Rechtbank Den Haag, voorlopige voorziening+bodemzaak vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:21062

Op 17 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een voorlopige voorziening+bodemzaak procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL24.42459 en NL24.50086, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:21062.

Instantie:
Zaaknummer(s):
NL24.42459 en NL24.50086
Datum uitspraak:
17 July 2026
Datum publicatie:
28 July 2026

Indicatie

Eiser komt uit Turkije. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Hij stelt dat hij wordt vervolgd door de Turkse autoriteiten vanwege zijn betrokkenheid met de Gülenbeweging. Eiser is daarom bang dat hij bij terugkeer naar Turkije in de gevangenis zal belanden. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen. Verweerder gelooft eisers problemen vanwege zijn betrokkenheid met de Gülenbeweging niet. Daarnaast geeft verweerder geen verblijfsvergunning regulier aan eiser, omdat eiser niet heeft onderbouwd waarom hij zó afhankelijk is van zijn ouders, dat het de normale emotionele banden tussen ouders en volwassen kind overstijgen. De rechtbank volgt verweerders conclusie over eisers gestelde problemen vanwege zijn betrokkenheid met de Gülenbeweging. De rechtbank sluit in dit kader aan bij de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats en bij de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook volgt de rechtbank de conclusie van verweerder dat eiser geen verblijfsvergunning regulier kan krijgen vanwege familie- of gezinsleven met zijn ouders. Daarnaast volgt de rechtbank verweerders standpunt dat het onlangs voltrokken huwelijk van eiser niet kan worden meegenomen in de beoordeling. Het beroep van eiser is daarom ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL24.42459 (beroep) en NL24.50086 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. S. Thelosen)

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Samenvatting

1. Eiser komt uit Turkije. Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Hij stelt dat hij wordt vervolgd door de Turkse autoriteiten vanwege zijn betrokkenheid met de Gülenbeweging. Eiser is daarom bang dat hij bij terugkeer naar Turkije in de gevangenis zal belanden.

1.1.

Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen. Verweerder gelooft eisers problemen vanwege zijn betrokkenheid met de Gülenbeweging niet. Daarnaast geeft verweerder geen verblijfsvergunning regulier aan eiser, omdat eiser niet heeft onderbouwd waarom hij zó afhankelijk is van zijn ouders, dat het de normale emotionele banden tussen ouders en volwassen kind overstijgen.

1.2.

De rechtbank volgt verweerders conclusie over eisers gestelde problemen vanwege zijn betrokkenheid met de Gülenbeweging. De rechtbank sluit in dit kader aan bij de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats en bij de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook volgt de rechtbank de conclusie van verweerder dat eiser geen verblijfsvergunning regulier kan krijgen vanwege familie- of gezinsleven met zijn ouders. Daarnaast volgt de rechtbank verweerders standpunt dat het onlangs voltrokken huwelijk van eiser niet kan worden meegenomen in de beoordeling. Het beroep van eiser is daarom ongegrond.

1.3.

Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en wat de gevolgen van dit oordeel zijn.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft op 27 mei 2023 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 11 december 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat hij niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.

2.2.

Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 20 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. F.S. Fahad als waarnemer van de gemachtigde van eiser en [tolk 1] als tolk. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

2.3.

Op 21 maart 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht om een standpunt in te nemen op de beroepsgronden.

2.4.

Op 17 april 2025 heeft verweerder een standpunt ingenomen op de beroepsgronden. De rechtbank heeft eiser vervolgens gelegenheid gegeven om te reageren op verweerders standpunt.

2.5.

Op 9 mei 2025 heeft eiser gereageerd op verweerders standpunt en aanvullende beroepsgronden ingediend.

2.6.

Op 23 juni 2025 heeft de rechtbank het onderzoek aangehouden in afwachting van een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats over vergelijkbare zaken met betrekking tot aanhangers van de Gülenbeweging.

2.7.

Op 25 november 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats in twee vergelijkbare zaken uitspraak gedaan.

2.8.

Op 9 december 2025 heeft de rechtbank partijen verzocht om, indien gewenst, een standpunt in te nemen op de twee uitspraken van de meervoudige kamer en om aan te geven of zij een nadere zitting wensen.

2.9.

Op 2 januari 2026 heeft eiser een standpunt ingenomen op de twee uitspraken van de meervoudige kamer en aangegeven dat hij een nadere zitting wenst.

2.10.

Op 7 januari 2026 heeft verweerder ook een standpunt ingenomen op de twee uitspraken van de meervoudige kamer.

2.11.

Op 25 februari 2026 heeft eiser aanvullende beroepsgronden ingediend.

2.12.

Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 13 maart 2026 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. F.S. Fahad als waarnemer van de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en [tolk 2] als tolk.

2.13.

Op 26 maart 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en partijen gevraagd om te reageren op de Afdelingsuitspraken van 25 maart 2026 over vergelijkbare zaken met betrekking tot Gülen-aanhangers.

2.14.

Op 2 april 2026 heeft verweerder een standpunt ingenomen op de Afdelingsuitspraken.

2.15.

Op 9 april 2026 heeft ook eiser een standpunt ingenomen op de Afdelingsuitspraken.

2.16.

Op 30 april 2026 heeft de rechtbank eiser gevraagd of zijn huwelijk inmiddels heeft plaatsgevonden. Diezelfde dag heeft eiser bevestigd dat hij op 21 april 2026 voor de wet is getrouwd. Daarbij heeft eiser een kopie van zijn huwelijksakte overgelegd.

2.17.

Op 19 mei 2026 heeft verweerder een standpunt ingenomen over eisers huwelijk.

2.18.

Op 20 mei 2026 heeft eiser op verweerders standpunt gereageerd en een beroep gedaan op het arrest Adrar (Voetnoot 1).

2.19.

Op 5 juni 2026 heeft de rechtbank verweerder verzocht om een standpunt in te nemen op eisers beroep op het arrest Adrar.

2.20.

Op 22 juni 2026 heeft verweerder een standpunt ingenomen op eisers beroep op het arrest Adrar.

2.21.

Diezelfde dag heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [datum] 1994. Hij is Turkije ontvlucht omdat er in Turkije een strafproces tegen hem gaande is, want de Turkse autoriteiten verdenken eiser ervan dat hij lid is van de Gülenbeweging. De Turkse autoriteiten bestempelen leden van de Gülenbeweging als terroristen. Eisers vader is actief geweest binnen de Gülenbeweging en hij is directeur geweest van een Gülenschool. Eiser zelf heeft op een Gülenschool les gehad. Hoewel eiser door de Turkse rechtbank is vrijgesproken, is het Turkse Openbaar Ministerie in cassatie gegaan bij de hoogste Turkse rechter. Eiser werkte voorheen als advocaat, maar in Turkije kan hij zijn werk niet meer doen. Als hij terugkeert naar Turkije, dan is hij bang dat hij in de gevangenis zal belanden.

Het bestreden besluit

4. Volgens verweerder bestaat eisers relaas uit de volgende asielmotieven:

1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst

2. Eisers problemen wegens betrokkenheid met de Gülenbeweging

4.1.

Verweerder gelooft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. Eisers problemen wegens betrokkenheid met de Gülenbeweging gelooft verweerder echter niet. Op grond van het Algemeen ambtsbericht over Turkije van 2023 vallen Gülen-aanhangers onder een risicoprofiel, maar geldt er daarbij een individualiseringsvereiste. Eiser heeft niet voldaan aan het individualiseringsvereiste. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hoewel eiser documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij is vrijgesproken van betrokkenheid met de Gülenbeweging, eiser geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat het Turkse Openbaar Ministerie in cassatie is gegaan. Eiser voldoet daarmee niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Vanwege de door eiser overgelegde documenten over zijn vrijspraak van betrokkenheid met de Gülenbeweging gelooft verweerder wel dat eiser sympathisant is van het Gülenisme, maar niet dat de Turkse autoriteiten hem bestempelen als terrorist. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, omdat eiser wisselend verklaard heeft over de strafzaak. Eiser voldoet daarom ook niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiser heeft immers een jaar lang illegaal in Nederland verbleven voordat hij asiel aanvroeg. Om die reden voldoet eiser ook niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw.

4.2.

Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser met de enkele stelling dat hij graag bij zijn ouders wil wonen, niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM. (Voetnoot 2)

4.3.

Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Daarbij heeft verweerder eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser moet Nederland binnen vier weken verlaten.

Heeft verweerder eisers problemen wegens betrokkenheid met de Gülenbeweging terecht ongeloofwaardig gevonden?

5. Eiser voert aan dat verweerder eisers problemen vanwege zijn betrokkenheid met de Gülenbeweging niet ongeloofwaardig mocht vinden. De beleidswijziging per 1 december 2023, waarmee er een strengere toets voor Gülen-aanhangers wordt gehanteerd, mocht verweerder niet op eiser toepassen. Eiser heeft zijn asielaanvraag immers ingediend voordat het nieuwe beleid bekend werd gemaakt. Bovendien is deze beleidswijziging volgens eiser onrechtmatig. Ook de beleidswijziging per 1 juli 2024, waarbij Gülen-aanhangers niet meer aangemerkt worden als risicogroep maar als risicoprofiel, vindt eiser onrechtmatig. Eiser kan zich derhalve niet verenigen met de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 november 2025, waarin is geoordeeld dat de beleidswijzigingen wel rechtmatig zijn. (Voetnoot 3) Eiser beroept zich onder andere op het Algemeen ambtsbericht over Turkije van 2025, waaruit blijkt dat alle (vermeende) aanhangers van de Gülenbeweging in Turkije nog steeds worden vervolgd en waaruit blijkt dat zij geen onafhankelijke, effectieve rechtsbescherming krijgen. Ook wijst eiser op een rapport van de Finse migratiediensten (Voetnoot 4), waaruit volgens hem blijkt dat er geen afname is van de intensiteit van de vervolgingen. Verder voert eiser aan dat hijzelf strafrechtelijk is vervolgd vanwege zijn betrokkenheid met de Gülenbeweging. Dit is een indicatie dat hij in de toekomst weer vervolgd kan worden. Op dit moment wordt eiser bovendien nog steeds vervolgd, omdat het Turkse Openbaar Ministerie in cassatie is gegaan tegen zijn vrijspraak. Hier kwam eiser achter toen hij was aangekomen in Nederland. Eiser kan geen officieel document overleggen over de cassatie, omdat hij sinds dat hij in Nederland is geen toegang meer heeft tot het Turkse systeem UYAP. Ook heeft hij geen advocaat die hem hierbij wil helpen, omdat Turkse advocaten uit vrees voor de Turkse overheid geen hulp willen bieden aan vermeende Gülen-aanhangers. Eiser verwijst in dit kader naar het Algemeen ambtsbericht over Turkije van 2023. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder bij zijn beoordeling geen gebruik mocht maken van Werkinstructie 2024/6, omdat deze werkinstructie in strijd is met het Unierecht. Eiser verwijst onder meer naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 7 januari 2025, waarbij de rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie over de werkinstructie. (Voetnoot 5)

5.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 25 november 2025 duidelijk uitgelegd waarom de twee beleidswijzigingen van verweerder aanvaardbaar zijn. De meervoudige kamer heeft de ambtsberichten over Turkije van 2023 en 2025 en het rapport van de Finse migratiediensten bij dit oordeel betrokken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. De enkele omstandigheid dat eiser door toepassing van nieuw recht mogelijk in een ongunstige positie komt, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar haar uitspraken van 25 november 2025. Bovendien heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 25 maart 2026 uitspraak gedaan in vergelijkbare zaken over Gülen-aanhangers en geoordeeld dat verweerder aan de hand van het ambtsbericht van 2023 redelijkerwijs tot zijn beleidswijziging heeft kunnen komen. (Voetnoot 6)

5.2.

Ten aanzien van eisers individuele omstandigheden overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat als het Turkse Openbaar Ministerie in cassatie is gegaan tegen eisers vrijspraak, hij nu nog steeds wordt vervolgd. De rechtbank is echter van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Turkse Openbaar Ministerie daadwerkelijk cassatie heeft ingesteld tegen eisers vrijspraak. Eiser heeft in dit kader stukken overgelegd, maar deze stukken zijn niet vertaald. Uit deze stukken kan de rechtbank daarom niet afleiden dat er cassatie is ingesteld. Hoewel eiser naar het oordeel van de rechtbank uitgebreid en aannemelijk heeft verklaard over waarom hij geen officieel document over de cassatie uit het systeem UYAP kan halen, heeft hij niet onderbouwd dat hij heeft geprobeerd om zo’n document via een advocaat te bemachtigen. Voorts overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat eiser eerder vervolgd is, onvoldoende is om aan te nemen dat hij nu nog steeds kan worden vervolgd. Eiser is immers vrijgesproken. Dat eiser op een Gülenschool heeft gezeten, is ook onvoldoende om aan te nemen dat hij kan worden vervolgd. Daarbij overweegt de rechtbank dat het feit dat eisers vader directeur was van een Gülenschool, niet betekent dat eiser gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege de Turkse autoriteiten. Verweerder mocht tegenwerpen dat dit volgens landeninformatie (Voetnoot 7) wel geldt voor familieleden van hooggeplaatste Gülenisten, maar dat eisers vader dat niet is. De rechtbank verwijst ook in dit kader naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. (Voetnoot 8)

5.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dus terecht gesteld dat eisers problemen vanwege zijn betrokkenheid met de Gülenbeweging ongeloofwaardig zijn.

5.4.

Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat Werkinstructie 2024/6 in strijd is met het Unierecht, volgt de rechtbank eiser niet. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 maart 2025. (Voetnoot 9) Dat zittingsplaats Roermond besloten heeft prejudiciële vragen te stellen over de geloofwaardigheidsbeoordeling, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

Heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning?

6. Eiser voert aan dat verweerder hem een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het EVRM had moeten geven. Hiervoor geeft eiser twee argumenten. Allereerst voert eiser aan dat zijn ouders rechtmatig verblijf in Nederland hebben. Eiser heeft bij zijn ouders gewoond tot op het moment dat zijn ouders Turkije moesten ontvluchten. Daarnaast heeft eiser traumatische ervaringen opgedaan in Turkije. Volgens eiser is daarom sprake van een afhankelijkheid tussen hem en zijn ouders die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Ten tweede voert eiser aan dat hij binnenkort voor de wet gaat trouwen. Zijn huwelijkspartner heeft ook de Turkse nationaliteit en heeft op 12 november 2025 een asielvergunning gekregen. Om deze reden bestaat er een objectieve belemmering om het gezinsleven in Turkije te voeren. Om dit te onderbouwen heeft eiser in de beroepsfase een kopie van de asielbeschikking van zijn huwelijkspartner overgelegd. Ook heeft hij een kopie van de planning en foto’s overgelegd van de traditionele bruiloft, die heeft plaatsgevonden op 1 september 2024. Tevens heeft eiser een kopie van de uitnodiging voor hun traditionele huwelijk overgelegd. Een uur voor de zitting van 13 maart 2026 heeft eiser een bonnetje overgelegd van de betaling van het huwelijkspakket en het trouwboekje. Daarbij heeft hij een bevestiging overgelegd van de reservering van het wettelijk huwelijk bij de gemeente Haarlem, gedateerd van 12 maart 2026. Op 30 april 2026 heeft eiser bevestigd dat het huwelijk op 21 april 2026 heeft plaatsgevonden. Hij heeft ter onderbouwing hiervan een kopie van de huwelijksakte overgelegd.

6.1.

De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Allereerst is de rechtbank van oordeel dat eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat de afhankelijkheid tussen hem en zijn ouders de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Eiser heeft überhaupt niet onderbouwd dat er sprake is van gezinsleven tussen hem en zijn ouders. De rechtbank volgt eiser hierin dus niet.

6.2.

Daarnaast stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiser zijn voorgenomen huwelijk niet eerder heeft aangevoerd dan met de aanvullende beroepsgronden van 2 januari 2026. Daarom heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat dit ten tijde van het bestreden besluit niet kon worden meegenomen in de beoordeling. In zijn schriftelijke reactie van 19 mei 2026 op de door eiser overgelegde huwelijksakte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de ambtshalve toets aan artikel 8 van het EVRM alleen plaatsvindt bij de afwijzing van de eerste asielaanvraag die is ingediend binnen zes maanden na binnenkomst in Nederland. Nu eiser zijn asielaanvraag niet binnen zes maanden heeft ingediend, kan verweerder eisers stelling dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Turkije uit te oefenen, niet in deze procedure beoordelen. De rechtbank volgt verweerder. Anders dan eiser stelt, is de omstandigheid dat de asielaanvraag is ingediend na zes maanden na binnenkomst om een Dublinprocedure te voorkomen, wel degelijk van belang. Dit volgt uit artikel 3.6a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Verder oordeelt de rechtbank dat eisers beroep op het arrest Adrar (Voetnoot 10) niet slaagt. In dit kader overweegt de rechtbank dat de verklaring voor recht in dit arrest uitsluitend ziet op de omvang van de verplichtingen van de bewaringsrechter om te controleren of het eerder vastgestelde terugkeerbesluit dat ten grondslag ligt aan de maatregel die ter fine van verwijdering is opgelegd, kan worden uitgevoerd. Een dergelijke rechtsvraag ligt hier niet voor.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.

7.1.

Nu de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe dan ook af.

7.2.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor wat betreft het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.

Voetnoot 2

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Voetnoot 3

ECLI:NL:RBDHA:2025:23344 en ECLI:NL:RBDHA:2025:23341.

Voetnoot 4

Finish Immigration Service, Turkey, Individuals associated with the Gülen movement, The Finnish Immigration Service’s fact-finding mission to Ankara and Istanbul 2-6 October 2023, June 2024.

Voetnoot 5

ECLI:NL:RBDHA:2025:136.

Voetnoot 6

ECLI:NL:RVS:2026:1607, ECLI:NL:RVS:2026:1743 en ECLI:NL:RVS:2026:1739.

Voetnoot 7

Algemeen Ambtsbericht over Turkije van 2025, pagina 52.

Voetnoot 8

ECLI:NL:RBDHA:2025:23344, onder 12 e.v.

Voetnoot 9

ECLI:NL:RBDHA:2025:3440.

Voetnoot 10

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.