Rechtbank Den Haag, voorlopige voorziening vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:28519

Op 24 September 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een voorlopige voorziening procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.39971, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:28519. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.39971
Datum uitspraak:
24 September 2026
Datum publicatie:
28 September 2026

Indicatie

spoedvovo afgewezen, onzeker dat OM weer tot voorwaardelijke invrijheidstelling zal beslissen indien vovo wordt toegewezen omdat het een voorlopig oordeel is en er geen sprake is van bestendig verblijf. Ook ligt er nu een intrekkingsbesluit waarin een beoordeling is gegeven over het actuele gevaar voor de openbare orde. Besluit zelf niet evident onrechtmatig

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.39971

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2026 (het intrekkingsbesluit) heeft verweerder verzoekers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon A]’ ingetrokken met terugwerkende kracht tot 24 april 2023. Tevens heeft verweerder bij dit besluit aan verzoeker een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van nul dagen, een inreisverbod voor de duur van tien jaar en een besluit tot signalering voor de duur van tien jaar opgelegd.

Verzoeker heeft tegen het intrekkingsbesluit bezwaar gemaakt en daarnaast de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft op 15 september 2026 gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft op 16 september 2026 aanvullende gronden ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. E. Verstelle, waarnemend kantoorgenoot van de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Inleiding

1. Verzoeker is geboren op [geboortedatum 1] en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Nadat hij in Marokko in het huwelijk is getreden met [persoon A] (referente), is verzoeker in 2015 naar Nederland gekomen. Sinds 24 april 2015 was verzoeker in het bezit van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor verblijf bij referente. Referente heeft de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker en referente hebben samen twee dochters: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 2] 2017 en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 3] 2019. Op 25 maart 2025 is verzoeker in hoger beroep door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar voor een op 24 april 2023 gepleegde poging tot doodslag en een diefstal. Deze veroordeling is op 9 april 2025 onherroepelijk geworden. Op 8 juli 2025 heeft verweerder een voornemen uitgebracht om de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 24 april 2023 in te trekken. Met brieven van 1 augustus en 9 oktober 2025, en van 22 en 30 juni 2026 heeft verzoeker hierop gereageerd. Op 4 juni 2026 is verzoeker gehoord. Op 9 juli 2026 heeft het openbaar ministerie (OM) beslist dat verzoeker op 4 september 2026 voorwaardelijk in vrijheid zou worden gesteld. Deze beslissing is op 31 augustus 2026 ingetrokken.

2. Met het intrekkingsbesluit heeft verweerder verzoekers verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht tot 24 april 2023, zijnde de pleegdatum van het misdrijf waarvoor verzoeker is veroordeeld. In het besluit is toegelicht dat met de duur van de opgelegde gevangenisstraf de norm van artikel 3.86, derde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 is overschreden en de verblijfsvergunning daarom kon worden ingetrokken. Volgens verweerder vormt verzoekers gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verweerder heeft daarom aanleiding gezien te bepalen dat verzoeker de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten en tevens om aan verzoeker een inreisverbod voor de duur van tien jaar op te leggen. In dit verband is gewezen op de strafrechtelijke veroordeling voor een geweldsdelict. Ook aan de voorwaarden voor oplegging van een signalering voor de duur van tien jaar, is volgens verweerder voldaan. Het besluit is volgende verweerder niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hoewel verzoeker familieleven heeft met referente en zijn twee kinderen, valt de belangenafweging in zijn nadeel uit.

3. Verzoeker heeft tegen het intrekkingsbesluit bezwaar gemaakt. Verweerder zal daarop nog een beslissing moeten nemen. Uit het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening volgt dat verzoeker daarmee beoogt dat de rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit worden geschorst en dat het verweerder wordt verboden hem uit te zetten. Ter zitting heeft verzoeker verduidelijkt dat hij met zijn verzoek met name wil bereiken dat hij gedurende de bezwaarprocedure wordt behandeld als een vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Volgens verzoeker zou hij na een voorlopige voorziening met die strekking opnieuw in aanmerking kunnen komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Hij kan dan bij zijn gezin zijn en kunnen beginnen met toewerken naar resocialisatie. Het contact met zijn gezin is op dit moment ernstig beperkt doordat verzoeker sinds kort is overgeplaatst naar de Penitentiaire Inrichting in [locatie], die op bijna drie uur rijden ligt van de woonplaats van zijn gezin, en referente niet over een rijbewijs beschikt. Dit alles maakt volgens verzoeker dat hij een zwaarwegend spoedeisend belang heeft bij toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.

4. Verweerder heeft zich verzet tegen toewijzing van het verzoek, omdat volgens hem niet is gebleken dat er zwaarwegende, bijzondere redenen zijn dat er onverwijld moet worden aangevangen met de voorwaardelijke invrijheidstelling en resocialisatie van verzoeker. De vereiste spoed om de voorlopige voorziening te treffen ontbreekt dus.

Spoedeisend belang

5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

5.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van (spoedeisend) belang. De voorzieningenrechter wijst er in dit verband allereerst op dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat er op dit moment geen uitzettingshandelingen worden verricht en dat die ook niet (op korte termijn) gepland staan. De wens van verzoeker om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld om zodoende bij zijn gezin te kunnen verblijven en een start te kunnen maken met zijn resocialisatie, is alleszins invoelbaar. Het is echter op dit moment onvoldoende zeker dat de door verzoeker gewenste voorlopige voorziening, om gedurende de bezwaarprocedure te worden behandeld als een vreemdeling met rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e en l van de Vw – voor zover de voorzieningenrechter een dergelijke voorziening al zou kunnen treffen – daadwerkelijk tot gevolg heeft dat het OM verzoeker opnieuw voorwaardelijk in vrijheid stelt. Het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e en l van de Vw, waarnaar in artikel 6:2:10, tweede lid, onder c, van het Sv wordt verwezen, ziet immers op vormen van bestendig verblijfsrecht in Nederland, terwijl de gevraagde voorlopige voorziening, naar zijn aard, geen bestendig karakter heeft. Daarnaast blijkt uit artikel 6:2:10 van het Sv dat een beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling van méér aspecten afhankelijk is dan enkel de vraag naar het (soort) rechtmatig verblijf. Verwezen wordt naar het derde lid van dat wetsartikel. De daar genoemde aspecten zullen door het OM opnieuw moeten worden beoordeeld. Er zijn op dit moment geen concrete aanwijzingen dat deze afweging opnieuw in verzoekers voordeel uit zou vallen. Om de hiervoor genoemde redenen en bij gebrek aan concrete aanwijzingen voor het tegendeel, is het thans onvoldoende zeker dat het OM opnieuw tot voorwaardelijke invrijheidstelling zal beslissen indien het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker wordt toegewezen. Omdat aldus sprake is van een onzekere toekomstige situatie, ontbreekt de vereiste spoed bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Evident onrechtmatig

6. Omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang bij het verzoek, kan de door verzoeker gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit van verweerder ‘evident onrechtmatig’ is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven.

6.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het besluit niet evident onrechtmatig. Verweerder heeft bij zijn standpunt over het unierechtelijk openbare ordecriterium en in het kader van de oplegging van het inreisverbod en de beoordeling van het evenredigheidsbeginsel rekening gehouden met de aard en de ernst van het misdrijf en met het tijdsverloop sindsdien, waaronder de omstandigheid dat verzoeker nog niet in vrijheid heeft kunnen laten zien dat hij tot een duurzame positieve gedragsverandering is gekomen. In dat kader is ook acht geslagen op de rapporten van de reclassering waarin weliswaar wordt gesproken over een laag risico op recidive, maar waarin ook mogelijke risico’s worden gesignaleerd op de gebieden ‘sociaal netwerk’, ‘middelengebruik en verslaving’ en ‘psychosociaal functioneren’. Wat het gezinsleven van verzoeker betreft stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder in zijn belangenafweging alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken, waaronder de mee te wegen aspecten volgens de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 augustus 2001, Boultif tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300, en 18 oktober 2006, Üner tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099. Verweerder heeft in de belangenafweging zwaar gewicht mogen toekennen aan het openbare ordeaspect. Tot slot is in het besluit betrokken dat verzoeker geen asielaanvraag in Nederland wenst in te dienen.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.