3.2
Verzoekster heeft op 22 april 2026 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een mvv met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’, omdat zij bij referent in Nederland wil gaan wonen. De minister heeft op 1 mei 2026 een ontvangstbevestiging naar verzoekster gestuurd, waarin staat dat zij uiterlijk op 21 juli 2026 een beslissing op haar aanvraag krijgt. Verzoekster heeft op 7 mei 2026 de minister verzocht om haar aanvraag met spoed te behandelen, gezien de oorlogssituatie en zeer beperkte vrouwenrechten in Iran,. De minister heeft verzoekster met een brief van 15 mei 2026 geïnformeerd dat de reden die zij heeft gegeven om haar aanvraag met voorrang te behandelen, onvoldoende is, omdat haar situatie gelijk is voor alle aanvragen en bezwaarschriften uit Iran. De minister streeft ernaar om alsnog binnen de wettelijke einddatum op de mvv-aanvraag van verzoekster te beslissen.
3.3
Op 20 mei 2026 heeft verzoekster een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Zij verzoekt de voorzieningenrechter om, gezien de algemene veiligheidssituatie in Iran én haar persoonlijke situatie, de minister op te dragen de mvv-aanvraag met voorrang te behandelen.
4.1
Verzoekster voert aan dat Iran in een zeer instabiele en gevaarlijke situatie verkeert als gevolg van de oorlogsomstandigheden en de ernstige maatschappelijke onrust. Daarnaast worden vrouwen in Iran structureel blootgesteld aan ernstige beperkingen van hun fundamentele rechten en vrijheden. De positie van vrouwen is kwetsbaar en repressief. Daar komt bij dat verzoekster een relatie heeft met een Nederlandse man buiten het traditionele en maatschappelijk geaccepteerde kader. Dergelijke relaties kunnen in Iran leiden tot sociale uitsluiting, intimidatie, veiligheidsrisico’s en ernstige beperkingen van de persoonlijke levenssfeer van verzoekster. Verzoekster bevindt zich in een kwetsbare positie. De voortdurende onzekerheid over haar verblijfssituatie en de noodzaak om in Iran te blijven gedurende de reguliere behandeltermijn hebben verstrekkende gevolgen voor haar veiligheid, psychisch welzijn en gezinsleven.
4.2
De gemachtigde van de minister heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de minister begrijpt dat de situatie heel naar is voor verzoekster en referent, maar dat de precaire veiligheidssituatie in Iran onvoldoende is om spoedeisend belang aan te nemen. Veel vreemdelingen zitten in deze situatie en daarom kan de mvv-aanvraag van verzoekster niet met voorrang behandeld worden.
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In het informatiebericht 2026/7 (Voetnoot 1) is bepaald dat mvv-aanvragen uit Iran niet met voorrang worden afgehandeld, gelet op de mogelijkheid dat de situatie op korte termijn wijzigt. Uit artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 volgt dat de minister binnen 90 dagen na ontvangst van een aanvraag om verlening van een mvv een besluit bekend moet maken. De minister kan deze termijn verlengen met ten hoogste drie maanden. In de brief van 1 mei 2026 heeft de minister geschreven dat verzoekster uiterlijk op 21 juli 2026 een beslissing krijgt. De beslistermijn op deze aanvraag is daarmee korter dan de termijn die in de wet is gesteld. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat de aanvraag nog niet in behandeling is genomen, maar dat het de verwachting is dat uiterlijk op 21 juli 2026 op de aanvraag beslist zal worden. Wat betreft de algemene veiligheidssituatie in Iran is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze situatie gelijk is voor alle aanvragen uit Iran en dat dit daarom onvoldoende is om spoedeisend belang aan te nemen. Verder heeft verzoekster haar individuele situatie enkel gesteld en niet nader onderbouwd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet toewijzen van haar verzoek om de minister op te dragen de mvv-aanvraag met voorrang te behandelen onomkeerbare gevolgen voor haar zal hebben. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat geen sprake is van spoedeisend belang.
Evidente onrechtmatigheid
7. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als de weigering om de mvv-aanvraag sneller te behandelen evident onrechtmatig is. Daarvan is sprake als zonder nader onderzoek naar de relevante feiten en het toepasselijke recht ernstig moet worden betwijfeld of deze weigering juist is en of het in de bodemprocedure stand zal houden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de wettelijke beslistermijn die nog niet is verstreken en de overgelegde stukken niet overduidelijk is dat de weigering om de mvv-aanvraag sneller te behandelen onjuist is. Van evidente onrechtmatigheid is daarom geen sprake.
8. Er is dus geen spoedeisend belang en de weigering om de mvv-aanvraag sneller te behandelen is ook niet evident onrechtmatig omdat daarvoor een wettelijke termijn geldt en die termijn niet is verstreken. Wat verzoekster als belang voor het treffen van een voorlopige voorziening heeft aangevoerd, vindt de voorzieningenrechter – omdat geen sprake is van spoedeisend belang of van een evident onrechtmatige weigering – onvoldoende om de belangenafweging in haar voordeel te laten uitvallen. Het belang van verzoekster weegt namelijk niet op tegen het belang van alle andere mensen uit Iran die een mvv-aanvraag hebben gedaan en die ook wachten op een beslissing daarover.