Op 1 May 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een vereenvoudigde behandeling procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.19212 en NL26.19191, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:10409. De plaats van zitting was Groningen.
RECHTBANK DEN HAAG
zaaknummers: NL26.19212 en NL26.19191
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[naam],
V-nummer: [nummer],
[naam],
V-nummer: [nummer],
gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. B. de Haan),
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvragen van 3 januari 2024.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. (Voetnoot 1)
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Zijn de beroepen ontvankelijk en kennelijk gegrond?
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvragen te beslissen is verstreken. (Voetnoot 2)Eisers hebben de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. (Voetnoot 3) Dat heeft de minister niet gedaan en eisers hebben vervolgens afzonderlijk beroep ingesteld. (Voetnoot 4)
3. De beroepen zijn ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvragen. (Voetnoot 5) De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. (Voetnoot 6)
5. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden (Voetnoot 7) is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. In dit geval hebben er op 19 maart 2026 nadere gehoren plaatsgevonden. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van vier weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
6. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. (Voetnoot 8)
7. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. (Voetnoot 9)
Conclusie en gevolgen
8. De beroepen zijn kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister vier weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eisers gezamenlijk een dwangsom verschuldigd.
9. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Omdat sprake is van samenhang stelt de rechtbank de kosten vast op € 467,-. (Voetnoot 10)
Beslissing
Beslissing
verklaart de beroepen gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvragen bekend te maken;
bepaalt dat de minister aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers gezamenlijk tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Voetnoot
Voetnoot 1
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Voetnoot 2
Artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Voetnoot 3
Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb.
Voetnoot 4
Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
Voetnoot 5
Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
Voetnoot 6
ECLI:NL:RVS:2020:1560.
Voetnoot 7
Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
Voetnoot 8
ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353.
Voetnoot 9
Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Voetnoot 10
Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.