Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:24300

Op 25 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.45889, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:24300. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.45889
Datum uitspraak:
25 August 2026
Datum publicatie:
27 August 2026

Indicatie

Beroep bewaring art. 59a Vw. Onderduikrisico mocht worden aangenomen, bewaring niet onevenredig bezwarend, minister werkt voldoende voortvarend aan de overdracht aan Italië. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL26.45889

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. (Voetnoot 1)

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 11 augustus 2026 heeft de minister aan eiser, die stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1998, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Bentaieb als tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. (Voetnoot 2) In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. (Voetnoot 3)

3.1.

Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. (Voetnoot 4) De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. (Voetnoot 5)

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en het risico bestaat dat eiser zal onderduiken.

4.1.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4.2.

Eiser betwist niet de gronden van de maatregel, maar betoogt dat hij zelfstandig wil terugkeren naar Italië en dat er daarom geen onderduikrisico is.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De minister heeft voornoemde zeven gronden kunnen tegenwerpen en op grond daarvan mogen concluderen dat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Dat eiser heeft verklaard dat hij wel zal terugkeren naar Italië als dat moet leidt niet tot een ander oordeel, mede gelet op het feit dat hij op 23 juli 2026 met onbekende bestemming is vertrokken nadat hem was medegedeeld dat hij aan Italië zou worden overgedragen.

5. Eiser betoogt verder dat het opleggen en voortduren van de maatregel onevenredig bezwarend is vanwege zijn medische problematiek.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond ook niet slaagt. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de bewaring verklaard dat hij last heeft van zijn rechterhand en dat hij gebitsproblemen heeft. Ter zitting heeft eiser daarover desgevraagd verklaard dat hij al contact heeft gehad met de medische dienst in het detentiecentrum en dat ‘zij het zullen oplossen’. Niet is gebleken dat zijn fysieke problemen eiser dusdanig in de weg zitten dat het opleggen of voortduren van de bewaring daarom onevenredig bezwarend moet worden geacht.

6. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan eisers overdracht werkt. Ter zitting heeft eisers gemachtigde verklaard dat de vlucht van

25 augustus 2026 op 17 augustus 2026 is geannuleerd, omdat de overdracht door Italië zou zijn geweigerd. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat hem enige tijd moet worden gegund om uit te zoeken waarom de overdracht is geweigerd, mede gelet op het feit dat de Italiaanse autoriteiten op 16 juli 2026 nog schriftelijk akkoord zijn gegaan met de terugname van eiser. Dat de vlucht van 25 augustus 2025 is geannuleerd maakt het voortduren van de bewaring vooralsnog dus niet onrechtmatig.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. (Voetnoot 6)

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van

D.P. van Middelkoop, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoot

Voetnoot 1

Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 2

Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 3

Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voetnoot 4

Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.

Voetnoot 5

Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.

Voetnoot 6

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.