Overwegingen
1. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet is ingediend binnen de bezwaartermijn van vier weken. Daarbij heeft verweerder afgezien van het horen van eisers.
2. Eisers stellen zich op het standpunt dat hun bezwaar ten onrechte als kennelijk niet-ontvankelijk is afgedaan. Zij stellen dat het bezwaarschrift op 1 maart 2021 is verzonden en daarmee tijdig – binnen de bezwaartermijn van vier weken – is verzonden. Eisers verwijzen ook naar de conclusie van de Raadsheer Advocaat Generaal Widdershoven van 7 september 2023. (Voetnoot 2) In dat verband voeren eisers aan dat hun belang bij een soepele toepassing van een termijnoverschrijding moet prevaleren boven het beperkte belang van verweerder bij een strikte toepassing. Voor zover er sprake is van een verzuim, is dat volgens eisers dan ook verschoonbaar.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het bezwaar niet binnen de termijn is ingediend en niet is gebleken van een verschoonbare reden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift vier weken.
5. Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Op grond van het tweede lid van dit artikel, is een bezwaarschrift dat per post is verzonden tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn per post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
6. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
7. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb kan een hoorzitting in bezwaar achterwege blijven als het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.
8. De rechtbank stelt vast dat eisers uiterlijk 8 maart 2021 hun bezwaarschrift konden indienen. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eisers pas ontvangen op 28 april 2021. Het bezwaar van eisers is dan ook niet tijdig ingediend. De enkele mededeling van eisers dat het bezwaarschrift op 1 maart 2021 is ingediend en dat zij niet bekend zijn met de ontvangstadministratie van verweerder, vormt geen aanleiding voor een ander oordeel. De stelling dat het bezwaarschrift is ingediend op 1 maart 2021, is namelijk niet onderbouwd met bewijsstukken.
9. De rechtbank volgt verweerder ook in zijn overweging dat het verzuim niet verschoonbaar is. Eisers worden namelijk bijgestaan door een professionele gemachtigde, van wie mag worden verwacht dat deze de termijnen bewaakt.
10. Nu eisers hebben verzuimd tijdig bezwaar in te dienen en niet is gebleken dat het verzuim verschoonbaar is, heeft verweerder het bezwaar van eisers terecht niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft daarbij kunnen afzien van het horen van eisers. Het beroep is om die reden kennelijk ongegrond.
11. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
12. De redelijke termijn voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaat uit een bezwaarprocedure en één rechterlijke instantie, is in dit geval twee jaar. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen.
13. In deze zaak heeft verweerder het bezwaarschrift ontvangen op 28 april 2021. Verweerder heeft op 27 mei 2021 op dit bezwaar beslist. Verweerder heeft dan ook binnen de redelijke termijn op het bezwaar beslist. Eisers hebben op 24 juni 2021 beroep ingesteld bij de rechtbank. Met de uitspraak van vandaag is op dat beroep beslist. Dat betekent dat de redelijke behandelingsduur van het beroep met ruim drie jaar is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is geheel aan de rechtbank toe te rekenen. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen, is geen sprake.
14. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, wordt de hoogte van de schadevergoeding vastgesteld op € 3.000. De Staat der Nederlanden dient deze schadevergoeding aan eisers te betalen.