Rechtbank Den Haag, voorlopige voorziening+bodemzaak vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2025:27801

Op 19 November 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een voorlopige voorziening+bodemzaak procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.43541, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2025:27801.

Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.43541
Datum uitspraak:
19 November 2025
Datum publicatie:
1 April 2026

Indicatie

Dublin Frankrijk, beroep ongegrond. Verweerder heeft het bestreden besluit zorgvuldig genomen. Eiser heeft zijn beroep op het arrest C.K. en het arrest Tarakhel onvoldoende onderbouwd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.43541 (beroep) en NL25.43542 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser/verzoeker] , eiser/verzoeker,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Eiser heeft de Oezbeekse nationaliteit en is geboren op [datum] 1989. Hij heeft op 27 februari 2025 asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit van 9 september 2025 niet in behandeling genomen omdat hij Frankrijk hiervoor verantwoordelijk acht

1.1.

De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van de besluiten

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan (Voetnoot 1). In het bestreden besluit is vermeld dat Nederland in dit geval op 25 maart 2025 bij Frankrijk een verzoek om overname heeft gedaan en dat Frankrijk dit verzoek heeft aanvaard op 25 mei 2025.

Verweerder heeft ter zitting de datum van het claimakkoord gecorrigeerd naar 23 mei 2025.

Zorgvuldigheid

5. Eiser voert aan dat ondanks herhaaldelijk opvragen, het overnameverzoek niet is overgelegd. De gemachtigde van eiser voert aan dat zij inzage in het verzoek wil hebben om te kunnen nagaan of er informatie is uitgewisseld over de kwetsbaarheid van eiser. Eiser stelt dat verweerder de informatieplicht heeft geschonden en verwijst hierbij naar overweging 5 van de preambule en artikel 4 van de Dublinverordening. Daarnaast heeft verweerder in het voornemen aanvankelijk Spanje aangehaald als verantwoordelijke lidstaat, in plaats van Frankrijk. Ook is de datum van het claimakkoord niet juist opgenomen in het bestreden besluit, waardoor eiser niet met zekerheid weet wat de uiterlijke overdrachtsdatum is. Deze werkwijze van verweerder is niet transparant, heeft eiser telkens op het verkeerde been gezet en resulteert daarom in een onzorgvuldig genomen besluit.

6. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat sprake is van een onzorgvuldige handelwijze van verweerder en stelt daarom een zorgvuldigheidsgebrek vast. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad en passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder één dag voor de zitting het overnameverzoek heeft overgelegd, terwijl eiser daar in de zienswijze van 17 april 2025 al om heeft verzocht. De rechtbank is van oordeel dat de juridische grondslag voor het overleggen van het claimverzoek niet voortvloeit uit overweging 5 van de preambule noch artikel 4 van de Dublinverordening. Zo ziet artikel 4 van de Dublinverordening op het verstrekken van informatie ter voorbereiding van het gehoor en onder meer de mogelijkheid om dan persoonsgegevens aan te passen. Dit laat onverlet dat verweerder in het kader van de zorgvuldige voorbereiding van een besluit (Voetnoot 2) het overnameverzoek aan eiser had moeten verstrekken zodat hij dit kon controleren. Daarnaast heeft eiser terecht aangevoerd dat in het eerste voornemen van 3 april 2025 ten onrechte is opgenomen dat eiser zou worden overgedragen aan Spanje in plaats van Frankrijk. Tenslotte is ter zitting gebleken dat de datum van het claimakkoord in het bestreden besluit niet juist is weergegeven en dat dit 23 mei 2025 moet zijn. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de juiste overdrachtsdatum blijkt uit het claimakkoord, maar dat dit in het bestreden besluit verkeerd is opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden tezamen leiden tot een zorgvuldigheidsgebrek.

6.2.

De rechtbank is van echter oordeel dat niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad door het onzorgvuldig handelen van verweerder. Het overnameverzoek weliswaar is laat in de procedure overgelegd, maar eiser heeft in het claimakkoord van Frankrijk de overdrachtsdatum, zijn persoonsgegevens en de grondslag van het overnameverzoek kunnen controleren. De stelling van eiser ter zitting dat verweerder in het overnameverzoek de medische problemen en kwetsbaarheid van eiser had moeten opnemen, volgt de rechtbank niet. Dat eiser aan het einde van het gehoor moest huilen, acht de rechtbank daarvoor ook onvoldoende. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser hierover in het aanmeldgehoor niets heeft verklaard, terwijl eiser meerdere malen is gevraagd waarom hij niet naar Frankrijk terug zou kunnen. De stelling van de gemachtigde van eiser dat zij aan de hand van het overnameverzoek eerder medische stukken had willen overleggen, maakt dit niet anders. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het de gemachtigde van eiser vrijstaat om op elk moment in de Dublinprocedure medische informatie in te winnen en te overleggen aan verweerder. Eiser is ook niet benadeeld door het voornemen, waarin de verkeerde lidstaat is genoemd. Vaststaat dat eiser met een door Frankrijk afgegeven Schengenvisum naar Nederland is gereisd en dat in het gehoor enkel is gesproken over overdracht aan Frankrijk. Verweerder heeft de fout in het voornemen hersteld met de brief van 10 juni 2025, waarin eiser de gelegenheid heeft gekregen om binnen twee weken een nieuwe zienswijze in te dienen. 6.3. Verweerder heeft ten aanzien van de onjuiste vermelding van de datum van het claimakkoord in het bestreden besluit gewezen op het feit dat het claimakkoord in het dossier was opgenomen en dat daaruit blijkt dat de Franse autoriteiten op 23 mei 2025 aan Nederland kenbaar hebben gemaakt het overnameverzoek te accepteren. Verweerder heeft hierbij ter zitting verwezen naar artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening en artikel 15, derde en vierde lid, van de Uitvoeringsverordening Dublin (Voetnoot 3). De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de juiste datum voor eiser inzichtelijk had kunnen zijn op grond van de inhoud van het dossier en dat in het geval van eiser niet is gebleken dat hij door het handelen van verweerder is benadeeld. Nu eiser, gelet op het voorgaande, niet in zijn belangen is geschaad, zal de rechtbank het zorgvuldigheidsgebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

Beroep op het arrest C.K.  (Voetnoot 4)

7. Eiser voert aan dat ook wanneer geen sprake is van systeemfouten in de verantwoordelijke lidstaat, garanties opgevraagd kunnen worden indien sprake is van (ernstige) medische problematiek. Eiser heeft in Oezbekistan traumatische ervaringen gehad. Verweerder is onvoldoende ingegaan op deze omstandigheden en individuele ervaringen van eiser. Eiser is gediagnosticeerd met PTSS (Voetnoot 5) en heeft daarvan in beroep een behandelplan en voorgeschreven medicatie voor zijn PTSS overgelegd. Uit de arresten C.K. en Tarakhel volgt dat verweerder eiser gelet op zijn psychische toestand niet mag worden overdragen aan Frankrijk zonder dat verweerder hiervoor een advies aanvraagt aan Bureau Medische Advisering (BMA) dan wel garanties vraagt voor de overdracht aan Frankrijk. Eiser heeft in dit verband ter zitting verwezen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 juli 2025 (Voetnoot 6), Werkinstructie 2021/3, een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 22 oktober 2025 (Voetnoot 7) waarin prejudiciële vragen zijn gesteld en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 10 oktober 2025 (Voetnoot 8). Eiser heeft ter zitting toegelicht dat ten aanzien van Frankrijk in beginsel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat het beroep primair is gericht op de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in het arrestC.K.. Subsidiair doet eiser een beroep op het arrest Tarakhel.

8. De Afdeling heeft in verschillende uitspraken overwogen dat uit het arrest C.K. volgt dat, wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zelf zou kunnen leiden, de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. (Voetnoot 9) Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten, de gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van het EU Handvest als gevolg van de overdracht zelf wegnemen. (Voetnoot 10)

8.1

De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat uit de medische stukken die eiser heeft overgelegd niet blijkt dat de overdracht van eiser aan Frankrijk zal leiden tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor zijn gezondheid als bedoeld in het arrest C.K.. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft onderbouwd dat hij psychische klachten heeft en daarvoor een behandeling krijgt bij de GGZ en medicatie. Ook blijkt uit het behandelplan van de GGZ dat er een indicatie is om suïcide regelmatig te monitoren omdat eiser op 11-jarige en 20-jarige leeftijd pogingen daartoe heeft gedaan. Uit de medische stukken blijkt echter niet dat op dit moment een suïciderisico bestaat of dat dit risico als gevolg van eisers overdracht reëel of hoog is ingeschat. Het beroep op het arrest C.K. slaagt daarom niet.

8.2

Ten aanzien van de verwijzing naar de uitspraak van 10 oktober 2025 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft in die uitspraak het verzet gegrond verklaard omdat er medische documenten waren overgelegd in beroep die naar het oordeel van verweerder aanleiding vormden om een BMA-advies op te vragen. De rechtbank concludeert daarom dat de zaak ten onrechte zonder zitting is afgedaan, maar heeft geen inhoudelijk oordeel gegeven over de vraag of hier sprake was van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. De verwijzing naar deze uitspraak treft daarom geen doel. Wat betreft de verwijzing van eiser naar de andere uitspraken, stelt de rechtbank vast dat in die uitspraken door verweerder al een BMA-advies was aangevraagd en het geschil zich toespitst op de vraag hoe verweerder het BMA-advies heeft geïnterpreteerd dan wel hoever de vergewisplicht van verweerder zou moeten gaan. In die zaken had verweerder dus zelf aanleiding gezien om het BMA in te schakelen. Dat maakt dat deze zaken verschillen van onderhavige zaak, waar naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding bestaat voor verweerder om het BMA om advies te vragen. Ook deze verwijzingen treffen daarom geen doel. De beroepsgrond slaagt niet.

Beroep op het arrest Tarakhel  (Voetnoot 11)

9. Ten aanzien van eisers beroep op het arrest Tarakhel, stelt de rechtbank voorop dat uit dat arrest volgt dat met een ‘bijzonder kwetsbare asielzoeker’ wordt gedoeld op minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen, personen met een handicap, bejaarden, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen en personen die gefolterd of verkracht zijn of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld hebben ondergaan. Uit het Tarakhel-arrest volgt verder dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat aanvullende garanties dient te vragen indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen.

9.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de medische stukken die eiser heeft overgelegd onvoldoende zijn om aan te nemen dat eiser een bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakhel. Eiser is een volwassen man en met de medische stukken heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat hij bijzonder kwetsbaar is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zonder het verkrijgen van aanvullende garanties in Frankrijk niet de benodigde medische zorg zal krijgen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat in Frankrijk dezelfde medische voorzieningen voor eiser beschikbaar zijn. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen dat Nederland het meest geschikte land is om eiser te behandelen. Eiser kan bij voorkomende problemen klagen bij de Franse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser deze mogelijkheid niet heeft of dat de autoriteiten van Frankrijk hem niet kunnen of willen helpen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en heeft deelgenomen aan de zitting. Verder zijn er geen kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Verweerder moet deze vergoeding betalen.

11. Aangezien op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Verzoeker krijgt vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 907,- omdat gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Verweerder moet deze vergoeding betalen.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 907,- aan proceskosten aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Op grond van artikel 3:2 van de Awb.

Voetnoot 3

Verordening nr. 1560/2003 (PB 2003, L 222).

Voetnoot 4

Het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2019:218.

Voetnoot 5

Post-traumatische stress stoornis.

Voetnoot 6

ECLI:NL:RVS:2025:3297.

Voetnoot 7

ECLI:NL:RBDHA:2025:19325.

Voetnoot 8

ECLI:NL:RBDHA:2025:18721.

Voetnoot 9

Zie onder meer: 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980, 21 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4303 en 18 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3297.

Voetnoot 10

Zie de uitspraken van de Afdeling van 15 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:92.

Voetnoot 11

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.