RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J. Kennis).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens de minister kan eiser, die zijn hele leven buiten Jemen heeft gewoond, terugkeren naar de provincie Hadramaut in Jemen. Eiser is het niet eens met dit besluit.
1.1.
De rechtbank heeft deze zaak meervoudig behandeld omdat eiser de Jemenitische nationaliteit heeft maar nooit in Jemen heeft verbleven. De rechtbank gaat in op de vraag hoe de minister in zo’n geval moet beoordelen of bij terugkeer naar Jemen een reëel risico bestaat op ernstige schade door willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (15c-situatie).
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de beoordeling of sprake is van een 15c-situatie op juiste wijze heeft verricht. Hij heeft terecht de situatie beoordeeld in de provincie Hadramaut in Jemen en heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat daar zowel ten tijde van het besluit als in beroep geen sprake is (geweest) van willekeurig geweld, als bedoeld in die bepaling. Toch acht de rechtbank het beroep gegrond: de minister heeft namelijk geen juiste geloofwaardigheidsbeoordeling verricht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.3.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat het asielrelaas en onder 4 het standpunt van de minister. De beoordeling van de rechtbank volgt vanaf 5. De rechtbank bespreekt eerst of eiser risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld: daarbij zal ingegaan worden op de vraag of de minister in zijn beleid een volledige beoordeling heeft verricht (7), de minister een binnenlands beschermingsalternatief heeft tegengeworpen (8), hoe de minister in een situatie dat een betrokkene nooit in het land van herkomst heeft verbleven de 15c-beoordeling moet verrichten (9) en of in de provincie Hadramaut sprake is van een 15c-situatie (10). Onder 11 gaat de rechtbank in op de vraag of eiser een individueel risico loopt om slachtoffer te worden van op hem gericht geweld. Onder 12 gaat de rechtbank in op de mededeling van de minister, na sluiting van het onderzoek op zitting, dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank op het beroep en de gevolgen daarvan (13).
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij is op [geboortedag] 1992 geboren in Egypte en woont vanaf eenjarige leeftijd in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). Omdat hij vanaf 2022 geen werk meer had in de VAE en hij niet kon terugkeren naar Jemen is hij in 2022 naar Europa vertrokken. Hij legt het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag. In 2017 heeft eisers vader op een bruiloft in Jemen, toen tijdens het feesten in de lucht werd geschoten, per ongeluk iemand geraakt. Het slachtoffer, een lid van de [naam familie]-familie, is als gevolg daarvan overleden. Zijn vader is vervolgens halsoverkop uit Jemen gevlucht. Volgens eiser zint de familie van de overleden persoon op wraak, waardoor hij nergens in Jemen veilig is. De angst voor die familie is volgens eiser reëel want zijn broer heeft tijdens een verblijf van een week in Jemen in januari 2022 ernstige problemen ondervonden met deze familie. Een ander probleem is dat eiser tussen 2018 en 2022, namens zijn werkgever in de VAE, aanzienlijke geldbedragen heeft overgemaakt naar een filiaal in Jemen. Omdat de VAE de Zuidelijke Overgangsraad (STC) – tegenstanders van andere machthebbers in Jemen – steunt, vreest eiser dat hij ook om die reden bij terugkeer naar Jemen problemen zal ondervinden.
4. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Eiser loopt op grond van de algemene veiligheidssituatie in Jemen geen reëel risico op ernstige schade. In de provincie Hadramaut, waar zijn familie woont, is volgens het toepasselijke beleid geen sprake van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. De door eiser gestelde bloedwraak vanwege de problemen van zijn vader acht de minister niet geloofwaardig, evenals de problemen vanwege geldtransacties, zodat hij daarom ook geen gevaar loopt bij terugkeer naar Jemen.
5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij bij terugkeer een risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld in Jemen. Eiser heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd die de rechtbank hieronder zal bespreken. Voorafgaand daaraan zal de rechtbank het toepasselijke beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.
Beleid minister en relevante rechtspraak
6. Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. (Voetnoot 1) In WBV 2024/9 (Voetnoot 2) heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y (Voetnoot 3), bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.
6.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is in de uitspraken van 16 juli 2025 (Voetnoot 4) ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden globaal in zijn beoordeling betrokken. Op het moment van deze Afdelingsuitspraken was het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Jemen van april 2025 (ambtsbericht) al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van dit ambtsbericht.
6.2.
In de brief van 8 oktober 2025 (Voetnoot 5) heeft de minister naar aanleiding van het ambtsbericht en voormelde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, de voorgenomen wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. Daarna is met WBV 2025/20 (Voetnoot 6) het landenbeleid gewijzigd. In dat beleid is voor de provincie Hadramaut aangenomen dat geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Dit beleid ligt ten grondslag aan het bestreden besluit.
Is de beoordeling van de veiligheidssituatie volledig?
7. Eiser betoogt dat het huidige landenbeleid niet volledig is. Hij verwijst hiertoe naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025. (Voetnoot 7)
7.1.
De rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, volgens zijn beleid in paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) in ieder geval de volgende elementen (Voetnoot 8) in samenhang weegt:
• of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;
• of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;
• of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;
• of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;
• de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;
• de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.
7.2.
De Afdeling heeft in de eerdergenoemde uitspraken van 16 juli 2025 geoordeeld dat de minister in het toenmalige landgebonden beleid voor Jemen niet deugdelijk had gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De Afdeling heeft de minister toen opgedragen om in een nieuwe beoordeling, en dit alles tegen de achtergrond van de daadwerkelijke bestemming of het woongebied van een betrokkene, de volgende aspecten kenbaar te betrekken:
(1) slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;
(2) de recente confrontaties;
(3) het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en
(4) de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante omstandigheden, als genoemd in paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc 2000 en de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, in de beoordeling heeft betrokken. In de brief van 8 oktober 2025 heeft de minister gewezen op één van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Uit de in de brief genoemde ‘bijlage 15c-beoordeling’ blijkt dat de minister bij de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld de hiervoor onder 7.1. genoemde elementen heeft betrokken. Verder is in de brief per provincie vermeld welke gradatie van willekeurig geweld is aangenomen en de motivering daarvan blijkt uit de ‘bijlage 15c-beoordeling’. In de bijlage is ook ingegaan op de slachtoffers van geplaatste mijnen en explosieve oorlogsresten (Voetnoot 9), de meest recente confrontaties in de Rode Zee (Voetnoot 10) en de aantallen ontheemden. (Voetnoot 11) Verder is in de brief (Voetnoot 12) en de daaraan ten grondslag liggende bijlagen (Voetnoot 13) ingegaan op de humanitaire situatie in Jemen, waarbij ook de humanitaire omstandigheden zijn betrokken die het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van de strijdende partijen. Deze beoordeling is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser betoogt, volledig en komt tegemoet aan de opdracht van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. De minister hoefde deze omstandigheden ook niet uitvoeriger in zijn beoordeling te betrekken. Eiser licht ook niet concreet toe op welke punten de beoordeling tekortschiet. De door eiser genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 25 november 2025 leidt niet tot een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
Naar welke provincie moet eiser terugkeren?
8. De rechtbank stelt vast dat eiser nooit in Jemen – het land waarnaar hij volgens het terugkeerbesluit moet terugkeren – heeft verbleven. Dit roept de vraag op hoe in dat geval de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn moet plaatsvinden.
8.1.
In zijn reactie van 16 februari 2026 op vragen van de rechtbank heeft de minister toegelicht dat een Jemeniet die nooit in Jemen heeft verbleven in beginsel naar elke regio binnen dat land kan terugkeren. In dit geval is de minister van dit uitgangspunt afgeweken, omdat het volgens hem, vanwege de aanwezigheid van familieleden, voor de hand ligt dat eiser zal terugkeren naar de provincie Hadramaut. De minister heeft vervolgens beoordeeld of eiser bij terugkeer naar die provincie een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
8.2.
Uit het arrest CF en DN volgt dat de minister bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, in het geval van terugzending naar het betrokken land of gebied, de daadwerkelijke bestemming moet betrekken. (Voetnoot 14) Als de betrokkene eerder in het land van herkomst heeft verbleven kan deze bestemming worden bepaald aan de hand van de laatste woon- of verblijfplaats voorafgaand aan vertrek. Als, zoals hier, de betrokkene nooit in het land van herkomst heeft gewoond, kan dit criterium niet worden toegepast. In dat geval mag de minister in beginsel aannemen dat terugkeer naar elke regio mogelijk is. Dat uitgangspunt geldt namelijk ook als de betrokkene wél woonachtig is geweest in het land van herkomst, maar het niet mogelijk is om, vanwege ongeloofwaardige verklaringen over de herkomst, de woon- of verblijfplaats voorafgaand aan vertrek vast te stellen. (Voetnoot 15) Het voorgaande kan anders zijn als er concrete aanwijzingen zijn voor een specifieke bestemming. Die zijn hier aanwezig, omdat eiser heeft verklaard dat zijn ouders in Hadramaut zijn geboren (Voetnoot 16), zijn oma en oom daar woonachtig waren (Voetnoot 17) en zijn broer ook tijdens zijn tijdelijke terugkeer naar Jemen in Hadramaut heeft verbleven. Eiser heeft ook niet bestreden dat de minister niet van deze regio mocht uitgaan. De minister heeft daarom terecht beoordeeld of eiser in de provincie Hadramaut een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld.
Mag de minister (in het beleid) een binnenlands beschermingsalternatief tegenwerpen
9. De beroepsgrond van eiser, onder verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Rotterdam van 25 november 2025, dat de minister ten onrechte in zijn beleid een binnenlands beschermingsalternatief heeft aangenomen, slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister in het voornemen en het besluit geen binnenlands beschermingsalternatief heeft aangenomen. Zoals de minister in het verweerschrift heeft toegelicht, ziet de in het beleid opgenomen mogelijkheid om Hadramaut als binnenlands beschermingsalternatief aan te merken op vreemdelingen afkomstig uit andere regio’s in Jemen, waar zij vanwege willekeurig geweld een reëel risico lopen op ernstige schade. Eiser behoort niet tot deze categorie, nu hij zoals hierboven is overwogen, niet uit een andere regio in Jemen afkomstig is.
10. Eiser betoogt dat hij niet kan terugkeren naar Hadramaut. Volgens hem zijn de spanningen in Hadramaut toegenomen en is het risico voor burgers om slachtoffer te worden van willekeurig geweld groter geworden. Ter onderbouwing verwijst hij naar een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 5 januari 2026 over de actuele veiligheidssituatie in Hadramaut.
10.1.
De minister heeft in WBV 2025/20 aangenomen dat in de provincie Hadramaut geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. In de bijlage 15c-beoordeling bij de brief van 8 oktober 2025 heeft de minister uiteengezet dat uit het ambtsbericht van april 2025 blijkt dat de provincie Hadramaut (vrijwel) gevrijwaard was van gevechtshandelingen en gewelddadigheden. Uit de cijfers van Armed Conflict Location & Event Data blijkt dat de geregistreerde gevechten voornamelijk bestonden uit schermutselingen tussen tribale milities. De meeste slachtoffers vielen in deze provincies door ‘explosies of geweld op afstand’ gericht tegen groepen die gelieerd zijn aan de internationaal erkende regering (IRG). Op basis hiervan heeft de minister de conclusie getrokken dat er geen sprake is van een gewapend conflict, waarbij ook de humanitaire situatie is meegenomen in de beoordeling.
10.2.
De rechtbank volgt dit standpunt. Eiser heeft niet gemotiveerd bestreden dat de minister op basis van deze informatie in het besluit terecht tot deze conclusie is gekomen. In het ambtsbericht staat inderdaad dat Hadramaut, net als eerder, grotendeels gevrijwaard was van het gewapende conflict. De machtsstrijd tussen de door de VAE gesteunde STC enerzijds en door Saoedi Arabië gesteunde groeperingen anderzijds leidde tijdens de verslagperiode van het ambtsbericht niet tot grootschalige gewelddadigheden. Hoewel zich incidenten hebben voorgedaan hebben deze niet een zodanige aard en omvang dat gesproken kan worden van een gewapend conflict. Uit het arrest Diakité (Voetnoot 18) volgt dat daarvoor vereist is dat reguliere strijdkrachten van een staat confrontaties aangaan met een of meer gewapende groeperingen of dat twee of meer gewapende groeperingen onderling strijden. Die situatie was ten tijde van de verslagperiode van het ambtsbericht niet aan de orde. Verder stelt de minister terecht, en dat is ook niet weersproken, dat de provincie Hadramaut volgens het ambtsbericht op een veilige en wettige wijze vanuit Nederland over land is te bereiken via Saoedi-Arabië. (Voetnoot 19)
10.3.
De brief van VluchtelingenWerk Nederland, die eiser in beroep heeft overgelegd, ziet op de nadien gewijzigde veiligheidssituatie in Hadramaut. De rechtbank is ook ambtshalve bekend met deze gewijzigde situatie. Hierna volgt onder 10.3.1 en 10.3.2 eerst een beschrijving van deze gewijzigde veiligheidssituatie. Daarna volgt onder 10.3.3 het oordeel van de rechtbank over die situatie.
10.3.1.
Op 2 december 2025 lanceerde de STC een grootschalig militair offensief in Zuid-Jemen. De operatie begon in de provincie Hadramaut, dat destijds onder controle stond van de internationaal erkende, door Saoedi-Arabië gesteunde IRG. De STC rukte snel op en veroverde verschillende door de regering gecontroleerde gebieden in het noorden van Hadramaut, waaronder de steden Seiyun en Tarim. Op 30 december voerde Saoedi-Arabië luchtaanvallen uit op de door STC gecontroleerde havenstad Mukalla. Op 2 januari 2026 lanceerden de Jemenitische regeringstroepen, ondersteund door Saoedische luchtaanvallen, een tegenoffensief om de door de STC veroverde gebieden te heroveren. Met steun van Saoedi-Arabië rukten de regeringstroepen snel op, veroverden Seiyun op 3 januari 2026 en Mukalla de volgende dag, waarmee de winst van de STC werd teruggedraaid. (Voetnoot 20) Op 7 januari 2026 begonnen regeringstroepen de hoofdstad van de STC, Aden (in een andere provincie), binnen te trekken te midden van het instorten van het STC-verzet. (Voetnoot 21) Vervolgens werd STC-leider Aidarus al-Zoubaidi uit zijn positie in de Jemenitische Presidentiële Raad gezet, beschuldigd van hoogverraad. Hij zou naar verluidt naar de VAE zijn gevlucht. Op 9 januari 2026 kondigde de STC haar ontbinding aan na wijdverspreide territoriale verliezen in het hele land. (Voetnoot 22)
10.3.2.
Eind december 2025 was de territoriale situatie in Jemen als volgt (Voetnoot 23):
De meest recente kaart van Jemen ziet er sinds de herovering van de IRG als volgt
uit:
10.3.3.
In deze gewijzigde situatie in beroep, die de rechtbank op grond van artikel 83 van de Vreemdelingenwet 2000 bij haar beoordeling betrekt, heeft de minister terecht geen aanleiding gezien voor een andere conclusie over de vraag of in de provincie Hadramaut sprake is van een situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Daarbij is van belang dat het onder 10.3.1 beschreven gewapende conflict van korte duur is geweest en inmiddels is beëindigd met het verlies en de ontbinding van de STC. Bovendien is het aantal slachtoffers in dat inmiddels beëindigde conflict beperkt gebleven. Daarnaast laten de door de minister genoemde cijfers van IOM een sterke en voortdurende afname zien van het aantal ontheemden, wat wijst op herstel van stabiliteit. De brief van VluchtelingenWerk Nederland van 5 januari 2026 leidt niet tot een ander oordeel. De daarin aangehaalde bronnen hebben betrekking op de situatie tot 4 januari 2026 en zien daarmee op de korte periode waarin het conflict zich voordeed. De beroepsgrond slaagt niet.
10.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich in de provincie Hadramaut geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Hieruit volgt dat eiser bij terugkeer naar die provincie geen reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
10.4.1.
De rechtbank zal hierna ingaan op de vraag of eiser een individueel risico loopt om slachtoffer te worden van op hem gericht geweld.
Problemen bloedwraak
11. Eiser betoogt dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat hij zijn verklaringen over de gestelde bloedwraak, in verband met de problemen van zijn vader, onvoldoende met documenten heeft onderbouwd. Volgens eiser heeft de minister zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de (kopieën van) documenten over de arrestatie van zijn vader geen betrekking hebben op eisers persoonlijke situatie. Deze documenten ondersteunen volgens eiser juist de aannemelijkheid van zijn vrees, omdat zij aansluiten bij zijn relaas. Daarnaast voert eiser aan dat de minister niet is ingegaan op zijn zienswijze dat hij tijdens het nader gehoor niet over deze documenten is bevraagd, wat volgens hem onzorgvuldig is. Tot slot betoogt eiser dat de minister de verklaringen van zijn broer en vader ten onrechte terzijde heeft geschoven, zonder deugdelijk te motiveren waarom deze niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde vrees voor bloedwraak.
11.1.
Uit Werkinstructie (WI) 2024/6 volgt dat de beoordeling van de geloofwaardigheid plaatsvindt in twee stappen.
Stap 1 is het verzamelen van de relevante informatie. De vreemdeling en de minister hebben tijdens deze fase, waarin de feiten en omstandigheden worden vastgesteld, een samenwerkingsverplichting. Het is aan de vreemdeling om, voor zover redelijk, alle feiten en omstandigheden en de daarmee samenhangende bewijsstukken (zo snel mogelijk) naar voren te brengen. De minister moet actief met de vreemdeling samenwerken om de relevante feiten en omstandigheden te bepalen en aan te vullen (de samenwerkingsplicht van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn). Zo kan de minister de vreemdeling tegemoet komen in de op de vreemdeling rustende bewijslast door zelf onderzoek te verrichten, bijvoorbeeld door vragen te stellen tijdens de gehoren.
Aan de hand van de verzamelde relevante informatie verricht de minister daarna – op grond van stap 2a en 2b – de geloofwaardigheidsbeoordeling. Daarbij beoordeelt de minister eerst of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken (stap 2a). Als een asielmotief niet of onvoldoende kan worden onderbouwd met objectieve documenten, worden de asielmotieven aan de hand van de door de betrokkene afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid beoordeeld (stap 2b).
11.2.
Eiser heeft de volgende documenten overgelegd:
1. een kopie arrestatiebevel van de vader van 21 maart 2017;
2. een kopie arrestatiebevel van de vader van 4 april 2017;
3. een kopie aankondiging van het arrestatiebevel van 7 april 2017;
4. een aangifte van eisers broer bij de politie van 17 januari 2022;
5. een tweetal verklaringen van de broer en de vader over de gebeurtenissen.
11.3.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank stelt vast dat de documenten niet zijn besproken tijdens het nader gehoor en hierover zijn ook geen vragen gesteld. De minister mocht deze documenten niet zonder meer buiten beschouwing laten. Eiser heeft hiermee immers zijn verklaringen over de gestelde bloedwraak willen onderbouwen. De documenten zijn weliswaar zonder vertaling overgelegd, maar de minister heeft eiser niet overeenkomstig artikel 4:5, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld een vertaling aan te leveren. Ook heeft de minister de documenten niet zelf laten vertalen, terwijl WI 2024/5 daarvoor in de algemene asielprocedure ruimte biedt als documenten relevant zijn voor de beoordeling van het asielrelaas. Niet is gebleken dat de minister de documenten niet relevant achtte. Dat de minister in het verweerschrift stelt dat de inhoud van de documenten overeenkomt met het asielrelaas, en daarom geen noodzaak bestond voor het stellen van vragen over deze documenten, maakt dit niet anders. Zonder vertaling kan de rechtbank dit niet vaststellen. Bovendien diende de minister, gelet op zijn samenwerkingsplicht, tijdens het nader gehoor in ieder geval stil te staan bij de overgelegde documenten. Dat het gaat om kopieën leidt niet tot een ander oordeel.
Zoals verder volgt uit de uitspraak van 8 september 2025 (Voetnoot 24) van deze rechtbank en zittingsplaats worden andere documenten dan objectieve bewijsstukken niet uitgesloten van de geloofwaardigheidsbeoordeling. De minister betrekt alle overgelegde bewijsmiddelen bij de beoordeling of voldoende onderbouwing is gegeven van een asielmotief, bedoeld in stap 2a en deze kunnen, ook als ze niet op authenticiteit kunnen worden onderzocht, relevantie hebben in stap 2b van de geloofwaardigheidsbeoordeling.
11.4.
Hieruit volgt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Alleen hierom al is het beroep gegrond. Dat wat eiser heeft aangevoerd over de rest van de geloofwaardigheidsbeoordeling (stap 2a en stap 2b van WI 2024/6) bespreekt de rechtbank daarom niet.
Melding ‘met onbekende bestemming (mob) vertrokken’ na sluiting onderzoek
12. Na sluiting van het onderzoek op zitting heeft de minister bij bericht van 20 maart 2026 laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 31 maart 2026 laten weten dat zij nog contact heeft met eiser. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en nader onderzoek te doen naar de ontvankelijkheid van het beroep. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat zij volgens vaste rechtspraak van de Afdeling voorzichtig moet omgaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een mob-melding. (Voetnoot 25)
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 18 december 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; als de minister binnen deze termijn aan eiser meedeelt dat hij hem aanvullend wil horen, moet hij binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw beslissen;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. S.A. van Hoof en mr. H. van Eijken, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.