Rechtbank Den Haag, voorlopige voorziening vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:14759

Op 3 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een voorlopige voorziening procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.30588, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:14759. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.30588
Datum uitspraak:
3 June 2026
Datum publicatie:
3 June 2026

Indicatie

Landelijk Piket. Vovo toegewezen, verzoekster mag bob tegen de feitelijke overdracht aan Spanje in NL afwachten. USP Afdeling 22 nov 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4199). Voor de opschorting van de uitvoering van het overdrachtsbesluit in beroep is het noodzakelijk dat de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening ook heeft toegewezen. Als de uitvoering van het overdrachtsbesluit in beroep niet is opgeschort, leidt toewijzing in hoger beroep van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet tot opschorting van de overdrachtstermijn. Toewijzing van het verzoek in hoger beroep betekent in dat geval uitsluitend dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Het instellen van het rechtsmiddel van verzet maakt dit niet anders. UOD van 15 april is niet opgeschort.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.30588

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam],

V-nummer: [nummer], verzoekster

mede namens haar minderjarige kind

[naam]

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. L.M. Straver),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K. Kana).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de feitelijke uitzetting naar Spanje.

1.1.

De minister heeft eerder in het besluit van 18 december 2025 de asielaanvraag van verzoekster niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor die aanvraag op grond van de Dublinverordening. Deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft het beroep van verzoekster tegen dat besluit kennelijk ongegrond verklaard in de uitspraak van 26 februari 2026. (Voetnoot 1) De voorlopige voorziening hangende dit beroep is niet-ontvankelijk verklaard. Verzoekster heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

1.2.

Op 17 maart 2026 stond de eerdere overdracht van verzoekster gepland. Verzoekster heeft vervolgens om een voorlopige voorziening verzocht met het doel om niet te worden overgedragen en haar verzet in Nederland te kunnen afwachten.

1.3.

De voorzieningenrechter heeft op 16 maart 2026 het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat verzoekster en haar minderjarige zoon niet mogen worden overgedragen aan Spanje totdat uitspraak is gedaan op het verzet. (Voetnoot 2)

1.4.

Op 14 april 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats Den Haag het verzet ongegrond verklaard. (Voetnoot 3) De eerdere uitspraak van 26 februari 2026 blijft in stand.

1.5.

Op 28 mei 2026 is door DT&V aan gemachtigde van verzoekster medegedeeld dat haar feitelijke uitzetting naar Spanje staat gepland op 3 juni 2026 om 10:20 uur.

1.6.

Op 1 juni 2026 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de feitelijke uitzetting. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter eveneens op 1 juni 2026 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

1.7.

De minister heeft op 2 juni 2026 verweer gevoerd.

1.8.

Omdat onverwijlde spoed dat vereist doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder partijen uit te nodigen voor een zitting. (Voetnoot 4)

Overwegingen

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3. Het bezwaar van verzoekster is gericht tegen de feitelijke overdracht naar Spanje. Dit is een handeling van verweerder die op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) met een besluit is gelijkgesteld.

4. Verzoekster heeft een spoedeisend belang bij een oordeel van de voorzieningenrechter omdat zij op 3 juni 2026 met haar zoon wordt uitgezet en zij dat wil voorkomen.

5. De voorzieningenrechter beoordeelt of de belangen van verzoekster ertoe moeten leiden dat zij haar bezwaar tegen de feitelijke overdracht in Nederland mag afwachten. Hiervoor bekijkt hij of het de verwachting is dat het bezwaar van verzoekster tegen die uitzetting, kans van slagen heeft. Hoe kleiner de kans van slagen van het bezwaar is, hoe minder ruimte er is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de rechtbank het oordeel van de voorzieningenrechter in deze procedure in een eventuele latere procedure niet hoeft te volgen.

Het standpunt van verzoekster

6. Verzoekster heeft gesteld dat zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen ten opzichte van de buiten behandelingstelling van de asielaanvraag (Voetnoot 5) van 18 december 2025, gelegen in het bereikt hebben van de uiterste overdrachtstermijn op 15 april 2026. Deze termijn is immers zes maanden vanaf de datum van het Dublinakkoord van 15 oktober 2025. Van rechtswege is de verplichting voor de Spaanse autoriteiten om verzoekster over te nemen vervallen en is de verantwoordelijkheid overgegaan op de Nederlandse autoriteiten. Verzoekster mag niet meer worden overgedragen aan de Spaanse autoriteiten, maar dient in de nationale procedure te worden opgenomen.

Het standpunt van de minister

7. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1.3. aangehaald toegewezen voorlopige voorziening is getroffen in eerste aanleg. Immers, door een uitspraak op een beroep dat buiten zitting is afgedaan aan te vechten in een verzetprocedure, wordt de onderliggende beroepsprocedure open gebroken waardoor er nog geen sprake is van een definitieve beslissing op het beroep. De minister verwijst daarbij naar de tekst van artikel 29 van de Dublinverordening. Evenals bij een bezwaar tegen de feitelijke overdracht ligt een verzetprocedure, zoals blijkt uit artikel 8:55 van de Awb, met name uit lid 9 en 10, in het direct verlengde van de eerdere beroepsprocedure, die feitelijk door het indienen van het verzet nog niet definitief is geworden. Dit geldt, zoals besproken is in het arrest E.N., S.S. en J.Y. van het Hof van Justitie van 30 maart 2023 (Voetnoot 6) en in de Afdelingsuitspraak van 22 november 2023 (Voetnoot 7), niet voor een hoger beroepsprocedure omdat bij een dergelijke procedure wel sprake is van een definitieve beslissing in beroep maar die definitieve beslissing in beroep aangevochten wordt en de hogere rechtsinstantie de zaak opnieuw bekijkt. Daardoor is, anders dan bij een verzet procedure, in een hoger beroepsprocedure wél sprake van tweede aanleg omdat de beslissing in de beroepsprocedure niet opengebroken wordt, maar aangevochten wordt. De minister stelt dat de uiterste overdrachtdatum door de bekendmakingen aan Spanje op 20/23 maart 2026 terecht is opgeschort tot 16 september 2026 en vervolgens ook terecht is verlengd op 29 april 2026 tot 14 oktober 2027.

Het oordeel van de voorzieningenrechter

8. Uit artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening volgt dat de minister een vreemdeling overdraagt zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het terug- of overnameverzoek of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening, opschortende werking heeft. Uit artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening volgt dat een vreemdeling de gelegenheid heeft om binnen een redelijke termijn een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar. De lidstaten zorgen ervoor dat er een daadwerkelijk rechtsmiddel beschikbaar is door de overdracht op te schorten totdat de beslissing over het eerste opschortingsverzoek wordt gegeven.

8.1.

De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verzoekster. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2023 (Voetnoot 8) volgt dat het voor de opschorting van de uitvoering van het overdrachtsbesluit in beroep noodzakelijk is dat de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening ook heeft toegewezen. Als de uitvoering van het overdrachtsbesluit in beroep niet is opgeschort, leidt toewijzing in hoger beroep van een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet tot opschorting van de overdrachtstermijn. Toewijzing van het verzoek in hoger beroep betekent in dat geval uitsluitend dat de minister de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Het instellen van het rechtsmiddel van verzet maakt dit niet anders. Het betreft hier niet een eerste opschortingsverzoek, hetgeen zoals hiervoor onder 8. is aangehaald, ingevolge artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening wel een vereiste is. Immers, deze rechtbank en zittingsplaats Den Haag heeft bij uitspraak van 26 februari 2026 geen opschortende werking toegekend aan het rechtsmiddel beroep door het beroep ongegrond te verklaren en het (eerste) verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk te verklaren. Bovendien heeft de voorzieningenrechter in de uitspraak van 16 maart 2026 overwogen dat de uiterste overdrachtsdatum 15 april 2026 is, dat het verzet van verzoekster op 31 maart 2026 op een zitting wordt behandeld en dat het aannemelijk is dat tijdig uitspraak wordt gedaan op het verzet, waardoor het aannemelijk is dat een eventuele overdracht voor het einde van de overdrachtstermijn nog plaats kan vinden. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat de opschorting van de overdrachtstermijn met deze uitspraak evenmin is beoogd.

8.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de uiterste overdrachtsdatum van 15 april 2026 niet is opgeschort. Het bezwaar van verzoekster heeft dan ook een redelijke kans van slagen. Het verweer van de minister treft geen doel. Er is een definitieve situatie ontstaan na de uitspraak in beroep. Het standpunt van de minister dat er pas sprake zou zijn van een definitieve beslissing in beroep na beëindiging van de verzetprocedure is onjuist. Er is immers ook niet pas sprake van een definitieve beslissing in beroep na de beëindiging van de hoger beroepsprocedure. Dat er in een verzetprocedure sprake is van toetsing door hetzelfde gerecht, terwijl de toetsing in een hoger beroepsprocedure plaatsvindt door een ander of hoger gerecht maakt dit niet anders. Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat ook het Informatiebericht (Voetnoot 9) van de minister zelf – voor zover hier relevant – alleen spreekt over beroep en daarbij niet een definitieve beslissing in beroep na een verzetprocedure aanhaalt.

8.3.

Evenmin slaagt het verweer van de minister dat verzoekster met het verlengingsbesluit van 29 april 2026 de mogelijkheid had om beroep aan te tekenen tegen de genoemde overdracht en dit zonder verschoonbare reden heeft nagelaten. Immers, uit voorgaande overwegingen blijkt dat de uiterste overdrachtsdatum 15 april 2026 was en er voor deze datum geen nieuw besluit is bekendgemaakt.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoekster de beslissing op het bezwaar tegen de feitelijke overdracht in Nederland mag afwachten. Dit betekent dat de minister verzoekster op 3 juni 2026 niet mag overdragen aan Spanje.

10. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verzoekster de beslissing op het bezwaar tegen de feitelijke overdracht in Nederland mag afwachten en dat verzoekster tot die tijd niet mag worden overdragen aan Spanje;

veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Rb. Den Haag (zp. Den Haag), 26 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4397.

Voetnoot 2

NL26.13297.

Voetnoot 3

NL25.62214 V.

Voetnoot 4

Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Voetnoot 5

Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 6

ECLI:EU:C:2023:272.

Voetnoot 7

ECLI:NL:RVS:2023:4199.

Voetnoot 8

ECLI:NL:RVS:2023:4198.

Voetnoot 9

Informatiebericht 2024/71.