Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:8541

Op 10 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.18319, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:8541. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.18319
Datum uitspraak:
10 April 2026
Datum publicatie:
10 April 2026

Indicatie

Eerste beroep bewaring – misbruik van bevoegdheid – beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.18319

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. F. Boone),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] , tolk Somali. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1989. Hij heeft op 8 november 2025 een asielaanvraag ingediend. Op 13 februari 2026 heeft verweerder deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat op grond van de Dublinverordening Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is. Verweerder was gelet hierop bevoegd om eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw met het oog op zijn overdracht aan Frankrijk in bewaring te stellen.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:

- 3 a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

- 4 a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de maatregel onrechtmatig is omdat verweerder de bevoegdheid tot inbewaringstelling heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is bedoeld. Daarbij voert hij aan dat verweerder normaal gesproken wacht met het in bewaring stellen van Dublinclaimanten totdat de feitelijke overdracht in beeld komt. Eiser is nog in afwachting van de uitspraak op het beroep tegen het overdrachtsbesluit. Verweerder heeft niettemin aanleiding gezien voor het opleggen van de maatregel omdat eiser zou hebben gezegd dat hij mensen neer gaat schieten. Daarmee wordt volgens eiser het vreemdelingenrecht gebruikt voor strafrechtelijke doeleinden. Eiser betwist bedoelde uitspraken. Hij heeft geen stukken ontvangen van het COA waaruit van de gestelde uitlatingen blijkt. Daarnaast is bekend dat eiser verdovende middelen gebruikt. Als dit leidt tot ongewenst gedrag dan kan eiser worden geplaatst in een HTL, zo stelt hij.

4. In de maatregel heeft verweerder als motivering van de zware grond 3k toegelicht dat eiser niet is verschenen op een door hem opgehaalde uitnodiging voor een vertrekgesprek op 2 maart 2026. Daarnaast heeft eiser over zijn medewerking aan terugkeer naar Frankrijk gesproken met de casemanager van COA. Uit het in de maatregel opgenomen citaat uit het gespreksverslag, met datumvermelding 23 februari 2026, volgt dat eiser daarbij heeft gezegd dat hij niet gaat meewerken omdat hij in zijn rechten wordt geschonden en hij al vijf keer naar Frankrijk is teruggestuurd. “De persoon die hem aan zal raken om hem van zijn kamer te verwijderen, zal het gaan meemaken. Hij zal vechten en een probleem maken, zodat hij naar de gevangenis kan, zegt hij.” Hieruit heeft verweerder terecht afgeleid dat eiser niet meewerkt aan zijn overdracht naar Frankrijk. Dit omvat ook de voorbereiding van de feitelijke overdracht, zoals het voeren van vertrekgespreken waarbij omstandigheden aan de orde kunnen komen die van belang zijn bij de uitvoering van het overdrachtsbesluit. De enkele omstandigheid dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en tot zijn feitelijke overdracht rechtmatig verblijf geniet, laat dan ook onverlet dat de zware grond 3k feitelijk juist is. Ook de overige opgenomen zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht. De omstandigheid dat eiser stelt dat hij steeds in beeld is geweest bij verweerder, laat onverlet dat bij de toelichting op de lichte grond 4a terecht is opgemerkt dat eiser niet beschikt over een document zoals bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en daarmee niet voldoet aan de desbetreffende verplichting uit hoofdstuk 4. Dat zoals eiser stelt de overige opgevoerde zware en lichte gronden algemeen toepasbaar zijn op vreemdelingen, doet niet af aan de feitelijke juistheid van die gronden in dit geval. Verweerder heeft terecht een significant onttrekkingsrisico aangenomen.

5. In de maatregel is verder voldoende toegelicht waarom niet met een lichter middel kan worden volstaan om het risico op onttrekking te ondervangen. Ook hier heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser zich stellig heeft uitgelaten over het niet zullen meewerken aan een overdracht. De omstandigheid dat eiser daarbij heeft aangekondigd zich met geweld te zullen verzetten draagt bij aan de door verweerder gestelde noodzaak van een gecontroleerde en gedwongen overdracht. Ook is er in de maatregel terecht op gewezen dat eiser niet bereid is gebleken om inzicht te geven in eventuele bijzondere individuele omstandigheden die aan de bewaring in de weg zouden kunnen staan.

6. Het voorgaande in aanmerking genomen volgt de rechtbank niet dat in dit geval sprake is van misbruik van de bevoegdheid tot inbewaringstelling.

7. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de bewaring onrechtmatig moet worden geacht.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.