Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:8552

Op 1 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.12428, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:8552. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.12428
Datum uitspraak:
1 April 2026
Datum publicatie:
10 April 2026

Indicatie

Dublin Kroatië – beroep gegrond – bestreden besluit vernietigd – pkv.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.12428

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Jordaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1979. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 4 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Labban als tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. (Voetnoot 1) In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.

Arrest C.K.

5. Eiser doet een beroep op het arrest C.K. (Voetnoot 2). Hiertoe voert hij aan dat zijn medische situatie onverminderd slecht blijft. Ter onderbouwing overlegt hij zijn medisch journaal. Uit de mutatie van 29 januari 2026 volgt dat een direct verband bestaat tussen zijn suïcidepoging en zijn ervaringen in Kroatië. Uit de mutatie van 3 maart 2026 volgt onder andere dat eiser nog herbelevingen ervaart van zijn ervaringen in Kroatië en dat hij hier het liefst ook niet aan denkt. Ook staat in het journaal opgenomen, bovenaan pagina 2, dat verdere traumabehandeling gewenst is op een nieuwe locatie. Eiser is van mening dat sprake is van een situatie als in het arrest C.K. en dat de minister om die reden een BMA-advies had moeten aanvragen.

6. De minister erkent dat sprake is van medische omstandigheden, maar stelt zich op het standpunt dat niet gebleken is dat sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening waarbij overdracht een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat Kroatië vergelijkbare medische verzorgingsmogelijkheden heeft en dat deze ter beschikking aan eiser staan. Verder blijkt uit het medisch journaal van eiser dat het beter met hem gaat en wordt er niet meer gesproken over traumabehandeling. Uit de stukken is niet gebleken dat eiser momenteel onder specialistische behandeling staat of dat Nederland het meest geschikte land is voor behandeling. De minister verwijst hierbij naar de Afdelingsuitspraak van 30 oktober 2020 (Voetnoot 3). De minister is dan ook van mening dat hij niet gehouden was een BMA-advies aan te vragen.

7. Uit het arrest C.K. volgt dat, ook als van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, overdracht in het kader van de Dublinverordening op zichzelf een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest kan opleveren. Dit kan met name voorkomen als de overdracht van een vreemdeling met bijzonder ernstige psychische of lichamelijke problemen een ernstige verslechtering van zijn of haar gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben, zodat er een situatie ontstaat zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Of dit zo is, moet worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die vreemdeling. Als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn of haar gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zou kunnen leiden, moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten, de gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van het Handvest als gevolg van de overdracht zelf wegnemen (Voetnoot 4).

8. De rechtbank overweegt allereerst dat uit de brief van het ziekenhuis [locatie] van 28 januari 2026 is gebleken dat eiser op 27 januari 2026 de spoedeisende hulp heeft bezocht omdat sprake was van een intoxicatie van 15 pregabaline pillen, mogelijk in combinatie met alcohol. Ook blijkt uit deze brief dat het nieuws van eerder die dag, dat eiser geen verblijfsvergunning zou krijgen, mogelijk de reden van deze suïcidepoging is geweest. De brief heeft eiser op 2 februari 2026 aan de minister overgelegd en daarbij verzocht om een BMA-advies.

9. Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit sprake van een motiveringsgebrek ten aanzien van eisers medische omstandigheden. De minister had bij het nemen van het bestreden besluit op 4 maart 2026 kennis van de documentatie van de spoedopname van eiser op 27 januari 2026. Uit het medisch journaal volgt dat de medische omstandigheden van eiser zich nog steeds voordoen. Eiser ziet nog regelmatig de medische dienst, gebruikt nog steeds medicatie voor post-traumatische stressstoornis en heeft gedachten aan de dood. Dat eiser op de afspraak van 3 maart 2026 iets beter oogt en dat hij aangeeft dat het naar omstandigheden met medicatie oké met hem gaat, is onvoldoende om gewijzigde medische omstandigheden aan te nemen. Zeker nu uit het medisch journaal van diezelfde datum blijkt dat wordt aangeraden om eiser in aanmerking te laten komen voor traumatherapie. Het standpunt van de minister dat deze therapie ook voorhanden is in Kroatië, is niet relevant nu de stelling van eiser is dat zijn psychische problemen te relateren zijn aan de overdracht en dat die overdracht een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben en hij dit heeft onderbouwd. Eiser heeft hierbij verwezen naar het medisch journaal waaruit blijkt dat hij zijn ervaringen in Kroatië benoemt als oorzaak van zijn medische problemen. Gelet op het vorenstaande en de suïcidepoging op 27 januari 2026, is de rechtbank van oordeel dat zonder een advies van medisch deskundigen, te verstaan een BMA-advies, geen oordeel gegeven kan worden op de vraag of overdracht een reëel en bewezen risico zou inhouden op een aanzienlijke onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand. Met het BMA-advies kan worden beoordeeld of sprake is van een situatie als in het arrest C.K. De door de minister genoemde uitspraak van de Afdeling en de in het bestreden besluit genoemde uitspraken betreffen situaties die niet met het geval van eiser vergelijkbaar zijn, omdat eiser in dit geval de stelling dat zijn gezondheidstoestand te relateren is aan de overdracht, heeft onderbouwd.

De overige beroepsgronden

10. De rechtbank geeft geen oordeel over de overige beroepsgronden. Eiser voert ook beroepsgronden aan ten aanzien van zijn ervaringen in Kroatië en zijn bijzondere kwetsbaarheid. Deze beroepsgronden kunnen zo nodig alsnog aan de orde worden gesteld als een BMA-advies voorhanden is.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvraag, met inachtneming van deze uitspraak.

12. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 4 maart 2026;

- draagt de minister op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868, - aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

1 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Arrest van het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C: 2017:127).

Voetnoot 3

ECLI:NL:RVS:2020:2580.

Voetnoot 4

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3297.