Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:9591
Op 11 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.64036, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:9591. De plaats van zitting was Rotterdam.
Indicatie
Dublin, verlenging overdrachtstermijn, gevangengezet, ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Boone),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar)
Procesverloop
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 29 december 2025 (het bestreden besluit), waarbij verweerder de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) heeft verlengd vanwege gevangenzetting.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Overwegingen
1.1.
Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2005.
1.2.
Eiser heeft op 21 november 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Nederland
heeft de Duitse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18 van de Dublinverordening. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 11 december 2025 geaccepteerd. Bij besluit van 24 december 2025 heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.
1.3.
Bij het bestreden besluit van 29 december 2025 heeft verweerder de
overdrachtstermijn verlengd tot een jaar. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiser gevangen is gezet.
2. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte de overdrachtstermijn heeft verlengd. Daartoe voert hij in de eerste plaats aan dat de verlenging niet kon plaatsvinden omdat op dat moment de overdrachtstermijn, wegens het uitblijven van een claimakkoord, nog niet was aangevangen. In de tweede plaats voert eiser aan dat verweerder geen inzicht heeft gegeven in de duur van de strafrechtelijke detentie van eiser en dat indien het gaat om een kortdurende detentie, de overdracht gewoon binnen de reguliere termijn van zes maanden plaats zou kunnen vinden. Het besluit is daarom prematuur genomen en volgens eiser in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het verbod op misbruik van bevoegdheid.
Het oordeel van de rechtbank
Aanvang van de overdrachtstermijn
3. Op grond van artikel 29, eerste lid van de Dublinverordening vangt de overdrachtstermijn van zes maanden aan vanaf het moment waarop de lidstaat het verzoek tot over- of terugname heeft aanvaard. In dit geval hebben de Duitse autoriteiten op 11 december 2025 het terugnameverzoek van de Nederlandse autoriteiten aanvaard. De overdrachtstermijn van zes maanden is dus vanaf dat moment ingegaan. Het standpunt van eiser dat de overdrachtstermijn op 29 december 2025 nog niet was aangevangen omdat Duitsland nog akkoord diende te gaan met terugname en van een verlenging van de termijn daarom geen sprake kon zijn, volgt de rechtbank dus niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Verlenging van de overdrachtstermijn
4.1.
Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat als de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de vreemdeling over te nemen of terug te nemen komt te vervallen. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van die vreemdeling gaat dan over op de verzoekende lidstaat. De termijn van overdracht van de vreemdeling kan tot maximaal één jaar worden verlengd als de overdracht wegens gevangenzetting van de vreemdeling niet kon worden uitgevoerd.
4.2.
Niet in geschil is dat eiser ten tijde van het bestreden besluit gevangengezet was. Op de zitting heeft verweerder nader toegelicht dat eiser sinds 29 december 2025 strafrechtelijk gedetineerd was voor de duur van (aanvankelijk) zestig dagen en dat eiser ten tijde van de zitting nog steeds in strafrechtelijke detentie zat. Sinds 29 januari 2026 verblijft eiser in PI Ter Apel.
4.3.
De rechtbank overweegt dat nu op 29 december 2025 de overdracht van eiser wegens de gevangenzetting niet kon worden uitgevoerd, verweerder op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening bevoegd was de overdrachtstermijn te verlengen tot maximaal een jaar. Dat eiser mogelijk na afloop van de strafrechtelijke detentie nog binnen de reguliere termijn van zes maanden overgedragen had kunnen worden, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder geen verlengingsbesluit had mogen nemen. Voldoende voor verlenging van de overdrachtstermijn is dat eiser op 29 december 2025 in strafrechtelijke detentie zat. Door de gevangenzetting was eiser op dat moment immers niet beschikbaar voor een overdracht, waardoor het voor de Nederlandse autoriteiten materieel onmogelijk was om de overdracht van eiser uit te voeren. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.