Procesverloop
Procesverloop
Bij besluit van 2 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 17 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven en eiser overgedragen aan Duitsland.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 20 maart 2026 de
gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 26 maart 2026 een verweerschrift
ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 27 maart 2026.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden.
4. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
5. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn overdracht. Uit de maatregel van bewaring volgt dat eiser eerder, op 11 februari 2026, aan Duitsland is overgedragen. Hierop gelet is het disproportioneel om hem opnieuw hetzelfde overdrachtstraject te laten doorlopen. Voorafgaand aan de overdracht op 11 februari 2026 zat eiser in bewaring vanaf 8 januari 2026, hierdoor had van de minister verwacht mogen worden dat de huidige overdracht aanzienlijk sneller zou plaatsvinden.
6. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de overdracht van eiser. Op 2 maart 2026 is eiser met het bestreden besluit in bewaring besteld. De minister heeft op 3 maart 2026 een claimverzoek aan de Duitse autoriteiten gezonden, waarop op 6 maart 2026 een akkoord is ontvangen. Op 4 maart 2026 is geprobeerd een vertrekgesprek met eiser te voeren, eiser weigerde echter te verschijnen. Op 10 maart 2026 heeft wel een vertrekgesprek plaatsgevonden met eiser waarin hij op de hoogte werd gesteld van de geplande overdracht aan Duitsland op 17 maart 2026. Op 17 maart 2026 is eiser overgedragen aan de Duitse autoriteiten en is de maatregel van bewaring opgeheven. Deze handelingen acht de rechtbank voldoende voor het oordeel dat de minister voortvarend heeft gewerkt aan de overdracht van eiser. De rechtbank verwijst hierbij nog naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:777), r.o. 7.2-7.2.2. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Voor zover eiser in beroep stelt dat niet duidelijk of eiser daadwerkelijk is uitgezet, is de rechtbank van oordeel dat dit voldoende blijkt uit het model M113 van 18 maart 2026, waarin is vermeld dat de aan eiser op 2 maart 2026 opgelegde maatregel met ingang van 17 maart 2026 is opgeheven ter fine van uitzetting. Deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de
rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het
onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.