Overwegingen
1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan de voorzieningenrechter, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Verzoekster heeft met haar man, mede namens hun minderjarige kind, in Nederland een asielaanvraag ingediend. Bij besluiten van 1 april 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoekster en haar man en kind niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland daarvoor verantwoordelijk is. Het door verzoekster ingestelde beroep hiertegen is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 31 augustus 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:25081) ongegrond verklaard. Het hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 15 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5426) ongegrond verklaard. De besluiten van 1 april 2026 staan daarmee in rechte vast.
4. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat zij niet wordt overgedragen aan Zwitserland totdat op het bezwaarschrift is beslist. Daartoe voert verzoekster aan dat zij een suïcidepoging heeft ondernomen vanwege het vooruitzicht dat zij op korte termijn zou worden overgedragen aan Zwitserland.
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de mogelijkheid tot het maken van bezwaar tegen een voorgenomen feitelijke uitzetting beperkt is tot een bezwaar over de wijze waarop verweerder van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt. Dit volgt bijvoorbeeld uit de uitspraak van 21 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ2788). Daarnaast is het maken van zo’n bezwaar mogelijk, als de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting zo verschilt van die ten tijde van het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit, dat niet langer van de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. In dat geval moet de vreemdeling nieuwe feiten en omstandigheden aanvoeren ten aanzien van wat hij heeft aangevoerd (of had kunnen aanvoeren) tegen het besluit waaruit de bevoegdheid tot uitzetting voortvloeit. Is wat een vreemdeling aanvoert niet nieuw, dan wel niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitzetting, dan kan dit niet tot een geslaagd rechtsmiddel tegen de voorgenomen feitelijke uitzetting leiden, tenzij zich een geval voordoet als omschreven in paragraaf 45 van het arrest van het EHRM, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998 (ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494). Dit geldt ook wanneer sprake is van een feitelijke overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in de zin van de Dublinverordening.
6. Uit het arrest CK van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2016 (ECLI:EU:C:2017:127) volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een asielzoeker met een ernstige mentale aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. Wanneer de vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, moet verweerder daarom bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.
7. De voorzieningenrechter heeft op 16 september 2026 in de avond het verzoekschrift van de gemachtigde van verzoekster ontvangen. Daarin heeft de gemachtigde van verzoekster gesteld dat verzoekster ’s middags een suïcidepoging heeft ondernomen vanwege de naderende overdracht aan Zwitserland en dat zij in het ziekenhuis was opgenomen. Dit zou door het COa aan de gemachtigde van verzoekster zijn bevestigd. Gelet op het korte tijdbestek beschikte de gemachtigde van verzoekster ten tijde van de indiening van het verzoekschrift nog niet over actuele en objectieve medische informatie ter onderbouwing van deze suïcidepoging.
8. De voorzieningenrechter heeft de gemachtigde van verzoekster meermaals verzocht om nadere (medische) informatie. De gemachtigde van verzoekster heeft desgevraagd telefonisch medegedeeld dat uit navraag bij de man van verzoekster is gebleken dat verzoekster inmiddels het ziekenhuis zou hebben verlaten. Het was echter niet mogelijk om aan een nadere objectieve onderbouwing te komen. De gemachtigde van verzoekster heeft daarbij te kennen gegeven dat zij niet goed weet hoe zij aan de gevraagde informatie zou moeten komen, maar ook dat zij die avond nog een andere afspraak had en dus niet in de gelegenheid was om een nadere onderbouwing te verkrijgen. Hiermee ontbreekt dus concrete informatie over de gebeurtenissen op 16 september 2026 van de zijde van verzoekster. De voorzieningenrechter heeft daarnaast ook verweerder meermaals verzocht om nadere informatie ten aanzien van de gestelde gebeurtenissen. Nadat verweerder op de hoogte was gebracht van het hier aan de orde zijnde verzoek om een voorlopige voorziening, heeft verweerder toegezegd hiernaar te informeren. Nadat een reactie een aantal uren later nog steeds was uitgebleven, heeft de voorzieningenrechter verweerder opnieuw telefonisch benaderd om te informeren naar de stand van zaken. Op dat moment was verweerder er naar eigen zeggen nog niet aan toegekomen om duidelijkheid te verkrijgen. Hierna heeft de voorzieningenrechter verweerder tot drie keer toe met verschillende tussenpozen tevergeefs telefonisch proberen te bereiken teneinde de gevraagde duidelijkheid omtrent de situatie van verzoekster te verkrijgen. De telefoon werd echter niet opgenomen. Ook van verweerder heeft de voorzieningenrechter de benodigde informatie dus niet verkregen.
9. Door het gebrek aan enige nadere toelichting en onderbouwing van beide partijen is het voor de voorzieningenrechter onmogelijk om de stellingen van de gemachtigde van verzoekster te beoordelen en daarmee een inhoudelijk oordeel te geven over de toelaatbaarheid van de op handen zijnde overdracht. De voorzieningenrechter hecht eraan op te merken dat zij de handelswijze van beide partijen laakbaar acht. Op het moment dat er mogelijk sprake is van een suïcidepoging vanwege een nadere overdracht, verwacht de voorzieningenrechter van partijen dat zij alles in het werk stellen om daarover de benodigde duidelijkheid en informatie te verkrijgen. Uit de hiervoor beschreven gang van zaken blijkt daarvan niet.
10. Gelet op de aard van deze (spoed)procedure en het gebrek aan enige nadere informatie, ziet de voorzieningenrechter zich genoodzaakt om zich te beperken tot een belangenafweging. Ervan uitgaande dat verzoekster op 16 september 2026, kort voor de geplande overdracht, een suïcidepoging zou hebben ondernomen, ziet de voorzieningenrechter vanwege de ernst daarvan aanleiding om de gevraagde voorziening toe te wijzen. Het is aan verweerder om te beoordelen of de actuele (psychische) gezondheidstoestand van verzoekster zich verzet tegen de overdracht. Tot die tijd kan de overdracht geen doorgang vinden.
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening dus toe. De voorzieningenrechter bepaalt daarbij dat overdracht achterwege blijft tot een week nadat op het bezwaarschrift is beslist.
12. De voorzieningenrechter zal verweerder veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
Beslissing
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat overdracht van verzoekster achterwege blijft tot een week nadat op het bezwaar tegen de feitelijke overdracht is beslist;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
De griffier heeft het dictum op 16 september 2026 omstreeks 21:31 uur aan verweerder en om 21.32 uur aan de gemachtigde van verzoekster doorgebeld.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.