Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:9599

Op 21 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.19517, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:9599. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.19517
Datum uitspraak:
21 April 2026
Datum publicatie:
21 April 2026

Indicatie

Eerste beroep bewaring – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.19517

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (Voetnoot 1) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1990 en de Burkinese nationaliteit te hebben.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden (Voetnoot 2) vermeld dat eiser:

- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; - 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; - 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; - 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden (Voetnoot 3) vermeld dat eiser:

- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; - 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. Eiser betwist alle zware gronden en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Eiser is met een door de Belgische autoriteiten, op verzoek van Nederland, verstrekt visum en geldig paspoort Nederland ingereisd, zodat de zware gronden 3a en 3b niet aan hem kunnen worden tegengeworpen. Vanwege dit visum bestond er voor eiser geen noodzaak om zich te melden. Ook de zware gronden 3c en 3i zijn niet van toepassing op eiser. Hij heeft immers hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 maart 2026 (Voetnoot 4) waarbij het beroep, gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielaanvraag, ongegrond is verklaard en hij heeft de Afdeling (Voetnoot 5) verzocht om hangende dit beroep een voorlopige voorziening te treffen, zodat eiser het hoger beroep in Nederland mag afwachten. Eiser kan niet terugkeren naar Burkina Faso omdat hij daar te vrezen heeft voor vervolging. Verder heeft eiser, onder verwijzing naar de medische verklaring van FSD GGZ van 1 april 2026 en met een beroep op het Adrar-arrest (Voetnoot 6), betoogd dat de uitzetting van eiser naar Burkina Faso in strijd is met artikel 3 van het EVRM (Voetnoot 7). Tot slot is eiser van mening dat verweerder, vanwege zijn medische situatie, had moeten volstaan met een lichter middel.

4. Verweerder heeft ter zitting aangegeven alle zware gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd te handhaven. Eiser is met een Belgisch visum Europa binnengekomen, maar mocht daarmee niet Nederland inreizen. Hij heeft ook geen paspoort overgelegd zodat de geldigheid van dit visum niet is te checken door verweerder. Verder was het visum geldig tot 24 mei 2019 en heeft eiser eerst op 27 februari 2021 asiel aangevraagd. Eiser heeft zich daarmee maandenlang aan het toezicht onttrokken. Voorts heeft eiser inmiddels twee afwijzende asielbeschikkingen ontvangen, waarin hem is meegedeeld dat hij Nederland moet verlaten. Het door eiser ingestelde hoger beroep heeft geen schorsende werking en eiser heeft meermaals te kennen gegeven niet terug te willen keren naar Burkina Faso. Ook de lichte gronden zijn volgens verweerder allemaal van toepassing, waarvoor naar de motivering in de maatregel wordt verwezen. Aan artikel 3 van het EVRM is voldoende aandacht besteed bij het opleggen van de maatregel. In het kader van de asielprocedure van eiser heeft recent een toets hierop plaatsgevonden en er hebben zich in de korte tijd tussen de laatste uitspraak van de rechtbank en nu geen nieuwe feiten en omstandigheden voorgedaan. Over zijn medische omstandigheden heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet verklaard en voor zover hij meent dat die omstandigheden een beletsel vormen voor zijn uitzetting kan hij een artikel 64 van de Vw-aanvraag daartoe indienen. Dan kan het Bureau Medische Advisering zich hier eventueel over uitlaten. Een lichter middel volstaat niet volgens verweerder. Dat eiser zorg nodig heeft die in het detentiecentrum niet kan worden verleend is ontoereikend onderbouwd en eiser heeft meermaals aangegeven niet terug te willen keren naar zijn land van herkomst.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. De rechtbank is van oordeel dat in ieder geval de zware gronden 3b, 3c en 3i feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht. Voor zover eiser gevolgd kan worden in zijn stelling dat de Nederlandse autoriteiten hem via de Belgische autoriteiten in Burkina Faso een visum hebben verstrekt en hij met dit visum en een geldig paspoort naar Nederland is gekomen, dan heeft eiser zich na afloop van dit visum gedurende de periode vanaf zijn inreis in Nederland in juli 2020 tot eind februari 2021 aan het toezicht onttrokken. Ook is eiser inmiddels twee keer meegedeeld dat hij Nederland uit eigen beweging dient te verlaten en heeft hij daar tot op heden geen gevolg aan gegeven, heeft zijn onlangs ingestelde hoger beroep geen schorsende werking nu het verzoek om een voorlopige voorziening (nog) niet is toegewezen en heeft hij meermaals meegedeeld niet te willen terugkeren naar Burkina Faso. Dit is ook de reden geweest dat eiser tot twee keer toe zijn inschrijving bij het IOM heeft ingetrokken. Deze gronden zijn terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd, kunnen deze gronden de maatregel dragen en kan uit die gronden worden afgeleid dat er een onttrekkingsrisico is.

6. In de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 maart 2026 heeft een recente beoordeling plaatsgevonden van het risico op ernstige schade bij terugkeer naar Burkina Faso, waarbij is overwogen dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. In deze procedure heeft eiser geen melding gemaakt van ernstige medische problemen die aanleiding zouden geven voor een artikel 3 EVRM risico bij terugkeer. Voor zover eiser dat nu wel betoogt, is de rechtbank van oordeel dat uit de medische verklaring niet blijkt dat eiser de benodigde behandeling niet in Burkina Faso kan ondergaan. Er zijn daarmee geen aanwijzingen om te vermoeden dat eiser bij terugkeer naar Burkina Faso een risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM. Voor wat betreft het reizen heeft verweerder zich op zitting terecht op het standpunt gesteld dat eiser een aanvraag kan doen om uitstel van vertrek. (Voetnoot 8)

7. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft hoeven volstaan met een lichter middel. Het onttrekkingsrisico volgt uit de gronden van bewaring en deze gronden zijn gelet op wat onder 5 is geoordeeld voldoende. Daardoor heeft verweerder terecht gesteld dat geen lichter middel kon worden toegepast. Dit heeft verweerder in de maatregel van bewaring ook voldoende gemotiveerd. Daarbij is verweerder ook ingegaan op de door eiser aangedragen medische omstandigheden in het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling en heeft verweerder erop gewezen dat in het detentiecentrum medische faciliteiten aanwezig zijn. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat deze faciliteiten voor hem ontoereikend zouden zijn.

8. De beroepsgronden slagen niet.

9. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel onrechtmatig aan eiser is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 21 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Op grond van artikel 5.1b, eerste, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).

Voetnoot 3

Op grond van artikel 5.1b, eerste, vierde lid, van het Vb.

Voetnoot 4

ECLI:NL:RBDHA:2026:6581.

Voetnoot 5

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoot 6

Arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025 in de zaak Adrar, GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647.

Voetnoot 7

Europees verdrag inzake de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

Voetnoot 8

Op grond van artikel 64 van de Vw.