië voor hem slechts een doorreisland was en dat hij geen sociale binding met het land heeft, niet ten onrechte geen reden gezien om het verzoek aan zich te trekken. Het tijdsverloop vanaf het vertrek van eiser uit Slovenië en het verblijf sindsdien in verschillende andere landen maakt niet dat daar anders over moet worden gedacht. Dit is namelijk het gevolg van de keuze van eiser om niet in Slovenië te blijven, terwijl dat op grond van de Dublinverordening wel het land is dat zijn asielverzoek moet behandelen.
Overige gronden
7. Eiser gaat er in het beroepsschrift op in dat de beschikking van de minister onzorgvuldig voorbereid is en onvoldoende gemotiveerd. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat dit gedeelte van het beroepsschrift moet worden gezien als een conclusie bij de twee hiervoor behandelde beroepsgronden. Deze conclusie behoeft dan ook geen aparte bespreking in deze uitspraak. Ditzelfde geldt voor de opmerking dat eiser al hetgeen hem wordt tegenworpen betwist en volledig bestrijdt en dat hetgeen in de zienswijze naar voren is gebracht integraal in de procedure wordt gehandhaafd. Omdat de minister hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiser deze gronden, anders dan besproken in voormelde rechtsoverwegingen, in beroep niet nader heeft onderbouwd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door eiser beoogde resultaat.
Conclusie en gevolgen
8. Omdat de beroepsgronden van eiser in zaak NL26.791 niet slagen concludeert de rechtbank dat de minister de asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen vergoeding van zijn proceskosten krijgt.
Heropening zaak NL26.2223
9. Zoals eerder al is benoemd heeft de rechtbank ook het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Daarbij kwam in het bijzonder aan de orde de vraag of de minister bevoegd is om de overdrachtstermijn vanwege gevangenzetting van de vreemdeling te verlengen tot het maximum van één jaar (Voetnoot 4), ongeacht de duur of het moment van aanvang van die gevangenzetting. De minister stelde zich ter zitting op het standpunt dat de enkele gevangenzetting volstaat om te verlengen tot het maximum van één jaar. Eiser stelde zich op het standpunt dat een dergelijke standaardverlenging tot één jaar onevenredig is dan wel niet proportioneel. De rechtbank heeft behoefte aan meer informatie over de gang van zaken bij verlenging in geval van gevangenzetting in zijn algemeenheid en in dit concrete geval, mede in het licht van de vragen zoals gesteld in de zaak C-231/21 van het Hof van Justitie (Voetnoot 5), voordat hij tot een oordeel kan komen. De rechtbank heeft dan ook besloten de zaak te heropenen en heeft het voornemen de zaak naar de meervoudige kamer te verwijzen. De rechtbank zal de minister een aantal vragen doen toekomen en verzoeken om schriftelijke reactie (verzoek om inlichtingen). Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G. Noordhof, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.