Rechtbank Den Haag, voorlopige voorziening vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:4511

Op 5 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een voorlopige voorziening procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.4377, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:4511. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.4377
Datum uitspraak:
5 March 2026
Datum publicatie:
6 March 2026

Indicatie

Voorlopige voorziening, spoedeisend belang, belangenafweging, verzoek toegewezen

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.4377

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Procesverloop

Procesverloop

Met het besluit van 27 oktober 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder ambtshalve bepaald dat verzoeker niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. (Voetnoot 1)

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat verzoeker het besluit op het bezwaar in Nederland mag afwachten.

Bij besluit van 19 februari 2026 heeft de verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. (Voetnoot 2) Het verzoek om een voorlopige voorziening hangende een beslissing op bezwaar is op dat moment omgeklapt naar een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep. (Voetnoot 3)

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Van de indiener van een verzoekschrift bij de voorzieningenrechter wordt griffierecht geheven. Verzoeker heeft het verzoek gedaan om hiervan te worden vrijgesteld. Eerder heeft de voorzieningenrechter dit verzoek voorlopig toegewezen. Gelet op wat verzoeker naar voren heeft gebracht over zijn inkomen, en gelet op het door hem ondertekende formulier, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om dit verzoek definitief

toe te wijzen. Van verzoeker zal dan ook geen griffierecht worden geheven.

2. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Ingevolge artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan indien onverwijlde spoed dat vereist een zitting achterwege blijven. Daarvoor bestaat in dit geval aanleiding.

4. Gebleken is dat op 2 maart 2026 aan verzoeker een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd en dat hij met ingang van 5 maart 2026 verplicht is in de vrijheidsbeperkende [locatie] te verblijven. Daarmee heeft verzoeker een spoedeisend belang bij zijn verzoek.

5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt in deze zaak het belang van verzoeker om bij de behandeling van zijn beroep aanwezig te zijn zwaarder dan het belang van verweerder om verzoeker daarvóór al uit te zetten. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat verzoeker forse medische klachten heeft en daarvoor een behandeling krijgt. Daarbij komt dat niet is gebleken dat verweerder al handelingen heeft verricht om het vertrek van verzoeker uit Nederland op korte termijn te realiseren. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom worden toegewezen en verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten tot vier weken na de bekendmaking van de uitspraak op het beroep.

6. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgelegd op € 934, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1.

Beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- verbiedt verweerder verzoeker uit te zetten tot vier weken na de bekendmaking van de

uitspraak op het beroep;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934

(negenhonderdvierendertig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 5 maart 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch medegedeeld aan de gemachtigde van eiser op 4 maart 2026 om 16:27 uur en aan de gemachtigde van verweerder op 4 maart 2026 om 16:26 uur.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

De beroepszaak is geregistreerd onder zaaknummer NL26.9917.

Voetnoot 3

Op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).