Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:8570

Op 3 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.12667 NL26.12679, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:8570. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.12667 NL26.12679
Datum uitspraak:
3 April 2026
Datum publicatie:
10 April 2026

Indicatie

Dublin België. Beroepen niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.12667 en NL26.12679

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] en [eiseres], V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] ,

mede namens hun minderjarige zoon [minderjarige], V-nummer: [V-nummer] , eisers

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A. Sloots).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 6 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvragen.

1.1.

De rechtbank heeft de beroepen op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eisers en hun gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de bestreden besluiten niet inhoudelijk zal beoordelen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van de besluiten

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. (Voetnoot 1) In dit geval heeft Nederland bij België verzoeken om terugname gedaan. België heeft deze verzoeken aanvaard.

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat uit de brief van 20 februari 2026 van de Dublin Unit België volgt dat eisers zich op 9 januari 2026, 14 januari 2026 en 29 januari 2026 hebben gemeld bij de Belgische autoriteiten. Eisers hebben op 9 januari 2026 een verzoek om internationale bescherming in België ingediend. Verder volgt uit deze brief en het aanvullend onderzoek van 16 februari 2026 dat de aanvragen van eisers zijn opgenomen in de nationale procedure van België.

6. De rechtbank oordeelt als volgt. Eisers hebben op 9 januari 2026 om internationale bescherming verzocht in België, terwijl er in de Nederlandse procedure nog geen beslissing was genomen op hun aanvragen. Gelet hierop mag er in beginsel vanuit worden gegaan dat eisers kennelijk geen prijs meer stellen op de door hun in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Zij zijn immers vertrokken zonder de beslissing op hun verzoeken om internationale bescherming af te wachten. Eisers hebben het vertrek naar België ook niet gemeld bij de Nederlandse autoriteiten. De minister heeft dit moeten vernemen van de Belgische autoriteiten.

7. De door eisers genoemde omstandigheden houden verband met overdracht naar Litouwen en hebben hen er voorts niet van weerhouden om te vertrekken naar België om zich daar te melden voor internationale bescherming. Niet blijkt van omstandigheden op grond waarvan een procesbelang voor het in behandeling nemen van het beroep moet worden aangenomen. Dat de minister onderzoek had moeten doen naar het vertrek van eisers naar België en hun situatie aldaar, kan de rechtbank niet volgen, nu eisers niets hebben aangevoerd wat aanleiding had moeten vormen tot het doen van onderzoek. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen procesbelang is bij een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten. Daarom zijn de beroepen niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

9. De beroepen zijn niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaken dus niet inhoudelijk. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

3 april 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.