RECHTBANK DEN HAAG
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
de minister van Asiel en Migratie (de minister), verweerder,
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster in verband met haar overdracht naar Kroatië. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, omdat geen sprake is van een spoedeisend belang. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
Procesverloop
2. Verzoekster heeft een herhaalde asielaanvraag ingediend. Met het bestreden besluit van 3 augustus 2026 heeft de minister de aanvraag van verzoekster niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Op 4 augustus 2026 heeft de minister een kennisgeving aan verzoekster uitgebracht met de gegevens van haar vlucht naar Kroatië op 6 augustus 2026.
2.1.
Verzoekster heeft tegen het bestreden beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Verzoekster heeft hier op gereageerd.
Overwegingen
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting. De voorzieningenrechter doet dit als onverwijlde spoed dit vereist en partijen daardoor niet in hun belangen zijn geschaad. (Voetnoot 1) De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om partijen niet uit te nodigen voor een zitting, gelet op de korte termijn die resteert tot 6 augustus 2026. Partijen worden hierdoor niet in hun belangen geschaad. Verzoekster heeft de gronden van haar verzoek immers naar voren kunnen brengen, de minister heeft daarop gereageerd en verzoekster heeft gereageerd op de reactie van de minister. De voorzieningenrechter sluit daarom het onderzoek.
4. Verzoekster voert aan dat zij op 6 augustus 2026 wordt overgedragen aan Kroatië en dat hierin het spoedeisend belang is gelegen. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter om te bepalen dat de overdracht achterwege blijft totdat is beslist op het beroep.
5. De minister heeft in het verweerschrift toegelicht dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Het gaat in dit geval namelijk niet om gedwongen overdracht, maar om gefaciliteerd vertrek. Volgens de minister betekent gefaciliteerd vertrek dat als verzoekster op 6 augustus 2026 niet meewerkt aan het vertrek, zij op die datum niet alsnog gedwongen overgedragen zal worden aan Kroatië.
6. Verzoekster stelt daar tegenover dat wel degelijk sprake is van gedwongen vertrek. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat verzoekster verplicht is om mee te werken aan de overdracht aan Kroatië. Ook heeft de minister overwogen dat verzoekster geen recht meer heeft op opvangvoorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen zoals bedoeld in de artikelen 17 tot en met 20 van de Opvangrichtlijn. Verzoekster stelt dat het niet meewerken aan de overdracht vreemdelingenbewaring tot gevolg kan hebben. Meewerken aan vertrek onder dreiging van een mogelijke detentie kan niet als vrijwillig worden beschouwd. Ook heft dit niet de verplichting van de minister op om nader onderzoek te doen naar de psychische gesteldheid van verzoekster.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de mededeling van de minister in het verweerschrift dat als verzoekster niet meewerkt aan het geplande vertrek op 6 augustus 2026, zij die dag niet alsnog gedwongen overgedragen zal worden. Dit betekent dus dat verzoekster zelf kan beslissen of zij op 6 augustus 2026 wel of niet vertrekt naar Kroatië. Hoewel uit het verslag van het vertrekgesprek van 4 augustus 2026 volgt dat de regievoerder van DT&V heeft toegelicht dat verzoekster verplicht is om medewerking te verlenen aan de overdracht, volgt uit het verslag ook het volgende:
[…] Indien betrokkene niet aanwezig is [rechtbank: als zij niet klaarstaat op het afgesproken tijdstip en niet op haar kamer aanwezig is], zal de termijn dat betrokkene naar Kroatië moet vertrekken verlengd worden. Als betrokkene verdwijnt van het AZC of als betrokkene zich voor langere tijd onttrekt aan toezicht en dus niet verschijnt op o.a. de meldplicht dan wordt er van MOB zijn uitgegaan. Betrokkene zal dan ook worden uitgeschreven van de COA opvang. Dan wordt de overdrachtstermijn ook verlengd met een jaar en verblijft betrokkene niet meer rechtmatig in Nederland. Indien betrokkene op het AZC blijft zal DTenV werken aan gedwongen vertrek.[…]
7.1.
Dat het niet meewerken aan het geplande vertrek kan leiden tot nadelige gevolgen, zoals het verlengen van de overdrachtstermijn, het beëindigen van opvang en verstrekkingen en het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring, en dat verzoekster mogelijk in de toekomst wel gedwongen zal worden overgedragen, betekent niet dat er op dit moment een spoedeisend belang is bij de gevraagde voorlopige voorziening. Op dit moment is niet gesteld of gebleken dat verzoekster geen opvang of verstrekkingen meer zal ontvangen of in vreemdelingenbewaring zal worden geplaatst.
Beslissing
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op 5 augustus 2026 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: