Rechtbank Den Haag, voorlopige voorziening+bodemzaak vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:7338

Op 12 January 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een voorlopige voorziening+bodemzaak procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.38976, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:7338.

Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.38976
Datum uitspraak:
12 January 2026
Datum publicatie:
1 April 2026

Indicatie

Asiel Bangladesh, beroep ongegrond. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen van eiser vanwege zijn politieke activiteiten ongeloofwaardig heeft mogen vinden. De rechtbank stelt hierbij een motiveringsgebrek vast, omdat verweerder pas in het verweerschrift een aanvullende motivering heeft gegeven op de documenten die eiser heeft overgelegd. De rechtbank passeert dit gebrek, omdat de motivering is gebaseerd op een verklaring van onderzoek die al voor het bestreden besluit bij eiser bekend was.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.38976 (beroep) en NL25.38977 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser/verzoeker] , V-nummer: [nummer] , eiser/verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Sewnath),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen van eiser vanwege zijn politieke activiteiten ongeloofwaardig heeft mogen vinden. De rechtbank stelt hierbij een motiveringsgebrek vast, omdat verweerder pas in het verweerschrift een aanvullende motivering heeft gegeven op de documenten die eiser heeft overgelegd. De rechtbank passeert dit gebrek, omdat de motivering is gebaseerd op een verklaring van onderzoek die al voor het bestreden besluit bij eiser bekend was. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft op 16 mei 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verzoeker heeft verzocht verweerder te verbieden hem uit te zetten tot op zijn beroep is beslist.

2.2.

De rechtbank heeft de behandeling van het beroep op 13 november 2025 op zitting aangehouden. De behandeling van het beroep is voortgezet op 23 december 2025. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Bengaalse nationaliteit en is geboren op [datum] 2002. In het dorp van eiser is een comité opgericht voor de BNP (Voetnoot 1). Eiser is sympathisant van de BNP. Hij werd in mei 2020 secretaris van het BNP comité in zijn dorp. Eiser kreeg toen problemen met [naam] , de secretaris van de Awami League. In 2021 is [naam] voorzitter geworden, waarna de problemen tussen hem en eiser erger zijn geworden. In mei 2022 was er een bijeenkomst waarbij de partij van eiser werd aangevallen door [naam] en de Awami League. Eiser heeft hierover een klacht ingediend bij het Awami kantoor. De Awami League heeft als tegenreactie op de klacht op 7 juni 2022 de winkel van eiser en zijn vader vernietigd. Eiser is hierbij geslagen en het been van zijn vader is gebroken. Hiervan heeft eiser aangifte gedaan. De dag erna zijn eiser en andere leden van de BNP gepakt en geslagen door [naam] op de markt van het dorp. Op 12 juni 2022 was er nog een incident waarbij eiser is mishandeld. Eiser is gevlucht naar Chittagong, maar ook hier werd hij gevonden en is hij aangevallen door leden van de Awami League. Hij wilde Bangladesh niet verlaten, maar de familie van eiser heeft uiteindelijk het besluit voor hem genomen. Eiser vreest bij terugkeer naar Bangladesh gedood te worden.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

nationaliteit, identiteit en herkomst;

problemen vanwege politieke activiteiten.

Verweerder vindt het eerste asielmotief geloofwaardig en het tweede asielmotief niet geloofwaardig. Eiser heeft het tweede asielmotief niet geloofwaardig niet met documenten onderbouwd. Ook vindt verweerder de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vanwege verschillende tegenstrijdigheden. Verweerder wijst de asielaanvraag van eiser daarom af als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d en e van de Vw.

Heeft verweerder de problemen vanwege zijn politieke activiteiten ongeloofwaardig kunnen vinden?

5. Eiser voert aan dat hij gedetailleerd en consistent heeft verklaard over zijn activiteiten voor BNP en de problemen die hij daardoor heeft ondervonden met de leden van de Awami League. Hij heeft originele documenten overgelegd, zoals schriftelijke verklaringen en aangiften van 7 en 8 juni 2022. Ook heeft eiser medische bewijsstukken van het ziekenhuis overgelegd, te weten een medisch attest van het ziekenhuis waar hij van 8 tot 12 juni is behandeld. Daarnaast heeft eiser foto's en ander bewijsmateriaal overgelegd.. Verweerder stelt ten onrechte dat eiser geen documenten heeft overgelegd die het asielrelaas onderbouwen. Daarbij komt dat kopieën ook als ondersteunend bewijs kunnen dienen. Eiser wijst in dit verband op artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn. Wat betreft zijn verklaringen, voert eiser aan dat verweerder in zijn beoordeling hiervan voorbijgaat aan zijn psychische gemoedstoestand. Eiser is getraumatiseerd en ervaart zeer veel stress bij het verklaren over zijn asielrelaas. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder de tegenstrijdigheden niet zonder meer kan tegenwerpen. Eiser begrijpt dat de chronologie van zijn relaas complex is, maar daarmee is deze niet tegenstrijdig. Ook heeft eiser verder uitgewerkt wat in Chittagong is gebeurd. Politieke partijen in Bangladesh houden hun opposanten, ook op grote afstand, in de gaten. Verweerder heeft niets concreets tegen de verklaringen van eiser over de gebeurtenissen in Chittagong ingebracht, behalve een algemeen vermoeden van onwaarschijnlijkheid. Ook heeft eiser uitgelegd hoe het misverstand over het aantal personen dat hem in Chittagong heeft aangevallen heeft kunnen ontstaan. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder hem niet zonder meer heeft kunnen tegenwerpen dat hij tegenstrijdig zou hebben verklaard over zijn uitreis en de periode in Zuid-Afrika. Dit was voor eiser extreem stressvol en zijn eerste prioriteit bij aankomst in Nederland was bescherming vragen, waardoor hij niet gelijk durfde te vertellen over zijn ervaringen in Zuid-Afrika.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de problemen van eiser vanwege zijn politieke activiteiten ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Documenten
6.1.

Voor zover eiser stelt dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek omdat verweerder eerst in het verweerschrift ingaat op de overgelegde documenten en eiser daarop pas in beroep kon reageren, overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting is duidelijk geworden dat het lidmaatschap van de BNP van eiser niet langer in geschil is. Verweerder heeft daarnaast erkend dat over de documenten die eiser heeft overgelegd summier is gemotiveerd in de besluitvorming. In het verweerschrift van 7 november 2025 is verweerder daarom meer gemotiveerd ingegaan op de foto’s, medische documenten van eiser en zijn vader, aangiftes, de diploma’s en studentenpas van eiser, de geboorteakte, het kopie van het paspoort van eiser en Indiaas visum. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat verweerder deze toelichting in het bestreden besluit had moeten geven en dat dit onzorgvuldig is. De rechtbank zal dit zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek echter passeren met de toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat aannemelijk is dat eiser door dit gebrek niet is benadeeld. De rechtbank acht daarbij van belang dat het verweerschrift is gebaseerd op een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten van 25 juli 2025 van de door eiser overgelegde documenten. Deze verklaring van onderzoek was bij eiser al bekend voordat verweerder het bestreden besluit heeft genomen. Eiser had hierop kunnen reageren. Tenslotte constateert de rechtbank dat, anders dan eiser stelt, verweerder gemotiveerd is ingegaan op de kopieën van de aangiftes. (Voetnoot 2) Zo stelt verweerder zich op het standpunt dat in de aangifte van 7 juni 2022 is vermeld dat eiser 24 jaar oud is, hetgeen verder afbreuk doet aan de waarde van het document omdat eiser tijdens het nader gehoor van 26 mei 2024 stelt 23 jaar oud te zijn. De enkele stelling dat zijn leeftijd vermoedelijk verkeerd is genoteerd op de aangifte, heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat deze kopie niet kan dienen als ondersteuning van zijn asielrelaas.

Psychische belasting

6.2.

Ten aanzien van de gestelde psychische belasting overweegt de rechtbank als volgt. Eiser is voorafgaand aan zijn nader gehoor van 26 mei 2024 door een arts van MediFirst gezien op 22 mei 2024. Uit het opgemaakte advies van 22 mei 2024 blijkt dat eiser tijdens het gehoor op zijn gemak gesteld moet worden en indien nodig een pauze aangeboden dient te worden. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat tijdens het nader gehoor niet is gebleken dat het niet goed ging met eiser. Eiser heeft bij aanvang van het gehoor aangegeven dat het goed met hem gaat (Voetnoot 3), er zijn pauzes geweest en daarna is steeds aan eiser gevraagd of hij verder kon gaan met het gehoor. Daarop heeft hij steeds bevestigend geantwoord. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat deze beroepsgrond met name ziet op het gehoor dat is afgenomen door een medewerker van de Koninklijke Marchaussee op 16 mei 2024. De rechtbank leest in dit gehoor ook geen aanwijzingen voor extreme stress of psychische problemen bij eiser. Daarnaast heeft eiser zijn psychische problemen op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat verweerder de tegenstrijdigheden uit het relaas van eiser niet heeft kunnen tegenwerpen vanwege zijn gestelde psychische toestand.

Ongerijmde verklaring over reisbewegingen

6.3.

De rechtbank volgt verweerder in zijn tegenwerping wat betreft de reisroute van eiser. Eiser heeft tegenover de Kmar eerst verklaard dat hij een week geleden vanuit Bangladesh via India, Dubai en Londen naar Nederland is gereisd. Wanneer hij wordt geconfronteerd met het feit dat hij vanuit Johannesburg via Londen naar Amsterdam is gereisd, ontkent hij eerst dat hij in Zuid-Afrika is geweest. Vervolgens stelt hij toch wel in Zuid-Afrika te zijn geweest voor drie maanden. In het nader gehoor verklaart eiser dat hij op 14 november 2022 uit Bangladesh is vertrokken en dat hij één jaar in Zuid-Afrika is geweest. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eisers verklaringen over zijn reis geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Dat eiser stelt dat hij stress had bij aankomst in Nederland en dat hij last had van angst en verwarring, laat onverlet dat verweerder van eiser mocht verwachten dat hij vanaf het begin eerlijk was over de reisroute die hij heeft afgelegd, nu hij al voornemens was om in Nederland asiel aan te vragen.

Tegenstrijdige verklaringen over problemen met de Awami League en aanval in Chittagong

6.4.

De rechtbank volgt ook de tegenwerping van verweerder dat eiser wisselend heeft verklaard over de datum van de aanval op hem en zijn vader in hun dorp en het indienen van de aanklacht tegen de Awami League. (Voetnoot 4) Ook heeft eiser tegenstrijdig verklaard over het moment dat hij is aangevallen in Chittagong. Eerst zou de aanval gelijk na het verlaten van de Indiase ambassade hebben plaatsgevonden, maar later verklaart eiser dat de aanval pas een dag later was. Dat eiser, naar hij stelt, de aanval op hem in het dorp en de aanval in Chittagong door elkaar heeft gehaald, maakt niet dat verweerder dit niet aan eiser heeft mogen tegenwerpen. De rechtbank stelt vast dat er ongeveer vijf maanden zaten tussen de aanval op eiser (in juni 2022) en de aanval na zijn bezoek aan de ambassade in Chittagong (oktober 2022). Verweerder heeft daarnaast van belang kunnen vinden dat deze incidenten voor eiser van groot belang zijn geweest bij de beslissing om zijn land te verlaten en daarmee de kern van het asielrelaas van eiser raken. Daarom mocht verweerder van eiser verwachten dat hij hierover duidelijk en niet tegenstrijdig verklaart. Daarnaast heeft eiser de tegenstrijdigheden in zijn verklaringen over de aanval in Chittagong niet opgehelderd. Eiser heeft eerst verklaard dat hij op 8 juni 2022 zou zijn aangevallen op de markt in zijn dorp, maar later verklaart eiser dat hij op 8 juni 2022 in Chittagong is aangevallen. Ook heeft eiser tegenstrijdig verklaard over hoeveel personen hem hebben aangevallen; eerst waren het er acht en later past eiser dit aan naar vier of vijf personen. Dat eiser stelt dat er sprake zou zijn van een taalkundig misverstand, omdat hij in het gehoor heeft bedoeld te zeggen dat hij op 8 juni is aangevallen en dat de tolk dit mogelijk heeft vertaald naar acht personen, volgt de rechtbank niet. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de context waarin eiser de uitspraken over de acht aanvallers heeft gedaan, duidelijk blijkt dat het niet over een datum gaat maar over personen. Verweerder heeft ook mogen tegenwerpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de aangifte tegen hem en over de doodsbedreigingen, nu eiser deze tegenwerpingen niet heeft bestreden.

Geloofwaardigheidsbeoordeling

6.5.

Eiser heeft in een pleitnota aangevoerd dat de omstandigheid dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vreemdelingenwet, niet maakt dat dit automatisch tot afwijzing van zijn asielaanvraag kan leiden. Volgens eiser is de geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder in strijd is met het Unierecht en in dat kader heeft hij verwezen naar uitspraken van diverse rechtbanken. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de wijze van beoordeling die volgt uit Werkinstructie 2024/6 in strijd is met het Unierecht dan wel onredelijk is. Hierbij verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 oktober 2025 (Voetnoot 5). Verweerder mag van eiser verlangen dat hij zijn asielaanvraag, waar mogelijk, met objectieve en authentieke bewijsmiddelen onderbouwt. Verweerder beoordeelt bij het ontbreken van deze documenten of eiser zijn asielrelaas geloofwaardig heeft gemaakt door samenhangende en aannemelijke verklaringen af te leggen. Het ontbreken van authentieke of objectief verifieerbare documenten is daarvoor niet bepalend. Toegepast op de zaak van eiser betekent dit dat verweerder geen stukken of verklaringen buiten beschouwing mag laten. Verweerder heeft in het onderhavige geval alle feiten en omstandigheden betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en is ingegaan op de verklaringen van eiser. Ook zijn daarbij de ingebrachte bewijsmiddelen betrokken. De beroepsgrond van eiser dat verweerder met de in eisers zaak gevolgde werkwijze de aanvraag onjuist heeft beoordeeld, slaagt dus niet.

Conclusie

6.6.

Gelet op het bovenstaande, heeft verweerder de problemen van eiser vanwege zijn politieke activiteiten ongeloofwaardig kunnen vinden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder de asielaanvraag van eiser op goede gronden afgewezen als kennelijk ongegrond?

7. Eiser voert aan dat hij zijn paspoort onder dwang moest afstaan aan de reisagent. Eiser heeft verweerder bovendien gelijk verteld over zijn naam, geboortedatum en herkomst. Eiser heeft verweerder dus niet willen misleiden maar hij heeft juist openheid willen geven. Daarnaast heeft eiser een kopie van zijn paspoort en visum overgelegd. De juiste identiteitsgegevens van eiser volgen ook uit de brief van de politieke tegenstander van eiser.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag op goede gronden heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft ter zitting de e-grond van artikel 30b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet laten vallen, maar stelt zich op het standpunt dat nog steeds sprake is van een situatie zoals bedoeld in de d-grond van dat artikel. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken van dwang en dat de reisagent niet in het vliegtuig zat met eiser. Ook wist eiser wat het belang was van het hebben van een paspoort nu hij al meerdere reizen heeft gemaakt. De rechtbank volgt verweerder daarin. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van dwang bij het afgeven van zijn paspoort aan de reisagent. Eiser heeft dit zelf ook niet verklaard (Voetnoot 6). Eiser heeft zijn paspoort afgegeven aan de reisagent terwijl hij wist dat het belangrijk was om zijn paspoort te hebben bij het overgaan van landsgrenzen. Verweerder mocht dan ook ervan uitgaan dat eiser zich waarschijnlijk te kwader trouw van zijn paspoort heeft ontdaan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder de vertrekstermijn kunnen onthouden?

9. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte geen vrijwillige vertrekmijn heeft gegeven. Dit is in strijd met artikel 7 van de Terugkeerrichtlijn (Voetnoot 7). Alleen bij wijze van uitzondering mag verweerder de vrijwillige vertrektermijn onthouden. Een enkele verwijzing naar een vermeend risico op onderduiken is hiervoor onvoldoende. Hierbij verwijst eiser naar het arrest Al Hoceima en Boghni van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 30 januari 2025 (Voetnoot 8). Het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek is niet enkel een technische kwestie, maar een wezenlijk onderdeel van het terugkeerbesluit. Bovendien maakt het ontbreken van een vrijwillige vertrektermijn het terugkeerbesluit onmiddellijk uitvoerbaar en leidt het automatisch tot het opleggen van een inreisverbod. Hierbij heeft verweerder ten onrechte geen individuele belangenafweging gemaakt.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de vertrektermijn heeft kunnen onthouden, nu verweerder de asielaanvraag op goede gronden als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Verweerder verwijst voor de juridische grondslag naar artikel 62, tweede lid, sub b, van de Vreemdelingenwet. Ook heeft eiser geen omstandigheden aangevoerd die maken dat van de wettelijke grondslag van het onthouden van de vrijwillige vertrektermijn afgeweken dient te worden. De verwijzing naar het arrest Al Hoceima en Boghni treft geen doel, nu anders dan in dat arrest, in Nederland een rechtsmiddel openstaat tegen het terugkeerbesluit. Bij het aanwenden van een rechtsmiddel tegen het terugkeerbesluit kan ook de vertrektermijn betrokken worden. Zonder verdere concretisering kan een beroep op dit arrest daarom niet slagen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

12. Aangezien op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

12. In het geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek in overweging 6.1 ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,-. Eiser heeft een beroepschrift ingediend en heeft deelgenomen aan de zitting. Daarnaast heeft verzoeker een verzoekschrift ingediend. Er zijn geen andere kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank/de voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Bangladesh Nationalist Party.

Voetnoot 2

Zie voornemen, pagina 4.

Voetnoot 3

Rapport nader gehoor, pagina 2.

Voetnoot 4

Nader gehoor, pagina 16, 6 en 18.

Voetnoot 5

ECLI:NL:RBDHA:2025:18612.

Voetnoot 6

Zie bijvoorbeeld Rapport aanmeldgehoor, pagina 15.

Voetnoot 7

Richtlijn 2008/115/EG.

Voetnoot 8

ECLI:EU:C:2025:603.