Op 22 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een voorlopige voorziening procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL24.38959, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:20715. De plaats van zitting was Amsterdam.
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1982, van Turkse nationaliteit, verzoeker
(gemachtigde: mr. B. Aydin),
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
1. Bij besluit van 6 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning afgewezen. Op 4 oktober 2024 heeft verzoeker tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en op 23 oktober 2024 heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt uitgezet totdat de minister op het bezwaar heeft beslist.
2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb (Voetnoot 1)uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Overwegingen
3. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. Op 16 juli 2026 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat in de bezwaarprocedure van uitzetting van verzoeker moet worden afgezien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen als kennelijk gegrond en de uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist.
6. Omdat het verzoek wordt toegewezen, bepaalt de voorzieningenrechter dat de minister het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem vergoedt. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze proceskosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Bpb (Voetnoot 2) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
Beslissing
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de minister wordt verboden verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 187,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.C. van der Vegt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoot
Voetnoot 1
Algemene wet bestuursrecht.
Voetnoot 2
Besluit proceskosten bestuursrecht.