Voorlopige voorziening landelijk piket; Richtlijn tijdelijke bescherming
Verzoekers (een echtpaar uit Oekraïne) verzoeken om een voorlopige voorziening, omdat zij als gevolg van besluiten waarin is bepaald dat zij niet in aanmerking komen voor bescherming op grond van de RTB, geen opvang meer zullen hebben.
In deze uitspraak oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerders standpunt, dat is gebaseerd op het IB 2026/20, inhoudende dat de RTB-aanvraag van een persoon die in een andere lidstaat tijdelijke bescherming heeft of heeft gehad, wordt afgewezen, tegenstrijdig is aan de WI 2025/63. Daarin wordt immers de mogelijkheid opengelaten om in een dergelijk geval wél tijdelijke bescherming te verlenen, met de opmerking dat het andere EU-land dan wel de daar verleende tijdelijke bescherming moet beëindigen. Verweerders standpunt staat daarnaast op gespannen voet met het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 en het arrest Krasiliva, waaruit met name naar voren komt dat het niet de bedoeling is dat er in twee lidstaten gelijktijdig bescherming wordt genoten. Het Uitvoeringsbesluit 2025/1460 en het arrest lijken zich er niet tegen te verzetten dat een ontheemde eerst in de ene lidstaat bescherming geniet, deze bescherming eindigt, en de ontheemde vervolgens in een andere lidstaat bescherming verkrijgt.
Verweerder gaat ervan uit dat de tijdelijke bescherming van verzoekster in Polen met ingang van 18 juli 2022 is geëindigd. Dit betekent dat in het geval van verzoekster dus geen sprake is van de situatie dat zij in twee EU-landen gelijktijdig tijdelijk internationale bescherming op grond van de richtlijn zou genieten. Het bezwaar van verzoekster heeft een redelijke kans van slagen. Gelet op het feit dat verzoeker gehuwd is met verzoekster en er dus sprake is van samenhang tussen deze twee zaken, wordt ook het verzoek van verzoeker toegewezen.