Rechtbank Den Haag, voorlopige voorziening vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:28888

Op 30 September 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een voorlopige voorziening procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.57028 en NL26.57029, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:28888. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.57028 en NL26.57029
Datum uitspraak:
30 September 2026
Datum publicatie:
30 September 2026

Indicatie

Voorlopige voorziening landelijk piket; Richtlijn tijdelijke bescherming

Verzoekers (een echtpaar uit Oekraïne) verzoeken om een voorlopige voorziening, omdat zij als gevolg van besluiten waarin is bepaald dat zij niet in aanmerking komen voor bescherming op grond van de RTB, geen opvang meer zullen hebben.

In deze uitspraak oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerders standpunt, dat is gebaseerd op het IB 2026/20, inhoudende dat de RTB-aanvraag van een persoon die in een andere lidstaat tijdelijke bescherming heeft of heeft gehad, wordt afgewezen, tegenstrijdig is aan de WI 2025/63. Daarin wordt immers de mogelijkheid opengelaten om in een dergelijk geval wél tijdelijke bescherming te verlenen, met de opmerking dat het andere EU-land dan wel de daar verleende tijdelijke bescherming moet beëindigen. Verweerders standpunt staat daarnaast op gespannen voet met het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 en het arrest Krasiliva, waaruit met name naar voren komt dat het niet de bedoeling is dat er in twee lidstaten gelijktijdig bescherming wordt genoten. Het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 en het arrest lijken zich er niet tegen te verzetten dat een ontheemde eerst in de ene lidstaat bescherming geniet, deze bescherming eindigt, en de ontheemde vervolgens in een andere lidstaat bescherming verkrijgt.

Verweerder gaat ervan uit dat de tijdelijke bescherming van verzoekster in Polen met ingang van 18 juli 2022 is geëindigd. Dit betekent dat in het geval van verzoekster dus geen sprake is van de situatie dat zij in twee EU-landen gelijktijdig tijdelijk internationale bescherming op grond van de richtlijn zou genieten. Het bezwaar van verzoekster heeft een redelijke kans van slagen. Gelet op het feit dat verzoeker gehuwd is met verzoekster en er dus sprake is van samenhang tussen deze twee zaken, wordt ook het verzoek van verzoeker toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.57028 en NL26.57029

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[naam verzoeker] , verzoeker, en [naam verzoekster], verzoekster, mede namens hun minderjarige kind, tezamen aangeduid als verzoekers,

V-nummers: [V-nummer 1] en [V-nummer 2]

(gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

Procesverloop

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 14 september 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder bepaald dat verzoekers niet in aanmerking komen voor bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (2001/55/EG), hierna: RTB of: de richtlijn.

Op 25 september 2026 hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen de bestreden besluiten. Tevens hebben verzoekers op diezelfde datum verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend, die ertoe strekken dat verzoekers niet zullen worden uitgezet en zij totdat op het bezwaar is beslist opvang kunnen genieten.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Overwegingen

Inleiding

1.1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2.

Op grond van 8:83, vierde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien

onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken, nu aan verzoekers is meegedeeld dat zij als gevolg van de bestreden besluiten uiterlijk op

30 september 2026 de gemeentelijke opvang moeten verlaten. Gelet hierop is sprake van onverwijlde spoed.

2. De voorzieningenrechter zal beoordelen of het bezwaar van verzoekers tegen de bestreden besluiten een redelijke kans van slagen heeft.

NL26.57029 (het verzoek van verzoekster)

Standpunten van partijen

3.1.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat, hoewel verzoekster de Oekraïense nationaliteit heeft, zij niet onder de RTB valt omdat zij eerder in Polen tijdelijke bescherming op grond van de richtlijn heeft genoten, namelijk in de periode van 6 juli tot 18 juli 2022. In dit verband is verwezen naar punt 4 van het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 van de Raad van de Europese Unie van 15 juli 2025 en artikel 8, eerste lid, van de RTB. In het verweerschrift is aanvullend gewezen op het Informatiebericht (IB) 2026/20 van 15 juni 2026 (hierna: IB 2026/20) waarin staat vermeld dat aanvragen van personen die op het moment van toetsen al tijdelijke bescherming hebben gekregen in een andere lidstaat, worden afgewezen. Volgens verweerder is het daarbij irrelevant of de tijdelijke beschermingsstatus nog actueel is. Verweerder stelt dat het niet de bedoeling is dat een tijdelijk beschermde, die zijn tijdelijke bescherming in een lidstaat opgeeft, naar een andere lidstaat reist om daar vervolgens weer om tijdelijke bescherming te verzoeken en dat die lidstaat verplicht zou zijn deze bescherming op verzoek van de vreemdeling weer te verlenen. Dat zou ongewenste secundaire migratiestromen in de hand werken, aldus verweerder.

3.2.

Verzoekster voert aan dat zij wel onder de RTB valt, omdat zij op dit moment geen tijdelijke bescherming meer geniet in een ander EU-land. Zij is na 18 juli 2022 teruggekeerd van Polen naar Oekraïne. Verweerder had moeten onderzoeken of de tijdelijke bescherming in Polen nog steeds geldig is. Verzoekster verwijst in dit verband naar punt 4 van het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 en naar punt 30 van het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 27 februari 2025 in de zaak C-753/23 (hierna: het arrest Krasiliva). Ook verwijst verzoekster naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van

24 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17096).

Het juridisch kader

4.1.

Op 27 februari 2025 heeft het Hof in het arrest Krasiliva onder meer het volgende overwogen:

“Het staat de autoriteiten van een lidstaat (…) vrij om in het kader van de behandeling van een (…) aanvraag na te gaan of de personen die een verblijfstitel als bedoeld in artikel 8, lid 1, van richtlijn 2001/55 aanvragen, behoren tot de in artikel 2 van Uitvoeringsbesluit 2022/382 bedoelde categorieën van personen en tijdelijke bescherming genieten, en of zij reeds een verblijfstitel in een andere lidstaat hebben verkregen.”

4.2.

In punt 4 van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2025/1460 van 15 juli 2025 staat het volgende:

“Aangezien een persoon slechts in één lidstaat tegelijk de aan tijdelijke bescherming verbonden rechten kan genieten, moeten de lidstaten, om ervoor te zorgen dat dat beginsel wordt geëerbiedigd en om meerdere registraties voor tijdelijke bescherming te voorkomen, verzoeken om een verblijfsvergunning op basis van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2001/55/EG afwijzen wanneer duidelijk is dat de betrokken persoon op die basis reeds een verblijfsvergunning in een andere lidstaat heeft verkregen. Dat zou in overeenstemming zijn met het arrest van het Hof van Justitie van 27 februari 2025 in zaak C-753/23 en met name met punt 30 daarvan.”

4.3.

In het IB 2026/20 van 15 juni 2026 is het volgende opgenomen:

“De opvang zit vol en tegelijkertijd zijn er signalen dat ontheemden in meerdere lidstaten staan geregistreerd voor tijdelijke bescherming. Dat is niet de bedoeling en ondermijnt het draagvlak voor opvang van ontheemden. De IND gaat daarom, in opdracht van de Minister van Asiel en Migratie, personen weigeren die reeds elders in de EU tijdelijke bescherming hebben gekregen. (…) De tijdelijke bescherming kan worden beëindigd als aannemelijk is dat er sprake is (geweest) van tijdelijke bescherming in een andere lidstaat vóór 15 juni 2026.”

4.4.

In de Werkinstructie (WI) 2025/63 staat het volgende:

“De lidstaten zijn overeengekomen dat een tijdelijk beschermde niet wordt teruggestuurd naar een lidstaat van een eerder verblijf. Dit betekent dat als een ander EU-land al tijdelijke bescherming heeft verleend maar de ontheemde besluit zich toch in Nederland te vestigen, hij niet hoeft terug te keren naar het land dat hem tijdelijke bescherming heeft verleend.

Nederland zal dan zijn eigen beoordeling van de RTB moeten doen. Dat een ander land de ontheemde tijdelijke bescherming heeft gegeven, betekent niet dat Nederland dit ook moet doen. Als de tijdelijke bescherming wel wordt gegeven, zal het andere EU-land de tijdelijke bescherming moeten beëindigen. Een ontheemde kan dus maar in één lidstaat op een specifiek moment tijdelijke bescherming hebben.”

Het oordeel van de voorzieningenrechter

5.1.

De WI 2025/63 is op dit moment nog steeds van kracht, naast het IB 2026/20, zoals hiervoor geciteerd. De voorzieningenrechter stelt vast dat het in de zaak van verzoekster ingenomen standpunt van verweerder dat is gebaseerd op het IB 2026/20, inhoudende dat de RTB-aanvraag van een persoon die in een andere lidstaat tijdelijke bescherming heeft of heeft gehad wordt afgewezen, tegenstrijdig is aan de hiervoor geciteerde overweging uit de WI 2025/63. Daarin wordt immers de mogelijkheid opengelaten om in een dergelijk geval wél tijdelijke bescherming te verlenen, met de opmerking dat het andere EU-land dan wel de daar verleende tijdelijke bescherming moet beëindigen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat verweerders standpunt daarnaast op gespannen voet met het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 en het arrest Krasiliva, waaruit met name naar voren komt dat het niet de bedoeling is dat er in twee lidstaten gelijktijdig bescherming wordt genoten. Het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 en het arrest lijken zich er niet tegen te verzetten dat een ontheemde eerst in de ene lidstaat bescherming geniet, deze bescherming eindigt, en de ontheemde vervolgens in een andere lidstaat bescherming verkrijgt.

5.2.

Uit het bestreden besluit maakt de voorzieningenrechter op dat verweerder ervan uitgaat dat de tijdelijke bescherming van verzoekster in Polen met ingang van 18 juli 2022 is geëindigd. Dit betekent dat in het geval van verzoekster dus geen sprake is van de situatie dat zij in twee EU-landen gelijktijdig tijdelijk internationale bescherming op grond van de richtlijn zou genieten.

5.3.

Gezien het voorgaande heeft het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen en zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen.

NL26.57028 (het verzoek van verzoeker)

6. Gelet op het feit dat verzoeker gehuwd is met verzoekster en er dus sprake is van samenhang tussen deze twee zaken, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om ook het verzoek van verzoeker toe te wijzen.

Conclusie en gevolgen
7.1.

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken toe.

7.2.

Omdat de verzoeken worden toegewezen, krijgen verzoekers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft de (samenhangende) verzoekschriften ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal

€ 934,- voor de twee samenhangende zaken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder verzoekers moet behandelen als vreemdelingen die onder de werking van de Richtlijn 2001/55/EG vallen, tot vier weken na de dag dat de besluiten op bezwaar bekendgemaakt worden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

P. Deinum, griffier.

Het dictum van deze uitspraak is op 29 september 2026 rond 11.15 uur door de griffier telefonisch aan verweerder en per e-mail aan de gemachtigde van verzoekers meegedeeld.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt door publicatie daarvan op rechtspraak.nl op

30 september 2026.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.