Rechtbank Den Haag, tussenuitspraak vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:5114

Op 12 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een tussenuitspraak procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL24.3092 tussenuitspraak, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:5114. De plaats van zitting was Roermond.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL24.3092 tussenuitspraak
Datum uitspraak:
12 March 2026
Datum publicatie:
12 March 2026

Indicatie

Asiel Venezuela / tussenuitspraak

De rechtbank heeft aan verweerder de vraag gesteld op welke landeninformatie zijn besluit is gebaseerd. De geloofwaardigheidsbeoordeling van de verklaringen die eiser heeft afgelegd moeten immers worden beoordeeld tegen de achtergrond van dergelijke landeninformatie. Verweerder voert bovendien specifiek landgebonden beleid ten aanzien van Venezuela. Verweerder maakt niet inzichtelijk welke bronnen en informatie aan zijn beleid en besluit ten grondslag liggen.

Verweerder moet -uit eigen beweging- volstrekt transparant zijn over alle feiten en omstandigheden die hij ten grondslag legt aan zijn beleid en besluitvorming. Het kan niet zo zijn dat de vreemdeling en de rechter in het ongewisse worden gelaten of er soms nog méér informatie is die verweerder relevant acht, maar pas wordt prijsgegeven als de rechter vraagt of het dossier compleet is.

De rechtbank zal een tussenuitspraak doen vanwege het aanzienlijke tijdsverloop.

Verweerder moet aanvullend motiveren welke openbare bronnen aan dit besluit ten grondslag liggen zodat eiser zijn verdedigingsrechten kan uitoefenen en de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit ten volle kan beoordelen. Verweerder moet tevens beoordelen of hij een terugkeerbesluit moet vaststellen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.3092 T

Tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser],

geboren op [geboortedatum] 1987, Venezolaanse nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. C.H.M. Geraedts),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. W. van Hoof ).

Procesverloop

Eiser heeft op 15 oktober 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag in zijn besluit van 23 januari 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. Dit besluit omvat geen terugkeerbesluit omdat eiser ten tijde van het bestreden besluit in het bezit was van een verblijfsvergunning humanitair tijdelijk als getuige/aangever van mensenhandel.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van het beroep heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat de rechtbank een tussenuitspraak zal doen en wat de redenen hiervoor zijn.

Overwegingen

1. Eiser is geboren in Venezuela, maar heeft met name in Aruba verbleven. Omdat eiser naar Nederland wilde komen om met een Nederlandse vrouw te trouwen, om aangifte te doen van mensenhandel en om te studeren, is hij vanuit Aruba teruggegaan naar Venezuela om de benodigde (reis)documenten te verkrijgen. Eiser stelt in die periode, waarin hij in afwachting was van zijn documenten om naar Nederland te kunnen komen, zich te hebben aangesloten bij een politieke groepering. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij bang is voor politieke vervolging wegens zijn lidmaatschap bij de Acción Democrática en zijn affiliatie met Jorge Reyes. Verder vreest eiser voor bedreiging van zijn persoonlijke vrijheid vanwege de slechte veiligheidssituatie in Venezuela. Tenslotte vreest eiser voor ontzegging van zijn fundamentele mensenrechten vanwege de systematische schending van mensenrechten in Venezuela.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

-Identiteit, nationaliteit en herkomst;

-Aansluiting bij Acción Democrática en de problemen hierdoor;

-Problemen met de nationale garde en Colombiaanse guerrilla.

3. Verweerder heeft de verklaringen van eiser over zijn nationaliteit en herkomst alsmede de problemen met de nationale garde en Colombiaanse guerrilla geloofwaardig geacht. Eisers aansluiting bij de Acción Democrática en de problemen hierdoor heeft verweerder ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft hiertoe onder meer overwogen dat de redenen voor de gestelde aansluiting bij Acción Democrática ongeloofwaardig zijn. Eiser verklaart vaag over de redenen waarom hij zich aansloot bij Accion Democratica en zijn verklaringen zijn onlogisch. Het valt niet in te zien waarom eiser zich zou inzetten voor een politieke partij, terwijl dit erg gevaarlijk was en als hij van plan was om snel het land te verlaten. Daarnaast zijn de redenen die eiser naar voren heeft gebracht over waarom hij zich heeft aangesloten bij de partij vaag. De verklaringen van eiser komen bovendien niet overeen met informatie uit openbare bronnen. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat zijn problemen met de nationale garde en de Colombiaanse guerrilla te maken hebben met zijn aansluiting bij Acción Democrática. De gestelde problemen zijn niet van persoonlijke aard. Het document van deelname aan de partij, dat bij zienswijze is ingebracht, betreft geen origineel document en is niet op echtheid onderzocht. Ook komen de genoemde persoonsgegevens in de foto’s van de brief niet overeen met de persoonsgegevens van eiser. Daarnaast komt de informatie uit de brief niet overeen met de verklaringen van eiser.

4. Eiser is van mening dat hij genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij gedwongen terugkeer te vrezen heeft voor een onmenselijke behandeling. In beroep heeft eiser onder meer een brief van Vluchtelingenwerk Nederland overgelegd met daarin informatie uit verschillende bronnen over de algemene veiligheidssituatie in Venezuela.

5. Verweerder heeft in reactie op de brief van Vluchtelingenwerk Nederland een verweerschrift uitgebracht met daarin een verwijzing naar vijf uitspraken van andere zittingsplaatsen van deze rechtbank.

6. De rechtbank heeft partijen ter zitting in de gelegenheid gesteld om hun standpunten toe te lichten en in te gaan op de standpunten van de wederpartij.

7. De rechtbank heeft vervolgens aan verweerder de vraag gesteld op welke landeninformatie zijn besluit is gebaseerd. De geloofwaardigheidsbeoordeling van de verklaringen die eiser heeft afgelegd moeten immers worden beoordeeld tegen de achtergrond van dergelijke landgebonden informatie. Verweerder werpt eiser ook tegen dat zijn verklaringen deels niet overeenkomen met informatie uit openbare bronnen. Dan rijst de vraag welke bronnen verweerder dan bedoelt. Verweerder voert bovendien specifiek landgebonden beleid ten aanzien van Venezuela, zowel ten tijde van het bestreden besluit als ten tijde van het onderzoek ter zitting. Verweerder heeft risicoprofielen benoemd en heeft in het landgebonden beleid ook bepaald dat er geen bijzonderheden zijn ten aanzien van - kort gezegd - ‘15c’. In het voornemen is vermeld dat eiser niet wordt aangemerkt als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat eiser bij terugkeer naar Venezuela geen reëel risico loopt op ernstige schade. In het besluit is hier niets over vermeld.

8. Verweerder heeft dus openbare bronnen aan zijn besluit en aan zijn beleid ten grondslag gelegd, maar maakt in het besluit niet kenbaar welke bronnen dit zijn. De rechtbank heeft ter zitting besproken dat, voor zover de rechtbank kan nagaan, op 11 juni 2020 het allereerste maar tevens het meest recente Algemeen Ambtsbericht Venezuela is vastgesteld. Het komt de rechtbank voor dat verweerder over actuelere informatie zal (willen) beschikken, zeker gelet op de instabiele situatie die Venezuela al jaren kenmerkt én gelet op de recente illegale ontvoering van Maduro door een andere natie. Het volstaat niet om in reactie op beroepsgronden te verwijzen naar rechtbankuitspraken waarin een actuele beoordeling van de ook door eiser overgelegde informatie van Vluchtelingenwerk Nederland heeft plaatsgevonden. Verweerder zal namelijk allereerst zelf moeten beoordelen wat de algemene situatie in Venezuela is om zodoende een deugdelijke geloofwaardigheidsbeoordeling te kunnen verrichten en de beschermingsbehoefte te kunnen onderzoeken. Dat eiser pas kort voor de zitting en zonder enige toelichting landeninformatie aan het dossier toevoegt kan dus niet afdoen aan de verplichting die verweerder alvorens te beslissen op de asielaanvraag zelf heeft.

9. De rechtbank overweegt dat verweerder dus inzichtelijk moet maken op welke informatie en bronnen hij zijn besluit baseert en dit geldt te meer als verweerder zich baseert op meer bewijsmiddelen dan de verklaringen die de vreemdeling heeft afgelegd. Dit betekent niet alleen dat algemene ambtsberichten niet kunnen worden achtergehouden (Voetnoot 1), maar ook dat landeninformatie die niet wordt gepubliceerd in een algemeen ambtsbericht maar wel wordt betrokken in besluitvorming, bekend moet worden gemaakt, zowel als een besluit mede op die informatie wordt gebaseerd, als wanneer op grond van die informatie nog niet wordt beslist op een aanvraag (Voetnoot 2).

10. De rechtbank wijst er in dit verband ook op dat de rechtbank recent in een andere procedure is geconfronteerd met de werkwijze van verweerder dat de resultaten van documentonderzoek door Bureau Documenten niet in het dossier worden opgenomen maar als intern stuk worden beschouwd (Voetnoot 3). Dit is onzorgvuldig als dit per ongeluk gebeurt en onaanvaardbaar als dit beleidsmatig geschiedt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 februari 2026 ook bevestigd dat -kort gezegd- de bevindingen van Bureau Documenten in het dossier moeten worden opgenomen zodat de vreemdeling de gelegenheid heeft om zich hier degelijk over te kunnen uitlaten (Voetnoot 4) .

11. De rechtbank overweegt dat verweerder -uit eigen beweging- volstrekt transparant moet zijn over alle feiten en omstandigheden die hij ten grondslag legt aan zijn beleid en besluitvorming en dat het niet zo kan zijn dat de vreemdeling en de rechter in het ongewisse worden gelaten of er soms nog méér informatie is die verweerder relevant acht maar pas wordt prijsgegeven als de rechter vraagt of het dossier compleet is. De rechtbank en de vreemdeling moeten er van uit kunnen gaan dat er geen andere informatie of bronnen worden gebruikt dan die kenbaar door verweerder zijn betrokken bij de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming. Het vereiste van equality of arms vereist bovendien dat beide partijen over hetzelfde dossier beschikken. De vreemdeling kan immers alleen zijn verdedigingsrechten uitoefenen als hij weet welke feiten en omstandigheden ten grondslag liggen aan het afwijzende besluit op zijn asielaanvraag.

12. De rechtbank zal een tussenuitspraak doen omdat verweerder moet toelichten welke openbare bronnen aan dit besluit ten grondslag liggen zodat eiser zijn verdedigingsrechten kan uitoefenen en de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit ten volle kan beoordelen.

13. De rechtbank heeft in aanvulling hierop ter zitting besproken dat het besluit geen terugkeerbesluit omvat. Eiser is volgens het besluit in bezit gesteld van “een verblijfsvergunning op basis van Humanitair tijdelijk B/8.3 Vc. Slachtoffers en getuige-aangevers mensenhandel”, welke geldig is tot 2 augustus 2024. Aangezien partijen de rechtbank niet uit eigen beweging hebben geïnformeerd, heeft de rechtbank gevraagd of eiser nog steeds rechtmatig verblijf heeft. Eiser heeft daarop aangegeven dat zijn verblijfsvergunning op reguliere gronden op 2 augustus 2024 is ingetrokken en heeft desgevraagd ter zitting het intrekkingsbesluit geraadpleegd en voorgelezen. De rechtbank stelt vast dat dit intrekkingsbesluit geen terugkeerbesluit omvat. Dit betekent dat verweerder, die in beginsel verplicht is om een terugkeerbesluit vast te stellen als hij geen verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf verleent, op 2 augustus 2024 reeds had moeten nagaan of hij een terugkeerbesluit moet vaststellen. Verweerder heeft dat niet gedaan en zal dat alsnog moeten beoordelen.

14. De rechtbank heeft partijen uitgelegd dat het tijdsverloop in deze procedure aanzienlijk is en dat eiser zeer lang heeft moeten wachten op de behandeling van zijn beroep. De rechtbank volstaat daarom niet met de vaststelling dat het besluit nader moet worden gemotiveerd, maar doet een tussenuitspraak om regie te voeren op de verdere voortgang van de procedure. De rechtbank zal een termijn van zes weken bepalen om verweerder in de gelegenheid te stellen in een aanvullend besluit te motiveren welke openbare bronnen en landeninformatie aan zijn besluit ten grondslag liggen en om na te gaan of verweerder een terugkeerbesluit moet vaststellen. Na ontvangst van het aanvullend (terugkeer)besluit, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen om, indien gewenst, nadere beroepsgronden naar voren te brengen.

15. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank;

-stelt verweerder in de gelegenheid binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak zijn besluit aanvullend te motiveren en te beoordelen of er een terugkeerbesluit moet worden vastgesteld;

-zal eiser in de gelegenheid stellen om te reageren op de aanvullende motivering en gronden aan te voeren tegen het mogelijke terugkeerbesluit;

-houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Damoiseaux, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 maart 2026.

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend. Hoger beroep tegen deze uitspraak kan gelijktijdig met hoger beroep tegen de einduitspraak worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie de uitspraken van de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 11 juni 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:10083) en van deze zittingsplaats van 5 juni 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:9840), 17 juli 2025 ( ECLI:NL:RBDHA:2025:12920) en 2 september 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:16281).

Voetnoot 2

Zie bijvoorbeeld het bericht van de SUA voor IND-beslismedewerkers over “Oekraïne 15c”, geldig vanaf 20 november 2025 tot en met 22 mei 2026, waarin is weergegeven hoe moet worden gehandeld als er geen landgebonden beleid is opgenomen in de Vc. Uit dit bericht blijkt dat verweerder thans over landeninformatie beschikt die wordt gebruikt om te beoordelen of beslist kan worden in een procedure maar die willens en wetens niet gedeeld wordt met betrokkenen en de gemachtigde. Gelet op deze weergegeven informatie en de toelichting daarop zou kunnen worden betoogd dat er aanleiding bestaat om 15c-beleid te voeren. Vreemdelingen die afkomstig zijn uit deze gebieden en een asielaanvraag hebben ingediend, hebben het recht om te weten wat verweerder thans vindt van de algehele veiligheidssituatie in die herkomstgebieden en dat die beoordeling door verweerder wellicht de reden is dat er geen beslissing wordt genomen in hun zaak.

Voetnoot 3

NL23.33818, uitspraak van 6 maart 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:2211, niet gepubliceerd.

Voetnoot 4

ECLI:NL:RVS:2026:700.