RECHTBANK DEN HAAG
zaaknummers: NL25.47196 (beroep) en NL25.47197 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser/verzoeker] , eiser/verzoeker,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.W.B. van Twist).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Verweerder heeft het asielmotief ‘problemen vanwege financiële schulden’ niet geloofwaardig kunnen vinden. Verweerder had de vrees van eiser voor her-veroordeling in China vanwege zijn strafrechtelijke veroordeling in Nederland, moeten aanmerken als asielmotief. De rechtbank stelt daarom een zorgvuldigheidsgebrek vast. De rechtbank passeert dit gebrek omdat verweerder in het bestreden besluit wel een aannemelijkheidstoets en risicobeoordeling heeft gemaakt. Eiser is daarom niet in zijn belangen is geschaad. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Eiser heeft voor het eerst op 2 april 2023 asiel aangevraagd in Nederland. Deze asielaanvraag heeft hij op 4 april 2023 ingetrokken. Eiser heeft op 29 september 2025 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 26 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft ook verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser heeft de Chinese nationaliteit en is geboren op [datum] 2001. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. De vader van eiser had hoge schulden bij mensen die elke dag bij hen thuis kwamen en om geld vroegen. Dit maakte dat eiser en zijn vader zich bedreigd voelden, waardoor ze in 2020 samen China hebben verlaten en naar Spanje zijn vertrokken. Eiser zal de schulden die zijn vader bij personen en bij banken heeft moeten afbetalen wanneer zijn vader dat niet doet. Daarnaast is eiser in Nederland tot achttien maanden gevangenisstraf veroordeeld voor het plegen van een drugsmisdrijf. Eiser voert aan dat hij denkt dat de Chinese autoriteiten van deze strafrechtelijke veroordeling op de hoogte zijn. Eiser verklaart dat hij een paar maanden voor zijn asielaanvraag is gepresenteerd bij de Chinese ambassade terwijl hij in detentie zat. Bij terugkeer naar China stelt eiser dat de Chinese autoriteiten hem vanwege zijn straf opnieuw kunnen vervolgen. Hij vreest dat hij zal worden veroordeeld tot een lange gevangenisstraf van twintig à dertig jaar of zelfs tot de doodstraf. Eiser heeft in detentie contact gehad met twee Chinese mannen die ook in Nederland veroordeeld waren en zij zijn na vrijwillige terugkeer naar China verdwenen. Eiser vreest dat dit ook met hem zal gebeuren.
4. Verweerder stelt de volgende asielmotieven vast:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen vanwege financiële schulden van vader.
Verweerder vindt het eerste asielmotief wel geloofwaardig en het tweede asielmotief niet. Eiser heeft tegenstrijdig verklaard over waar zijn vader verblijft, wat afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. Bovendien heeft eiser de schulden van zijn vader niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft tegenstrijdig verklaard over zijn eigen paspoort. Ook heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend, hetgeen ook afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. (Voetnoot 1)Eiser loopt bij terugkeer naar China geen reëel risico op ernstige schade. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Chinese autoriteiten op de hoogte zijn van de reden dat eiser in bewaring zat. Daarnaast is er geen bewijs van een her-veroordeling van teruggekeerde Chinese burgers die reeds zijn veroordeeld voor een misdrijf. De verklaringen van eiser over de twee Chinese mannen zijn niet onderbouwd en gebaseerd op een aanname, waardoor deze niet geloofwaardig zijn.
4.1.
Verweerder wijst de asielaanvraag van eiser af als kennelijk ongegrond. (Voetnoot 2) Aan eiser was al een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor twee jaar uitgevaardigd bij besluit van 2 april 2023. Verweerder vervangt dit inreisverbod door een inreisverbod voor de duur van tien jaar. (Voetnoot 3)
Heeft verweerder het asielmotief ‘problemen vanwege financiële schulden vader’ ongeloofwaardig kunnen vinden?
5. Eiser voert aan dat hem niet kan worden verweten dat hij niet aannemelijk en samenhangend heeft verklaard over de schulden van zijn vader. Eiser was tijdens het gehoor gespannen en daarvan raakte hij in de war. Ook beschikt de gemachtigde van eiser niet over de stukken waar verweerder naar verwijst in het bestreden besluit. Eiser stelt dat verweerder te veel aandacht heeft besteed aan kleine fouten, waardoor de grote lijnen van zijn asielrelaas buiten beschouwing blijven. Daarnaast voert eiser aan dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over zijn paspoort, maar dat zijn situatie is veranderd. Eiser voert tot slot nog aan dat het tijdstip van het indienen van zijn asielaanvraag weinig tot niets zegt over de mate waarin hij internationale bescherming nodig heeft.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het asielmotief ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard dat zijn vader sinds zijn vertrek in 2018 nooit naar China is teruggekeerd vanwege zijn openstaande schulden. Bij eisers eerdere asielaanvraag heeft hij op 2 april 2023 (Voetnoot 4) verklaard dat zijn vader op dat moment nog woonachtig was in China. Verweerder heeft terecht tegengeworpen dat sprake is van tegenstrijdige verklaringen die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de problemen die eiser ervaart vanwege de financiële schulden van zijn vader. De rechtbank stelt vast dat verweerder het proces-verbaal van 2 april 2023 pas een dag voor de zitting aan het dossier heeft toegevoegd, zodat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. Omdat eiser met deze tegenstrijdigheid is geconfronteerd in het nader gehoor en eisers gemachtigde ter zitting heeft kunnen reageren op dit proces-verbaal is de rechtbank van oordeel dat hij hierdoor niet is benadeeld. De rechtbank passeert dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt kunnen stellen dat de enkele stelling dat hij in de war moet zijn geweest in 2023, onvoldoende is om deze wisselende verklaring verschoonbaar te achten.
5.2.
Verweerder heeft daarnaast kunnen tegenwerpen dat eiser geen documenten heeft overgelegd om de schulden van zijn vader te onderbouwen. Eiser geeft aan dat dit niet wordt gedocumenteerd in China en dat sprake is van een mondelinge traditie. Deze mondelinge traditie heeft eiser echter ook niet onderbouwd. Verweerder heeft daarnaast kunnen tegenwerpen dat de vader van eiser ook schulden heeft bij drie banken en dat deze schulden in de regel wel worden gedocumenteerd. Eiser heeft hiervoor geen goede verklaring kunnen geven.
5.3.
De rechtbank volgt verweerder ook in de tegenwerping dat eiser eerst heeft verklaard dat zijn paspoort is gestolen en pas later heeft verklaard dat zijn ex-vriendin zijn paspoort zou komen brengen, maar dat dit niet is gelukt. Hiermee is sprake van tegenstrijdige verklaringen. Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Eiser is in 2018 met zijn vader uit China vertrokken. Zij hebben toen een periode in Spanje gewoond. Eiser heeft in 2023 voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland en heeft die aanvraag twee dagen later weer ingetrokken. Eiser heeft pas op 27 augustus 2025, aan het einde van zijn strafrechtelijke detentie, opnieuw asiel aangevraagd. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat dit maakt dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig wordt gezien. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder de vrees voor her-veroordeling in China moeten aanmerken als asielmotief?
6. Eiser voert aan dat de vrees voor een her-veroordeling in China een apart asielmotief is. Dit had door verweerder als zodanig moeten worden aangemerkt. Dit asielmotief is ontstaan nadat eiser in Nederland is veroordeeld voor een drugsmisdrijf en eiser al langere tijd in Nederland was. Verweerder kan daarnaast niet van eiser verwachten dat hij onderbouwt dat de mannen in China zijn verdwenen.
6.1.
De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat verweerder de vrees van eiser ten onrechte niet heeft onderkend als asielmotief. Een asielmotief is een onderwerp in het asielrelaas van een vreemdeling dat verband houdt met vrees voor vervolging of ernstige schade en dat kan ook gaan om feiten en omstandigheden van ná zijn vertrek uit zijn land van herkomst. (Voetnoot 5) De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een onzorgvuldige handelwijze van verweerder en stelt daarom een zorgvuldigheidsgebrek vast. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad en passeert het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank legt dit hierna uit.
Loopt eiser bij terugkeer naar China een reëel risico op ernstige schade?
7. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in het bestreden besluit weliswaar de vrees van eiser voor her-veroordeling in China niet is aangemerkt als asielmotief, maar dat in het bestreden besluit wel een aannemelijkheidstoets en een risicoanalyse is gemaakt van deze vrees van eiser (Voetnoot 6). 7.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Chinese autoriteiten op de hoogte zijn van zijn strafrechtelijke veroordeling in Nederland. Verweerder stelt dat het niet duidelijk is hoe de Chinese autoriteiten op de hoogte zijn van eisers veroordeling, aangezien de Chinese autoriteiten niet worden geïnformeerd over de reden van bewaring. De stelling van eiser ter zitting dat Chinese tolken niet betrouwbaar zijn en dat de Chinese autoriteiten het waarschijnlijk wel zullen weten, heeft verweerder in het licht van het voorgaande onvoldoende kunnen vinden. Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat eiser dit risico niet aannemelijk heeft gemaakt door te verwijzen naar de verdwijning van de twee Chinese mannen met wie hij in detentie heeft gezeten. Eiser heeft verklaard dat hij dit per e-mail van familieleden van de Chinese mannen heeft gehoord. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser dit niet heeft onderbouwd. De enkele stelling van eiser ter zitting dat hij geen toegang meer heeft tot zijn mail en daarom geen bewijs van het mailcontact met de familie van de Chinese mannen kan overleggen, heeft eiser ook niet onderbouwd. 7.2. Daarnaast heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat uit landeninformatie niet blijkt dat eiser bij terugkeer een risico loopt op een her-veroordeling. Verweerder verwijst in dit verband naar het Algemeen Ambtsbericht China 2022 waaruit blijkt dat daders uit het buitenland na terugkeer in China opnieuw strafrechtelijk vervolgd kunnen worden nadat zij zijn veroordeeld in het buitenland. Het ambtsbericht meldt ook dat hierop een uitzondering kan worden gemaakt: als de betrokkene zijn of haar straf al heeft uitgezeten in het buitenland, kunnen de Chinese autoriteiten die persoon strafvermindering geven of geheel vrijstellen van strafvervolging. (Voetnoot 7) Verweerder verwijst naar landeninformatie waaruit blijkt dat het opnieuw vervolgen van een persoon afhangt van de feiten van het geval, namelijk of de zaak veel publiciteit heeft gekregen in China, of de persoon de Chinese autoriteiten in grote verlegenheid heeft gebracht door zijn of haar daden, of het misdrijf van ongebruikelijke ernst is, of er politieke factoren zijn die vervolging waarschijnlijk maken en of de Chinese regering in diskrediet is gebracht. Tenslotte heeft verweerder, onder verwijzing naar landeninformatie, gesteld dat de Chinese autoriteiten drugsdelicten serieuze misdrijven achten, maar dat er geen bewijs is van enige her-vervolging van in het buitenland veroordeelde drugsdelinquenten of van her-vervolging van teruggekeerde Chinese burgers voor welk misdrijf dan ook. De rechtbank stelt vast dat een deel van de informatie waar verweerder naar verwijst gedateerd is, maar dat in het Algemeen Ambtsbericht China van 2022 ook geen gevallen van her-veroordeling van teruggekeerde Chinese burgers zijn genoemd. Eiser heeft daarnaast zelf geen informatie aangehaald waaruit blijkt dat teruggekeerde Chinese (drugs)delinquenten opnieuw zijn veroordeeld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is van een reëel risico op ernstige schade.
7.3.
Nu verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd op eisers verklaringen is ingegaan en op basis van relevante landeninformatie een risico-inschatting heeft gemaakt, is eiser niet in zijn belangen geschaad door het zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank passeert het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat gemachtigde een beroepschrift heeft ingediend en heeft deelgenomen aan de zitting. Verder zijn er geen kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Verweerder moet deze vergoeding betalen.
9. Aangezien op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Verzoeker krijgt vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 907,- omdat gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Verweerder moet deze vergoeding betalen.
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 907,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoot 2
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, g, h en j, van de Vw.