[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Heida),
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S. Bulakbasar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 17 oktober 2025 de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Vertrek met onbekende bestemming
2. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van uit worden gegaan dat hij geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Op basis van een melding dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken (‘mob-melding’) mag het beroep dus in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt. In dat geval wordt in beginsel aangenomen dat hij nog wel prijs stelt op bescherming in Nederland. Het voorgaande volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
3. Verweerder heeft op 10 november 2025 een systeemuitdraai overlegd, waaruit blijkt dat eiser op 28 oktober 2025 door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) is geregistreerd als zijnde ‘met onbekende bestemming vertrokken’. De rechtbank heeft op 10 november 2025 aan de gemachtigde van eiser verzocht om aan te geven of zij nog contact onderhoudt met eiser. Daarop heeft de gemachtigde van eiser op 17 november 2025 te kennen gegeven dat zij geen contact meer heeft kunnen krijgen met eiser.
4. Nu eiser is vertrokken uit de opvang van het COa en de gemachtigde van eiser geen contact meer heeft met eiser, moet ervan worden uitgegaan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk in Nederland gezochte bescherming. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 17 oktober 2025.
5. De gemachtigde van eiser wijst in haar reactie van 17 november 2025 ook op de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 24 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19486. Volgens de gemachtigde volgt daaruit dat, ook als eiser MOB is vertrokken, door verweerder moet worden beoordeeld of een terugkeerbesluit kan worden opgelegd en of dit terugkeerbesluit verenigbaar is met het in artikel 5 van richtlijn 2008/115 neergelegde beginsel van non-refoulement. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De vraag of een vreemdeling nog een reëel en actueel belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep gaat vooraf aan de inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit. Hiervoor is al vastgesteld dat eiser zonder bericht met onbekende bestemming is vertrokken en dat er nadien niets meer van hem is vernomen, ook niet door zijn gemachtigde die geen contact meer met hem onderhoud. Hieruit mag worden afgeleid dat eiser geen prijs meer stelt op beoordeling van zijn beroep. Dat het bestreden besluit ook een terugkeerbesluit behelst maakt dit op zichzelf niet anders. Het is denkbaar dat anders moet worden geoordeeld over het procesbelang als er concrete aanknopingspunten zijn dat eiser bij terugkeer daadwerkelijk risico loopt op schending van het beginsel van non-refoulement. Maar de gemachtigde van eiser heeft niets gesteld dat daarop zou kunnen wijzen en eiser zelf heeft in het gehoor gesteld dat hij bij terugkeer naar Algerije niet te vrezen heeft en dat hij ook eerder geen persoonlijke problemen heeft ondervonden.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.