Procesverloop
Procesverloop
1. Met het besluit van 18 december 2025 heeft het COa de Rva-verstrekkingen van verzoeker beëindigd.
1.1.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 27 februari 2026 het beroep van verzoeker ongegrond verklaard. (Voetnoot 1) In die uitspraak is een voorlopige voorziening getroffen inhoudende dat de opvang van verzoeker gedurende vier maanden, tot 2 juni 2026, gecontinueerd moet worden, zodat in deze periode gezocht kan worden naar een vorm van passende opvang voor eiser.
1.2.
Het COa heeft op 15 mei 2026 mondeling aangekondigd dat de opvang per 3 juni 2026 wordt beëindigd.
1.3.
Verzoeker heeft op 15 mei 2026 beroep ingediend tegen de mededeling van het COa (bestreden besluit) en de voorzieningenrechter verzocht het besluit tot beëindiging van de verstrekkingen te herroepen en de opvang van verzoeker voort te zetten, zodat hij toegang behoudt tot de voor hem noodzakelijke medicatie en begeleiding.
1.4.
Het COa heeft op 4 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
1.5.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Overwegingen
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter beoordeelt in een voorlopige voorzieningsprocedure hangende beroep of sprake is van een spoedeisend belang en of het beroep van verzoeker redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter geeft daarbij een voorlopig oordeel over de zaak. Als deze zaak in beroep wordt voorgelegd aan de rechtbank, hoeft de rechtbank het oordeel van de voorzieningenrechter niet te volgen.
Is sprake van een spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. In het verweerschrift heeft het COa gesteld dat zij uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 februari 2026 om de opvang tot 2 juni 2026 te continueren. Verzoeker is op 4 maart 2026 ingestroomd in de opvang in Ter Apel en vervolgens overgeplaatst naar AZC Heerhugowaard op 18 maart 2026. In deze periode heeft het COa meegedacht over passende alternatieve opvang. In overleg met DT&V en de casemanager van het COa is gebleken dat een plaatsing in de VBL (Voetnoot 2) tot de mogelijkheden behoort. Verzoeker heeft zelf op 28 mei 2026 aan DT&V verklaard medewerking te verlenen aan de overplaatsing naar de VBL. DT&V heeft daarop vervoer georganiseerd voor de overplaatsing van verzoeker naar de VBL per 3 juni 2026. Verzoeker is op deze datum niet verschenen voor het vervoer en heeft de locatie zelfstandig verlaten en zijn spullen meegenomen.
5. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen, omdat verzoeker opvang is aangeboden vanaf het moment dat de opvang bij het COa afloopt. Hierbij is tevens rekening gehouden met de medische behoefte van verzoeker. De aangeboden VBL is gevestigd in Ter Apel en is direct naast het AZC Ter Apel gelegen. De VBL deelt met het AZC enkele voorzieningen, zoals de huisartsenpost van de GZA (Gezondheidszorg Asielzoekers). De voorzieningenrechter geeft nog wel een voorlopig rechtmatigheidsoordeel.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
6. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, kan de door hem gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als sprake is van een besluit dat evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het COa ingenomen standpunt juist is.
7. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het beroep allereerst geen redelijke kans van slagen, omdat het is gericht tegen de feitelijke beëindiging van een periode van buitenwettelijke opvang, volgend uit de uitspraak van 27 februari 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats. Omdat er geen juridische basis was voor deze opvang tot 2 juni 2026, kan dienaangaande door COa geen besluit worden genomen met een wettelijke basis of een handeling verricht worden die met een besluit kan worden gelijkgesteld. Dat betekent dat ook geen beroep mogelijk is.
8. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat zeer ernstig moet worden betwijfeld dat het door het COa ingenomen standpunt juist is. Zoals blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (Voetnoot 3) kunnen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen uitsluitend in de gevallen voorzien in de Rva jegens het COa aanspraak maken op verstrekkingen, waaronder opvang. (Voetnoot 4) In artikel 3 van de Rva zijn de categorieën asielzoekers opgenomen aan wie opvang wordt geboden in een opvangvoorziening. Verzoeker valt niet onder een van die categorieën.
9. Daarnaast volgt uit bovengenoemde uitspraak van de Afdeling dat het COa niet gehouden kan worden tot het verlenen van opvang in situaties die niet zijn voorzien in de Rva, tenzij zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen in de vorm van een acute medische noodsituatie op het moment van beëindiging van de verstrekkingen door het COa. Uit vaste jurisprudentie volgt dat de bewijslast daarvoor bij de vreemdeling ligt. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij beëindiging van de opvang door het COa sprake is van een acute medische noodsituatie.
10. Bij deze beoordeling neemt de voorzieningenrechter tot slot nog mee dat verzoeker zonder opvang door het COa ook aanspraak kan blijven maken op medisch noodzakelijke zorg op grond van artikel 10, tweede lid, van de Vw.