Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening niet ontvankelijk want niet connex aan een beroepsprocedure.
Rechtbank Den Haag, 24 juli 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:23526 · Rechtbank Den Haag · 24 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/voorlopige-voorziening/ecli-nl-rbdha-2026-23526
Zaakgegevens
Op 24 juli 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in een voorlopige voorziening uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Utrecht
- Datum uitspraak
- 24 juli 2026
- Datum publicatie
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- AWB 24/16293
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Voorlopige voorzieningVoorlopige voorzieningEen tijdelijke maatregel van de voorzieningenrechter, bijvoorbeeld het schorsen van een besluit, zolang bezwaar of beroep loopt.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:23526
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Voorlopige voorziening niet ontvankelijk want niet connex aan een beroepsprocedure.
Uitspraak
DE RECHTANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/16293
uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juli 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
V-nummer: [V-nummer]
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de verblijfsaanvraag van verzoeker.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De minister heeft met het besluit van 24 september 2024 verzoekers aanvraag om een verblijfsvergunning voor het verrichten arbeid in loondienst afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 3 april 2025 op het bezwaar is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Dit besluit heeft de minister aan verzoeker gestuurd. Ook de rechtbank heeft op 9 april 2025 een kopie van dit besluit aan verzoeker gestuurd.
3. De voorzieningenrechter overweegt dat, wil een verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk zijn, er ook een bezwaar- of beroepsprocedure (bodemprocedure) aanhangig moet zijn. Het vereiste dat sprake moet zijn van een bodemprocedure wordt het connexiteitsvereiste genoemd. Alleen als zo’n bodemprocedure aanhangig is, beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening inhoudelijk.
4. De voorzieningenrechter heeft niet vast kunnen stellen dat verzoeker beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 3 april 2025. De rechtbank heeft daarom bij brief van
6 juli 2026 aan verzoeker gevraagd om binnen twee weken te laten weten welk belang hij nog heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft niet gereageerd op deze brief. De voorzieningenrechter gaat er daarom vanuit dat verzoeker geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 3 april 2025. In deze zaak wordt er dus niet voldaan aan het zogenoemde connexiteitsvereiste.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: