Procesverloop
Procesverloop
1. Bij besluit van 4 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw (Voetnoot 1) (de vrijheidsbeperkende maatregel).
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
Omdat partijen toestemming hebben gegeven voor een schriftelijke afdoening, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek op 8 juli 2026 gesloten.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank, aan de hand van de beroepsgronden, uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overwegingen
3. Uit artikel 56, eerste lid, van de Vw volgt dat de minister, overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven regels, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, dan wel om doeltreffend te voorkomen dat de vreemdeling onderduikt wanneer er een onderduikrisico bestaat, de vrijheid van beweging kan beperken van de vreemdeling die:
geen rechtmatig verblijf heeft; of
rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d en e.
4. De minister heeft eiser op grond van artikel 56 van de Vw verplicht om, met ingang van 4 juni 2026, te verblijven in de gemeente Westerwolde, alwaar hij zich in de VBL (Voetnoot 2) dient op te houden. De minister heeft overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert en acht hierbij van belang dat eiser niet heeft voldaan aan de rechtsplicht om uit eigen beweging Nederland te verlaten. Verder beschikt eiser niet over een vaste woon- of verblijfsplaats en heeft hij niet voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser voert - samengevat - het volgende aan. Voorafgaand aan de maatregel verbleef eiser in het AZC (Voetnoot 3) te Harderwijk. Hij was bereikbaar en is verschenen op gehoren en vertrekgesprekken, heeft verklaard mee te werken aan overplaatsing en heeft zich dus nooit onttrokken aan toezicht. Het ontbreken van inkomen en het wegvallen van reguliere opvang zijn grotendeel inherent aan de doelgroep die volgens de minister niet langer onder de Rva (Voetnoot 4) valt. Eiser heeft uitdrukkelijk medische omstandigheden naar voren gebracht, maar de minister volstaat in de maatregel slechts met de algemene overweging dat medische zorg in de VBL aansluit bij reguliere zorg en dat eiser zich tot de GZA (Voetnoot 5) kan wenden en zo nodig naar een ziekenhuis kan. Uit de maatregel blijkt niet dat de noodzakelijke zorg voor eiser in Ter Apel feitelijk is geborgd. De (nog lopende) medische procedures van eiser vormen een dragend onderdeel van de proportionaliteitsafweging. Eiser heeft eerder meermaals uitstel van vertrek op medische gronden gehad en stelt dat terugkeer zonder medische waarborg levensbedreigend is. De minister had daarom concreet moeten motiveren waarom, ondanks de lopende medische rechtsmiddelen en voordat op de voorlopige voorziening is beslist, een gebiedsgebod in de VBL noodzakelijk en evenredig is. Ook betoogt eiser dat de maatregel verwijst naar een terugkeerbesluit uit 2003. Dat besluit kan niet zonder meer de actuele noodzaak van een vrijheidsbeperkende maatregel in 2026 dragen, zeker niet in een dossier waarin inmiddels gedurende vele jaren medische beletselen hebben gespeeld. Ook ontbreekt de subsidiariteitstoets. In deze zaak lag immers een minder ingrijpend middel voor de hand, want eiser verbleef op een bekend adres en was dus bereikbaar. De minister had daarom kunnen volstaan met vertrekgesprekken op afspraak, een meldplicht of een tijdelijk minder verstrekkende toezichtarrangement zolang op de medische voorlopige voorziening nog niet is beslist. Tot slot stelt eiser dat hij door het gebiedsgebod tot verblijf in Westerwolde, in combinatie met verblijf in de VBL, wordt beperkt in zijn feitelijke mogelijkheden om zijn sociale netwerk te onderhouden en steun te ontvangen.
5.1.
De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank stelt vast dat eiser op 14 januari 2003 in een meeromvattende beschikking een terugkeerbesluit opgelegd heeft gekregen, dat nog steeds geldig is en waarin is vermeld dat hij Nederland dient te verlaten. Hieraan heeft eiser geen gevolg gegeven. Niet is gebleken dat eiser enige aantoonbare (voorbereidende) acties heeft ondernomen om terug te keren naar Sierra Leone. Dit betekent dat de minister dan ook terecht heeft tegengeworpen dat eiser niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. De nog lopende reguliere procedures geven geen recht op rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 van de Vw en schorten ook de vertrekplicht niet op. Rechtmatig verblijf in de nog lopende procedures ontstaat pas op het moment dat daadwerkelijk door de minister uitstel van vertrek wordt verleend of een verblijfsvergunning voor medische behandeling wordt verleend, of door een rechterlijke beslissing waarin is geoordeeld dat uitzetting achterwege dient te blijven totdat op het bezwaar-of beroepschrift is beslist. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake. Eiser heeft dan ook geen recht meer op COa-voorzieningen.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de maatregel voldoende gemotiveerd waarom de vrijheidsbeperkende maatregel aan eiser wordt opgelegd. De rechtbank benadrukt dat de plaatsing in de VBL dient om erop te kunnen toezien dat eiser daadwerkelijk werkt aan zijn vertrek, maar ook dat hiermee aan hem in ieder geval opvang wordt geboden met daarbij de garantie van medische zorg. Buiten de VBL heeft eiser deze voorzieningen niet. Daarnaast heeft eiser niet aangetoond dat de medische zorg in de VBL ontoereikend is of dat sprake is van een plaatsgebonden medische behandeling. Ook voor het overige ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de plaatsing in de VBL geen geschikt middel is voor eiser. De rechtbank stelt vast dat uit de vrijheidsbeperkende maatregel en uit het verslag van het gehoor blijkt dat kenbaar is meegewogen dat eiser medische behandeling nodig heeft en dat, als hij voor deze behandeling of een ziekenhuisopname de locatie zou moeten verlaten, om een tijdelijke ontheffing van de maatregel kan worden verzocht. De minister heeft in de aangevoerde omstandigheden geen aanleiding hoeven te zien om de belangenafweging in het voordeel van eiser uit te laten vallen. Gelet op al deze omstandigheden heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het belang van de openbare orde de maatregel vordert en dat geen lichter middel kon worden opgelegd. Eisers betoog dat het opleggen van onderhavige maatregel in de weg staat aan het onderhouden van sociale contacten, wordt niet gevolgd. Zoals de minister in de maatregel heeft gemotiveerd kan eiser in de VBL bezoek ontvangen en bestaat daarnaast voor eiser de mogelijkheid om via moderne communicatiemiddelen zijn sociale contacten te onderhouden.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.