Rechtbank Den Haag, voorlopige voorziening vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:14150

Op 29 May 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een voorlopige voorziening procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is AWB 26/8126, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:14150. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
AWB 26/8126
Datum uitspraak:
29 May 2026
Datum publicatie:
29 May 2026

Indicatie

spoedvovo, verzoek om teruggave van paspoort, niet-ontvankelijk wegens ontbreken connexiteit

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 26/8126

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 mei 2026 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , verzoekster

V-nummer: [nummer]

en

de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster inhoudende dat de minister wordt opgedragen het paspoort van verzoekster onverwijld ter beschikking te stellen, zodat zij dit kan overleggen aan de Duitse ambassade ten behoeve van een visumaanvraag.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Overwegingen

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat ging er aan de procedure vooraf?

2. Verzoekster heeft de minister op 10 november 2025 verzocht om haar paspoort zo snel mogelijk terug te geven in verband met een door haar echtgenoot in Duitsland opgestarte verblijfsprocedure.

3. Met het e-mailbericht van 28 november 2025 heeft de minister aangegeven niet aan dit verzoek te kunnen voldoen, omdat eiseres (nog) geen verblijfsrecht geniet. Hierbij is tevens aangegeven wat eiseres kan ondernemen als zij zich hierin niet kan vinden.

4. Op 20 april 2026 is namens verzoekster verzocht om haar met spoed in het bezit te stellen van haar paspoort, omdat verzoekster een aanvraag heeft ingediend voor gezinshereniging bij haar Nederlandse echtgenoot in Duitsland. Volgens verzoekster moet zij beschikken over haar paspoort om de aanvraag succesvol te laten verlopen. Tevens wordt in het bericht aan de minister gesteld dat verzoekster Nederland zal verlaten, zodra zij toestemming heeft zich bij haar echtgenoot in Duitsland te voegen en dat zij aansluitend haar asielaanvraag in Nederland zal intrekken.

5. Op 12 mei 2026 is dit namens verzoekster ingediende spoedverzoek bij de minister herhaald.

6. Verzoekster heeft op 19 mei 2026 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend inhoudende dat de minister wordt opgedragen het paspoort van verzoekster onverwijld ter beschikking te stellen, zodat zij dit kan overleggen aan de Duitse ambassade ten behoeve van een visumaanvraag.

7. Met het e-mailbericht van 20 mei 2026 heeft de minister - in reactie op het hiervoor onder 2.2 genoemde verzoek - aan verzoekster medegedeeld dat niet aan het verzoek kan worden voldaan. De reden hiervoor is dat verzoekster geen verblijfsrecht geniet. Verder is in dit bericht aangegeven wat verzoekster kan doen als zij zich hier in niet kan vinden.

Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?

8. De voorzieningenrechter beschouwt zowel het e-mailbericht van 28 november 2025 als dat van 20 mei 2026 als een besluit in de zin van artikel 1.3 van de Awb. (Voetnoot 1) Echter niet is gebleken dat verzoekster een rechtsmiddel tegen deze besluiten heeft ingediend. Dit betekent dat er geen bezwaar of beroep is, waarmee het verzoek om een voorlopige voorziening samenhangt. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening daarom kennelijk niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van connexiteit. Of sprake is van spoedeisendheid blijft om die reden onbesproken.

Conclusie en gevolgen

9. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening

niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: 29 mei 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vergelijk ECLI:NL:RVS:2022:2414.