Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:9668

Op 20 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL24.9872, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:9668. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL24.9872
Datum uitspraak:
20 April 2026
Datum publicatie:
22 April 2026

Indicatie

terugkeerbesluit; derdelander Oekraïne; ongegrond; PKV toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.9872

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).

Inleiding

In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.

Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] . Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).

Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 18 augustus 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren.

Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1999 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit.

2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.

3. In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. (Voetnoot 1) In het vervangende besluit van 18 augustus 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiser binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten.

4. Eiser voert aan dat, gelet op het arrest [naam 1] en [naam 2] van het HvJEU en de daaropvolgende Afdelingsjurisprudentie, niet langer in geschil is dat verweerder bevoegd was de tijdelijke bescherming te beëindigen. Volgens eiser is echter wel het terugkeerbesluit ten onrechte opgelegd door verweerder. Eiser heeft een verblijfsaanvraag lopen in Portugal en verblijft daarom niet illegaal op het grondgebied van de EU. Verweerder had daarom kunnen en moeten volstaan met een bevel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn). Verder voert eiser aan dat verweerder per e-mail van 20 augustus 2025 op de hoogte is gesteld van de procedure in Portugal. Verweerder had, nadat hij van zijn aanvraag kennis had genomen, aanleiding moeten zien het terugkeerbesluit in te trekken.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het besluit van 18 augustus 2025 rechtmatig is en dat aan eiser terecht een terugkeerbesluit is opgelegd. Volgens verweerder staat de door eiser gestelde verblijfsaanvraag in Portugal daaraan niet in de weg. Van het opleggen van een terugkeerbesluit wordt slechts afgezien indien sprake is van een geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Eiser heeft niet aangetoond dat daarvan sprake is. De overgelegde stukken tonen slecht aan dat eiser een aanvraag heeft ingediend. Voor zover eiser hangende die aanvraag in Portugal mag verblijven, is volgens verweerder hooguit sprake van een procedurele gedoogsituatie, die niet gelijk kan worden gesteld met rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Niet langer is in geschil dat verweerder bevoegd was de tijdelijke bescherming van eiser te beëindigen. In deze procedure ligt uitsluitend ter beoordeling of verweerder terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd, gelet op de door eiser gestelde verblijfsprocedure in Portugal.

7. Als een vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, wordt op grond van artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die lidstaat te begeven. Deze bepaling vormt de implementatie van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Daarvoor is dus vereist dat daadwerkelijk sprake is van een door een andere lidstaat verleend verblijfsrecht of een daarmee gelijk te stellen toestemming tot verblijf.

8. Uit de door eiser overgelegde mailwisseling van 20 augustus 2025 blijkt dat op 15 augustus 2025 biometrische gegeven van eiser zijn afgenomen en een documentcontrole heeft plaatsgevonden in het kader van een door hem in Portugal ingediende aanvraag. Uit die mailwisseling volgt verder dat eiser een verblijfsvergunning thuis zal ontvangen indien zijn aanvraag aan de voorwaarde voor goedkeuring voldoet en dat hij zal worden benaderd als aanvullende stappen nodig zijn. Uit deze stukken blijkt niet dat de Portugese autoriteiten reeds positief op de aanvraag hebben beslist of dat aan eiser een verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf is verleend. De overgelegde mailwisseling toont slechts aan dat een aanvraag in behandeling is genomen.

9. Voor zover eiser stelt hangende die aanvraag dat hij feitelijk in Portugal mocht verblijven, geldt bovendien dat een dergelijk procedureel verblijf naar haar aard tijdelijk en onzeker is en niet zonder meer kan worden gelijkgesteld met een verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Gelet op het voorgaande bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat verweerder had moeten volstaan met een bevel als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.

10. Met het vervangende terugkeerbesluit van 18 augustus 2025 is aan eiser, vier weken na afloop van de bevriezingsmaatregel op 4 september 2025, een terugkeerplicht naar Ghana opgelegd. Gelet op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij op dat moment beschikte over een door een andere lidstaat afgegeven verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Daarmee voldoet het vervangende besluit aan de vereisten van de Terugkeerrichtlijn.

11. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het vervangende besluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak [naam 3] .

12. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het vervangende terugkeerbesluit blijft in stand.

13. Omdat het oorspronkelijke besluit gelet op het arrest [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken een gebrek bevatte, is het beroep in zoverre terecht ingediend en bestaat er aanleiding om verweerder de veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

? verklaart het beroep ongegrond;

? veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ter hoogte van € 934 (negenhonderdvierendertig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 20 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

https://ind.nl/nl/nieuws/bevriezingsmaatregel-derdelanders-oekraine-stopt-op-4-september-2025