Procesverloop
Procesverloop
Bij besluit van 25 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Dit besluit is ook een overdrachtsbesluit.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL26.35581). Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op 21 juli 2026 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 22 juli 2026 een (nader) standpunt naar voren te brengen. Verzoeker heeft hierop een nader standpunt uitgebracht. De rechtbank heeft vervolgens op 23 juli 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Verzoeker heeft op 26 juni 2026 een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om te bepalen dat hij gedurende het verdere verloop van de asielprocedure wordt behandeld alsof hij in het bezit is van een verblijfsvergunning met alle daaraan verbonden rechten (primaire verzoek). Mocht de voorzieningenrechter daar niet in meegaan heeft hij verzocht om te bepalen dat hij de behandeling van zijn asielprocedure in Nederland mag afwachten (subsidiaire verzoek).
2. De behandeling van het verzoek stond aanvankelijk gepland op de zitting van 4 augustus 2026. Op die zitting wordt ook het beroep tegen het bestreden besluit behandeld. Bij de planning van de zitting is echter geen rekening gehouden met de nieuwe beslistermijn bij voorlopige voorzieningen zoals die volgt uit de Asiel- en Migratiebeheer verordening. (Voetnoot 1)
3. Op grond van artikel 43, derde lid, van de Asiel- en Migratiebeheer verordening, wordt een beslissing over het al dan niet opschorten van de uitvoering van een overdrachtsbesluit namelijk genomen binnen een maand na de datum waarop de bevoegde rechterlijke instantie het verzoek daartoe heeft ontvangen. De voorzieningenrechter leest de Asiel- en Migratiebeheer verordening zo, dat als de beslissing niet binnen de gestelde termijn is genomen, de desbetreffende persoon in beginsel mag worden overgedragen.
4. In dit geval betekent dit dat de voorzieningenrechter binnen een maand na 26 juni 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening moet beslissen om een effectieve beslissing te kunnen nemen over het al dan niet opschorten van het overdrachtsbesluit. Die termijn verloopt vóór de datum dat het verzoek op zitting stond gepland en de voorzieningenrechter ziet geen mogelijkheid om een zitting te plannen binnen die termijn. De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat hij verantwoordelijk is voor de planning. Desalniettemin is met de ontstane situatie wel onverwijlde spoed bij het direct nemen van een beslissing gegeven. Partijen zijn bovendien in de gelegenheid gesteld om hun standpunt schriftelijk naar voren te brengen. Daarom doet de voorzieningenrechter op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het primaire verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt. Dat verzoek acht de voorzieningenrechter te verstrekkend gelet op de aard van de connexe beroepsprocedure, die immers niet over het verlenen van een verblijfsvergunning gaat. Het subsidiaire verzoek vat de voorzieningenrechter op als een verzoek om het bestreden besluit te schorsen en te bepalen dat verzoeker niet aan Frankrijk mag worden overgedragen zolang er nog niet op het beroep is beslist. Dat verzoek komt volgens de voorzieningenrechter voor toewijzing in aanmerking en overweegt daartoe als volgt.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op dit moment de belangen van verzoeker om een beslissing op zijn beroep af te wachten zwaarder wegen dan het belang van verweerder om verzoeker uit te zetten voordat op het beroep is beslist. Verzoeker heeft een duidelijk belang om bij de behandeling van zijn beroep aanwezig te zijn. De belangen van verweerder in deze zaak om verzoeker over te dragen voordat op het beroep is beslist zijn de voorzieningenrechter daarentegen niet duidelijk. De behandeling van het beroep op zitting staat al op zeer korte termijn gepland. Een beslissing op het beroep volgt in de regel twee weken na de zitting. Verweerder heeft ook geen specifieke belangen naar voren gebracht om verzoeker binnen deze termijn over te dragen. Een toewijzing van de voorlopige voorziening heeft bovendien als effect dat de termijn die verweerder heeft om verzoeker over te dragen wordt opgeschort.
7. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om een voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Frankrijk totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
8. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
Beslissing
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Frankrijk totdat is beslist op het beroep;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Nederpel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.