Rechtbank Den Haag, voorlopige voorziening+bodemzaak vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:26069

Op 8 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een voorlopige voorziening+bodemzaak procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.5175 & NL26.5176, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:26069.

Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.5175 & NL26.5176
Datum uitspraak:
8 April 2026
Datum publicatie:
9 September 2026

Indicatie

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft in de geloofwaardigheidsbeoordeling onvoldoende kenbaar rekening gehouden met het referentiekader van eiser en onvoldoende gemotiveerd dat van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich in Mogadishu vestigt. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte de Country Guidance Somalia niet betrokken in de beoordeling van eisers asielaanvraag en onvoldoende gemotiveerd waarom het landgebonden beleid in het geval van eiser leidend moet zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder evenmin deugdelijk gemotiveerd dat hij aan de onderzoeksplicht heeft voldaan en voortvarend heeft gehandeld in het onderzoek naar adequate opvang ten tijde van eisers minderjarigheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.5175 (beroep) en NL26.5176 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. A. Berends),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. (Voetnoot 1) Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Eiser krijgt dus gelijk. Verweerder heeft in de geloofwaardigheidsbeoordeling onvoldoende kenbaar rekening gehouden met het referentiekader van eiser en onvoldoende gemotiveerd dat van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich in Mogadishu vestigt. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte de Country Guidance Somalia niet betrokken in de beoordeling van eisers asielaanvraag en onvoldoende gemotiveerd waarom het landgebonden beleid in het geval van eiser leidend moet zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder evenmin deugdelijk gemotiveerd dat hij aan de onderzoeksplicht heeft voldaan en voortvarend heeft gehandeld in het onderzoek naar adequate opvang ten tijde van eisers minderjarigheid. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 januari 2026 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

Het beroep en de voorlopige voorziening zijn op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, de heer [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [datum 1] 2008. Eiser staat in Italië geregistreerd onder de naam [naam] , met als geboortedatum [datum 2] 2004. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij problemen heeft met Al-Shabaab. Eiser woonde in Ceel Lahelay, wat in handen is van Al-Shabaab. Eiser stelt dat zijn vader werkzaam was bij de Somalische overheid en dat zijn vader hem, op zijn verzoek, een mobiele telefoon heeft gegeven. Op die mobiele telefoon stond een foto van zijn vader in uniform, die eiser aan zijn vrienden heeft laten zien. Zij hebben dit vervolgens bij Al-Shabaab gemeld. Naar aanleiding hiervan heeft Al-Shabaab eiser opgepakt, mishandeld en vanuit Ceel Lahelay meegevoerd naar Mogadishu. Eiser stelt dat Al-Shabaab meende dat hij een informant was en dat hij het tegendeel moest bewijzen door zijn vader te vermoorden. Eiser heeft in Mogadishu zijn vader geïnformeerd over de problemen met Al-Shabaab, waarna zijn vader met zijn collega’s heeft ingegrepen tijdens een ontmoeting tussen eiser en Al-Shabaab. Naar aanleiding daarvan heeft eisers vader telefonisch bedreigingen ontvangen en besloten dat het voor eiser niet meer veilig was in Somalië, waarna eiser is gevlucht. Volgens eiser is zijn vader inmiddels overleden. Eiser vreest voor problemen met Al-Shabaab bij terugkeer naar Somalië.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

Identiteit, nationaliteit en herkomst

Problemen met Al-Shabaab.

4.1.

Verweerder acht eisers nationaliteit geloofwaardig, maar zijn identiteit en herkomst niet. Eiser heeft volgens verweerder namelijk niet voldaan aan artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw, omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser staat in Italië geregistreerd onder andere gegevens, waarover hij heeft verklaard deze niet afgegeven te hebben. Ten aanzien van eisers herkomst heeft verweerder overwogen dat eiser bij de AVIM (Voetnoot 2) en in zijn aanmeldgehoren heeft verklaard dat hij in Mogadishu is geboren, maar in de correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor en in het nader gehoor stelt te zijn geboren in Ceel Lahelay. Daarnaast kan eiser volgens verweerder in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw. Verweerder heeft de problemen met Al-Shabaab eveneens ongeloofwaardig geacht, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eisers verklaringen over de werkzaamheden van zijn vader en de mobiele telefoon acht verweerder ongerijmd. Eiser heeft volgens verweerder inconsistent verklaard over de tijdlijn, en zijn verklaringen over Al-Shabaab acht verweerder vaag en ongerijmd.

4.2.

De geloofwaardig geachte elementen leiden volgens verweerder niet tot vluchtelingschap of de vaststelling dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt. Daarnaast is volgens verweerder sprake van een vestigingsalternatief in Mogadishu, ondanks het feit dat eiser langdurig in Ceel Lahelay heeft gewoond. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er in Mogadishu sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen die maken dat hij een verhoogd risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c en e, van de Vw, omdat eiser verweerder heeft misleid over zijn identiteit. Verder heeft verweerder geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van het buitenschuldbeleid (hierna: buitenschuldvergunning) voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen, omdat verweerder het onderzoek naar adequate opvang niet heeft kunnen afronden gedurende eisers minderjarigheid. Eiser heeft het onderzoek volgens verweerder gefrustreerd door wisselende verklaringen af te leggen over zijn identiteit en geboorteplaats. Verweerder heeft aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod van twee jaar.

Heeft verweerder het referentiekader kenbaar betrokken?

5. Eiser stelt dat verweerder het referentiekader ten onrechte niet kenbaar heeft vastgesteld en betrokken. Verweerder heeft volgens eiser onvoldoende duidelijk gemaakt met welke feiten en omstandigheden rekening is gehouden, waardoor niet inzichtelijk is van welk referentiekader verweerder is uitgegaan. Eiser voert aan dat het referentiekader van belang is voor de beoordeling van de vraag of zijn verklaringen een aannemelijk geheel vormen. Volgens eiser is in die beoordeling onder meer zijn leeftijd, geslacht, opleiding, herkomst en cultuur van belang. Daarnaast stelt eiser dat hij traumatische ervaringen heeft meegemaakt in Somalië en Libië die van invloed zijn op zijn vermogen om te verklaren.

5.1.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank overweegt dat uit het besluit dient te volgen welke elementen een rol spelen in het referentiekader, en dat het referentiekader vervolgens kenbaar is betrokken in de beoordeling van eisers asielaanvraag. (Voetnoot 3) De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de geloofwaardigheidsbeoordeling onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. In het bestreden besluit is alleen vermeld dat eiser niets is tegengeworpen wat gelet op zijn leeftijd, ontwikkelingsniveau of achtergrond niet redelijk zou zijn. Daarmee is niet inzichtelijk op welke wijze verweerder de minderjarigheid van eiser, zowel ten tijde van zijn vertrek uit Somalië als ten tijde van het gehoor, als ook zijn achtergrond en opleidingsniveau, heeft meegewogen bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Zonder nadere motivering vanuit verweerder valt voor de rechtbank niet in te zien dat van een minderjarige kan worden verwacht dat hij over de werkzaamheden van zijn vader, het gebruik van zijn telefoon en de problemen met Al-Shabaab anders verklaart dan hij heeft gedaan.

5.2.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, waarbij eisers referentiekader kenbaar wordt vastgesteld en betrokken in de beoordeling van zijn verklaringen. Verweerder moet daarbij rekening houden met de elementen die eiser zelf heeft genoemd, waaronder ook zijn psychische toestand en gestelde ervaringen in Somalië en Libië. De rechtbank ziet geen aanleiding om de beroepsgronden die zien op de tegenwerpingen ten aanzien van eisers verklaringen over de werkzaamheden van vader, het gebruik van zijn telefoon en de problemen met Al-Shabaab nu verder te bespreken, omdat ook voor de bespreking daarvan het referentiekader relevant is.

Heeft verweerder Mogadishu kunnen tegenwerpen als binnenlandsvestigingsalternatief?

6. Eiser voert aan dat het in zijn geval niet redelijk is om Mogadishu als vestigingsalternatief tegen te werpen. Uit landeninformatie blijkt volgens eiser dat er in Mogadishu sprake is van een hoge mate van willekeurig geweld. Eiser verwijst in dat kader naar de EUAA Country Guidance Somalia van oktober 2025, (Voetnoot 4) waaruit volgt dat de mate van willekeurig geweld een hoog niveau heeft bereikt in Mogadishu. Daarom zijn er minder individuele omstandigheden vereist om het reëel risico op ernstige schade aannemelijk te maken. Eiser stelt dat niet alleen de aanwezigheid van Al-Shabaab en de door hen uitgevoerde aanvallen relevant zijn, maar ook de mensenrechtenschendingen die worden veroorzaakt door ‘gangs’. Eiser verwijst ook naar de brief van VluchtelingenWerk Nederland van 10 november 2025 over de veiligheidssituatie in Mogadishu en de aanwezigheid van Al-Shabaab. Volgens eiser gaat verweerder er ten onrechte van uit dat het landgebonden beleid leidend is. Eiser stelt dat verweerder ambtshalve bij de beoordeling van een asielaanvraag nauwkeurige en actuele informatie dient te verzamelen over relevante feiten betreffende de situatie in Somalië. Volgens eiser had verweerder dit in zijn geval vooral moeten doen, omdat de Country Guidance Somalia van oktober 2025 dateert van na Wijzingingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/16, waarin het landgebonden beleid ten aanzien van Somalië is gewijzigd. Daarnaast volgt uit de Country Guidance Somalia dat een binnenlands beschermingsalternatief in Mogadishu alleen in uitzonderlijke gevallen redelijk is, zoals bij alleenstaande valide mannen en gehuwde paren zonder kinderen en/of zonder bijkomende kwetsbaarheden, die behoren tot een meerderheid of een dominante stam in het gebied van vestiging, die een opleiding en beroepsachtergrond hebben die de toegang tot werk vergemakkelijkt, of die beschikken over een ondersteunend netwerk dat hen kan en wil helpen bij het verkrijgen van basisvoorzieningen. (Voetnoot 5) Eiser stelt dat hij geen opleiding heeft die de toegang tot werk vergemakkelijkt en ook niet beschikt over een ondersteunend netwerk dat hem kan en wil helpen bij het verkrijgen van basisvoorzieningen, waardoor niet voldaan is aan de hiervoor genoemde voorwaarden.

6.1.

Deze beroepsgrond slaagt ook. De rechtbank constateert dat de mate van willekeurig geweld, waarvan in het landgebonden beleid ten aanzien van Somalië (Voetnoot 6) wordt uitgegaan, niet overeenkomt met de door de EUAA vastgestelde mate van willekeurig geweld. Verweerder gaat in het landgebonden beleid uit van de laagste gradatie van willekeurig geweld in Mogadishu, terwijl uit de Country Guidance Somalia van de EUAA volgt dat er in Mogadishu sprake is van een hogere mate van willekeurig geweld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante landeninformatie bij de beoordeling van eisers asielaanvraag moet betrekken, en dus ook de Country Guidance Somalia. Het standpunt van verweerder dat het landgebonden beleid leidend is, kan alleen daarom al niet worden gevolgd. Daarbij overweegt de rechtbank dat de Country Guidance Somalia dateert van na het landgebonden beleid en verweerder moet uitgaan van de meest actuele informatie die voor eiser relevant is. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat nog steeds kan worden uitgegaan van een lagere mate van willekeurig geweld, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van 29 januari 2026. (Voetnoot 7) De rechtbank overweegt dat deze verwijzing geen doel treft nu in deze uitspraak niet duidelijk wordt dat de Country Guidance Somalia is betrokken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder ten onrechte de informatie uit de Country Guidance Somalia niet heeft betrokken in de beoordeling van eisers asielaanvraag en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het landgebonden beleid ook in het geval van eiser leidend moet zijn.

6.2.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat van eiser redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich in Mogadishu vestigt. Verweerder heeft in het bestreden besluit vermeld dat eiser een gezonde jonge man is, dat hij geboren is in Mogadishu, dat hij tot een meerderheidsstam behoort, de Somalische taal spreekt en in Mogadishu heeft verbleven. De rechtbank is van oordeel dat hieruit onvoldoende volgt dat eiser zich redelijkerwijs in Mogadishu kan vestigen, nu hierbij niet de in overweging 6 genoemde voorwaarden volgens de Country Guidance Somalië 2025 zijn meegewogen. Het besluit is daarom ook op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

Heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat het onderzoek naar adequate opvang voortvarend is verricht?

7. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het onderzoek naar adequate opvang gedurende eisers minderjarigheid niet kon worden afgerond, omdat eiser het onderzoek zou hebben gefrustreerd door ongeloofwaardige verklaringen af te leggen over zijn identiteit en geboorteplaats. Eiser stelt dat verweerder meer onderzoek had kunnen en moeten verrichten gedurende zijn minderjarigheid. Volgens eiser is dit van belang voor de vraag of hij met terugwerkende kracht in aanmerking komt voor een buitenschuldvergunning. In dat kader voert eiser aan dat verweerder ruim twee jaar de tijd heeft gehad om onderzoek te doen naar adequate opvang, en dat verweerders onderzoek in die periode enkel bestond uit het stellen van herkomst- en identiteitsvragen aan eiser en het opvragen van informatie bij de Italiaanse autoriteiten over eisers registratie daar. Verweerder heeft volgens eiser het onderzoek niet voortgezet aan de hand van deze bevindingen. Daarbij betwist eiser dat het onderzoek pas kon aanvangen na de afwijzing van de asielaanvraag. Eiser stelt dat het begrijpelijk is dat verweerder eerst in kaart wil krijgen voor welke partijen eiser heeft te vrezen alvorens deze benaderd worden, maar dat vanaf de aanmeldgehoren, en zeker na het nader gehoor al duidelijk was dat eiser niet heeft te vrezen voor personen die adequate opvang zouden moeten verlenen. Hierdoor heeft verweerder niet voortvarend gehandeld in het onderzoek naar adequate opvang, wat niet voor het risico van eiser dient te komen.

8. Deze beroepsgrond slaagt eveneens. De rechtbank overweegt dat een alleenstaande minderjarige vreemdeling (hierna: amv) in aanmerking kan komen voor een buitenschuldvergunning als de vreemdeling alleenstaand is, (nog) minderjarig is en als er in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naartoe kan gaan, geen adequate opvang aanwezig is. (Voetnoot 8) Uit het arrest T.Q. van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Voetnoot 9) en de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022 (Voetnoot 10) volgt dat verweerder verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een amv te onderzoeken of terugkeer naar onder andere familie, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer mogelijk is. Uit de voornoemde Afdelingsuitspraken volgt ook dat verweerder, op het moment dat een amv meerderjarig is geworden, niet langer is gehouden om te onderzoeken of adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is, mits verweerder gedurende de minderjarigheid van de vreemdeling voortvarend aan dat onderzoek heeft gewerkt.

8.1.

Niet in geschil is dat eiser alleenstaand is en inmiddels meerderjarig is geworden, maar op het moment van het indienen van zijn asielaanvraag minderjarig was. Ook staat vast dat verweerder het onderzoek naar adequate opvang gedurende eisers minderjarigheid niet heeft afgerond. Uit de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2023 (Voetnoot 11) volgt dat het aan verweerder is om in het concrete geval aannemelijk te maken dat er gedurende de minderjarigheid van eiser voortvarend aan het onderzoek naar adequate opvang is gewerkt. Verweerder moet in het besluit inzichtelijk maken welke stappen in die periode zijn ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. De rechtbank constateert dat uit het bestreden besluit volgt dat verweerder in het kader van de onderzoeksplicht eiser in het aanmeld- en nader gehoor vragen heeft gesteld over zijn identiteit en herkomst. Daarnaast blijkt uit het bestreden besluit dat verweerder zich op het standpunt stelt dat verder onderzoek door de Dienst Terugkeer & Vertrek pas mogelijk is na het besluit op de asielaanvraag en dat eiser het onderzoek heeft gefrustreerd door de wisselende verklaringen over zijn geboorteplaats en de afwijkende registratie van zijn persoonsgegevens in Italië.

8.2.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat verder onderzoek pas kon worden verricht na een beslissing in de asielprocedure niet. Uit de Afdelingsuitspraken van 8 juni 2022 (Voetnoot 12) volgt immers dat het onderzoek naar adequate opvang zo snel mogelijk moet aanvangen. Verweerder moet zo spoedig mogelijk nadat de asielaanvraag is ingediend beginnen met het opsporen van gezinsleden. Daarbij moet verweerder wel waarborgen dat de veiligheid van gezinsleden en de amv niet in gevaar wordt gebracht. De rechtbank ziet in het geval van eiser niet in dat verweerder geen andere onderzoeksmethoden voorhanden had dan het benaderen van de Somalische autoriteiten. Eiser heeft immers verklaringen afgelegd die aanknopingspunten bevatten voor nader onderzoek, zoals zijn verklaringen over familieleden. De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit onvoldoende volgt waarom verweerder gedurende eisers minderjarigheid geen familieleden van eiser heeft kunnen opsporen.

8.3.

Verder overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het onderzoek naar adequate opvang een gedeelde verantwoordelijkheid tussen eiser en verweerder betreft, gelet op de Afdelingsuitspraak van 21 juli 2025. (Voetnoot 13) Eiser moet actief en volledig meewerken aan het onderzoek, maar naar het oordeel van rechtbank blijkt daaruit niet dat verweerder kan volstaan met de vaststelling dat eiser het onderzoek heeft gefrustreerd. Uit de Afdelingsuitspraak van 9 januari 2026 (Voetnoot 14) volgt immers dat moet worden gemotiveerd in hoeverre verweerder daardoor in zijn onderzoeksmogelijkheden is belemmerd. De rechtbank leidt daaruit af dat verweerder had moeten motiveren in hoeverre het feit dat eiser onder andere gegevens stond geregistreerd en wisselend heeft verklaard over zijn geboorteplaats, verweerder daadwerkelijk heeft belemmerd in zijn onderzoeksmogelijkheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dat onvoldoende gedaan.

8.4.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn standpunt, dat hij aan de onderzoeksplicht heeft voldaan en voortvarend heeft gehandeld in het onderzoek naar adequate opvang ten tijde van eisers minderjarigheid, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Verweerder dient dit alsnog toereikend te motiveren dan wel zijn standpunt te herzien, en te beoordelen welke gevolgen dit heeft voor eisers verblijfstatus en voor het opgelegde terugkeerbesluit. (Voetnoot 15)

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Verweerder heeft de aanvraag van eiser ten onrechte afgewezen. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

9.1.

Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

9.2.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802, - omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoekschrift heeft ingediend voor het verzoek om een voorlopige voorziening en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 22 januari 2026;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868, - aan proceskosten aan eiser.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder tot een betaling van € 934,- aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.E.L. Grooten, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aden, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.

Voetnoot 3

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622.

Voetnoot 4

EUAA Country Guidance Somalia van oktober 2025, p. 88.

Voetnoot 5

EUAA Country Guidance Somalia van oktober 2025, p. 114.

Voetnoot 6

Paragraaf C7/30.4.2. van de Vreemdelingencirculaire.

Voetnoot 7

ECLI:NL:RBDHA:2026:1390.

Voetnoot 8

Artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit en paragraaf B8/6 van de Vreemdelingencirculaire.

Voetnoot 9

T.Q. tegen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, zaaknummer C-441/19, ECLI:EU:C:2021:9.

Voetnoot 10

ECLI:NL:RVS:2022:1531, ECLI:NL:RVS:2022:153 en ECLI:NL:RVS:2022:1532.

Voetnoot 11

ECLI:NL:RVS:2023:2670, ro.16.

Voetnoot 12

ECLI:NL:RVS:2022:1531, ro.3.4, ECLI:NL:RVS:2022:153, ro.14.1 en ECLI:NL:RVS:2022:1532, ro.5.

Voetnoot 13

ECLI:NL:RVS:2025:3331, ro.4.

Voetnoot 14

ECLI:NL:RVS:2026:119, ro.4.1.

Voetnoot 15

ECLI:NL:RVS:2026:119, ro.6.