Rechtbank Den Haag, vereenvoudigde behandeling vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:3122

Op 18 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een vereenvoudigde behandeling procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.61420, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:3122. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.61420
Datum uitspraak:
18 February 2026
Datum publicatie:
18 February 2026

Indicatie

Beroep niet tijdig, regulier

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.61420

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,

V-nummer: [nummer],

mede namens haar minderjarige kind:[naam], geboren op [geboortedatum],

(gemachtigde: mr. H. Postma),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1.1.

Deze uitspraak gaat over het opvolgende beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf.

1.2.

Eiseres heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiseres hoeft dus geen griffierecht te betalen.

1.3.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. (Voetnoot 1)

Beoordeling door de rechtbank

1. In een eerdere beroepsprocedure niet tijdig beslissen heeft de rechtbank de minister opgedragen om voor 29 september 2025 een beslissing op de aanvraag te nemen. De minister heeft dit niet gedaan.

2. Het beroep is kennelijk ontvankelijk en gegrond.

3. De rechtbank stelt vast dat het dossier (mogelijk) nog niet compleet is, omdat de minister de bij de aanvraag ingediende documenten nog moet beoordelen, van plan is een herstelverzuim te sturen voor nadere documenten of informatie, of in afwachting is van een reactie op die herstelverzuimbrief. Dit betekent dat de minister in principe binnen acht weken een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Echter, het gaat in deze zaak om een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen. Mede gelet op de beslistermijn die de rechtbank in een eerdere procedure heeft opgelegd en het tijdsverloop sindsdien, bepaalt de rechtbank daarom dat de minister binnen vier weken een beslissing op de aanvraag moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.

4. Eiseres heeft gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. (Voetnoot 2) De dwangsom is bedoeld als prikkel om het bestuursorgaan te bewegen een besluit te nemen. In het feit dat de eerder opgelegde dwangsom niet heeft geleid tot het nemen van een besluit ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding voor een verhoging van de dwangsom.

5. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank

stelt de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding op 0,25. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen in beginsel beperkter zijn dan voor een eerste beroep. (Voetnoot 3) Dat betekent dat de proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op €233,50. (Voetnoot 4)

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;

draagt de minister op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken.

bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;

veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 233,50-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoot

Voetnoot 1

Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Voetnoot 2

Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.

Voetnoot 3

Zie r.o. 6.2 ECLI:NL:RBDHA:2025:22665

Voetnoot 4

Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25.