Rechtbank den haag
Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/704193 KG ZA 26-445 (zaak 1) en C/09/705620 KG ZA 26-553 (zaak 2)
Vonnis in kort geding van 3 juli 2026
Computacenter B.V. te Utrecht,
eiseres,
advocaten mrs. P.B.J. van den Oord en D. Britsemmer te Alphen aan den Rijn,
de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Rijkswaterstaat - Centrale Informatievoorziening) te Den Haag,
gedaagde,
advocaten mr. I van der Hoeven te Middelburg,
Protinus B.V. te Houten,
advocaat mr. L.C. van den Berg te Den Haag.
Protinus B.V. te Houten,
eiseres,
advocaat mr. L.C. van den Berg te Den Haag.
de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, dienst Rijkswaterstaat Centrale Informatievoorziening, directie Informatievoorziening Rijkswaterstaat Netwerken) te Den Haag,
gedaagde,
advocaten mr. I van der Hoeven te Middelburg,
Computacenter B.V. te Utrecht,
advocaten mrs. P.B.J. van den Oord en D. Britsemmer te Alphen aan den Rijn.
Eiseres in zaak 1, tevens interveniënt in zaak 2 wordt hierna Computacenter genoemd. Eiseres in zaak 2, tevens interveniënt in zaak 1, wordt hierna aangeduid als Protinus. Naar gedaagde in beide zaken wordt hierna verwezen als de Staat.
1
De procedure in beide zaken
1.1.
Het verloop van de procedures blijkt uit:
- de dagvaarding in beide zaken, met producties, waarbij de producties ook geacht moeten worden te zijn ingediend in de andere zaak, waarin de eiser optreedt als interveniënt;
- de in zaak 1 overlegde akte houdende wijziging van eis;
- de in beide zaken overgelegde incidentele conclusie tot tussenkomst dan wel voeging (in zaak 2 getiteld akte houdende wijziging van eis);
- de in beide zaken ingediende (gelijkluidende) conclusie van antwoord;
- de op 19 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarin beide zaken gevoegd zijn behandeld. Door alle partijen zijn op de mondelinge behandeling pleitnotities overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is in beide zaken vonnis bepaald op vandaag.
3
De feiten in beide zaken
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in de beide gedingen van het volgende uitgegaan.
3.1.
De Staat heeft na een in 2024 gehouden aanbesteding een raamovereenkomst (ROAD2023 Netwerken, Raamovereenkomst Arbit-2022) gesloten met vier partijen, waaronder Computacenter en Protinus. De raamovereenkomst heeft betrekking op het leveren van producten, diensten en software binnen netwerk(beveiligings)infrastructuur aan een deelnemers van diverse ministeries. De Staat is op grond van de raamovereenkomst gerechtigd de partijen bij die overeenkomst op te roepen tot het uitbrengen van nadere offertes conform hetgeen is bepaald in het selectiedocument en het beschrijvend document van de aanbesteding. Op basis van die nadere offerte kan de Staat met een partij nadere overeenkomsten sluiten.
3.2.
Omdat de markt waarop de aanbesteding ziet zich kenmerkt door veel verschillende fabrikanten en distributeurs en veel verschillende productlijnen en prijzen die voortdurend veranderen, hanteerde de Staat in het kader van de aanbesteding een systematiek, waarbij de officiële prijslijsten van fabrikanten en distributeurs het uitgangspunt zijn (‘listprijzen’). Inschrijvers concurreren met elkaar door minimale kortingspercentages te geven op de listprijs op basis van de productgroepen en een maximaal opslagpercentage in te dienen voor hun commerciële dienstverlening. Dat opslagpercentage wordt gerekend over de prijs van de fabrikant of de distributeur.
3.3.
In de raamovereenkomst staat, voor zover hier relevant, het volgende vermeld:
‘
5 Prijzen en tarieven
5.1
Bij Nadere oproepen tot mededinging hanteert Wederpartij maximaal de opslagpercentages die zijn vastgelegd in Bijlage Invulformulier E – Prijzenblad. Wederpartij mag een lager opslagpercentage hanteren, maar geen hoger opslagpercentage Het opslagpercentage wordt gerekend over de prijs van de Fabrikant of distributeur. In het opslagpercentage is de Commerciële dienstverlening verdisconteerd.
5.2
De door Wederpartij in zijn Inschrijving opgegeven minimale kortingspercentages zijn van toepassing bij bestellingen van oplossingen die vallen binnen de in de Raamovereenkomst opgenomen product-/ kortingsgroepen. Het hanteren van een hoger kortingspercentage door Wederpartij is toegestaan, een lager kortingspercentage niet. Andere vormen van opslag, toeslagen, fee’s, etc. die ertoe leiden dat de aangeboden prijs verder verhoogd, exclusief het opslagpercentage, zijn niet toegestaan. De door Wederpartij in haar Inschrijving opgegeven minimale kortingspercentages zijn als bijlage (Invulformulier E – Prijzenblad) bij deze Raamovereenkomst gevoegd.
5.3
Indien wederpartij een lager kortingspercentage aanbiedt dan onder 5.2 bedoeld, dan wordt deze aanbieding niet als ongeldig beschouwd, maar gaat Opdrachtgever/Deelnemer ervan uit dat Wederpartij een kennelijk omissie heeft begaan en zal worden gerekend met de in de Raamovereenkomst overeengekomen kortingspercentages.’
3.4.
In januari 2026 heeft de Staat onder de raamovereenkomst een nadere offerteaanvraag gedaan voor Rijkswaterstaat – Centrale Informatievoorziening met betrekking tot de levering van Cisco netwerk(security)apparatuur uit de installed base van de Rijkswaterstaat IT-netwerkinfrastructuur. Het doel van de minicompetitie is het afsluiten van een nadere overeenkomst voor een periode van drie jaar met één opdrachtnemer.
In de nadere offerteaanvraag is in paragraaf 4.4. het volgende vermeld over het Gunningscriterium Prijs:
‘De dienstverlening dient plaats te vinden tegen een vaste en vooraf vastgelegde totaalkorting op de Bruto GPL prijzen van Cisco voor iedere Cisco productlijn uit de RWS installed base. Het opslagpercentage (de markup) van Inschrijver dient altijd inbegrepen te zijn in deze totaalkorting.
Opdrachtgever heeft alle Cisco Productlijnen uit haar installed base vermeld op bijlage 5. ‘31214648 - Kortingenblad - Cisco NOK RWS’. De door u genoemde totaalkorting dient gespecificeerd te worden in procentpunten tot 2 cijfers achter de komma. Alle bijkomende kosten dienen in deze korting verwerkt te zijn.
U dient een ondertekende PDF versie van bijlage 5. ‘31214648 - Kortingenblad - Cisco NOK
RWS’ bij de Offerteaanvraag in te leveren samen met uw Inschrijving.’
3.5.
Inschrijvers moesten hun aanbieding doen via een Excelbestand met meerdere tabbladen, waaronder de tabbladen ‘Kortingenblad’ en ‘Totaal NOK’. In beide tabbladen moesten inschrijvers per productcode (SKU) een korting en een opslagpercentage invullen.
Tabblad ‘Kortingenblad’ bevatte alle Cisco producten en productlijnen die de Staat op dat moment daadwerkelijk in gebruik had (“installed base”). Tabblad ‘Totaal NOK’ is na de eerste Nota van Inlichtingen toegevoegd en bevatte een ruimer assortiment aan producten dan het Kortingenblad, namelijk alle producten en productlijnen die gedurende de looptijd van de NOK door de Staat uitgevraagd zouden kunnen worden.
3.6.
Alleen het ‘Kortingenblad’ bepaalde de score voor het subgunningscriterium Prijs. De inschrijver met de hoogste totaalkorting in dat blad krijgt de maximale score. Die totaalkorting wordt berekend door de gemiddelde opslag af te trekken van de gemiddelde korting op de bruto GPL Prijslijst. In artikel 4.6.5. van de Nadere Offerteaanvraag wordt dit als volgt geformuleerd: ‘Totaalkorting = Gem. korting op bruto GPL prijslijst Cisco minus Gem. markup Inschrijver’.
3.7.
De Staat heeft kort voor de uiterste inschrijftermijn een door Computacenter gestelde vraag over de berekeningssystematiek verduidelijkt en aangegeven dat het tabblad Totaal NOK geen relevante rekenfunctie bevat en dus genegeerd kan worden. Computacenter heeft daarop meegedeeld dat het antwoord duidelijk is en dat zij dan met het kortingenblad verder kan. De Staat heeft desgevraagd door Computacenter de inschrijftermijn daarna nog enkele dagen verlengd. Computacenter en Protinus hebben vervolgens beide tijdig ingeschreven.
3.8.
Op 3 april 2026 heeft de Staat Computacenter bericht dat haar inschrijving terzijde wordt gelegd, omdat zij in het tabblad ‘Totaal NOK’ heeft gerekend met een hoger opslagpercentage (Markup) dan het in de Raamovereenkomst overeengekomen maximale opslagpercentage voor Cisco-producten, wat op grond van artikel 5.1 van de Raamovereenkomst niet is toegestaan. De Staat stelt daarbij dat het alsnog aanpassen van opslagpercentages vanzelfsprekend niet mogelijk is, aangezien dit een wijziging van de inschrijving zou betreffen.
3.9.
De Staat heeft het bezwaar, dat Computacenter heeft gemaakt tegen de terzijdelegging van haar inschrijving, niet gehonoreerd.
3.10.
Op 11 mei 2026 heeft de Staat aan de inschrijvers meegedeeld dat de minicompetitie voor de levering van Cisco-apparatuur wordt ingetrokken. De Staat heeft dit als volgt gemotiveerd:
‘In de uitvraag is een andere berekeningsmethode voor het opslagpercentage gehanteerd dan in de raamovereenkomst (ROK) is vastgelegd, althans dat is voor meerdere uitleg vatbaar gebleken.
Verder zijn de spelregels voor wat betreft de bandbreedte in de te hanteren kortings- en
opslagpercentages onvoldoende duidelijk vastgesteld, zeker nadat het tabblad "Totaal NOK" is toegevoegd.
De in de ROK vastgelegde maximum opslagpercentages zijn daarmee onvergelijkbaar aan de opslagpercentages in de uitvraag van de NOK. Ook blijken de door partijen gedane inschrijvingen daardoor niet meer vergelijkbaar. Deze onduidelijkheden hebben inschrijver ruimte geboden voor verschillende interpretaties bij het opstellen van hun inschrijving.
De Staat beschouwt dit als een ernstig gebrek in de uitvraag waardoor de ontvangen inschrijvingen niet (voldoende) onderling vergelijkbaar zijn. Om die reden ziet de Staat geen andere mogelijkheid dan intrekking van deze minicompetitie en over te gaan tot heraanbesteding waarbij de inschrijvers opnieuw zal worden verzocht in te schrijven. Gezien deze situatie zal de Staat geen prijzen/ scores of beoordelingen bekend maken.’
4.1.
Computacenter stelt, na wijziging van eis, voorwaardelijke vorderingen in uitsluitend indien en voor zover de voorzieningenrechter in zaak 2 de Staat gebiedt de minicompetitie voort te zetten en/of de Staat verbiedt om op basis van de huidige motivering de minicompetitie in te trekken en tot heraanbesteding van de opdracht over te gaan zolang de huidige minicompetitie niet volledig is doorlopen.
4.2.
De door Computacenter ingestelde voorwaardelijke vorderingen zien op de terzijdelegging van haar inschrijving. Computacenter vordert (in het geval de minicompetitie wordt voortgezet) dat, verkort weergegeven, de terzijdelegging van haar inschrijving wordt ingetrokken. Zij wenst dat haar inschrijving dan alsnog inhoudelijk wordt beoordeeld dan wel haar de mogelijkheid wordt geboden haar inschrijving te herstellen dan wel haar inschrijving door de Staat wordt gecorrigeerd.
4.3.
Daartoe voert Computacenter – samengevat – het volgende aan. Nadat zij de dagvaarding heeft betekend, heeft de Staat de minicompetitie ingetrokken. De gronden voor intrekking kunnen deze intrekking (meer dan) dragen. De Staat was op grond hiervan zelfs verplicht om de minicompetitie in te trekken. Mocht in zaak 2 echter worden geoordeeld dat de Staat niet tot intrekking van de minicompetitie mocht overgaan, dan heeft te gelden dat er in de minicompetitie een wezenlijk andere systematiek is gehanteerd dan die in de raamovereenkomst is opgenomen. De Staat kan onder die omstandigheden niet het in de raamovereenkomst opgenomen maximumpercentage als grondslag gebruiken voor de terzijdelegging van de inschrijving van Computacenter. Als de Staat had gewild dat dit maximumpercentage onverkort van toepassing zou zijn op de inschrijvingen in de minicompetitie, dan had de Staat dat moeten expliciteren. Dat heeft zij nagelaten. Terzijdelegging van de inschrijving van Computacenter is ook onjuist omdat het opslagpercentage van Computacenter in het tabblad Kortingenblad ruim onder het in de raamovereenkomst overeengekomen maximum ligt. Subsidiair zijn er redenen om de inschrijving van Computacenter zo aan te passen (door de Staat dan wel door Computacenter daartoe in de gelegenheid te stellen), dat het maximale opslagpercentage geldt.
4.4.
De Staat en Protinus voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4.5.
Protinus heeft in zaak 1 een voorwaardelijke vordering ingesteld, alleen voor het geval de voorzieningenrechter van oordeel is dat een vordering is vereist voor tussenkomst. Nu aan die voorwaarde niet is voldaan, behoeft deze vordering geen verdere bespreking.
4.6.
Protinus vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair: de Staat te verbieden gevolg te geven aan de intrekkingsbeslissing, de Staat te gebieden de aanbesteding voort te zetten in de staat waarin deze zich daarvoor bevond en de Staat te verbieden tot heraanbesteding van de opdracht over te gaan zolang de
huidige mini-competitie niet volledig is doorlopen;
subsidiair: indien en voor zover de Staat de minicompetitie mocht intrekken en tot heraanbesteding mag overgaan, de Staat te gebieden tussentijdse overbruggingsopdrachten deugdelijk aan te besteden overeenkomstig de voorwaarden die de Aanbestedingswet voor die gevallen stelt (nationaal of onderhands meervoudig) en de Staat te verbieden de opdracht ongewijzigd opnieuw aan te besteden en de Staat te gebieden de voorwaarden voor de aanbesteding wezenlijk te wijzigen;
meer subsidiair: een zodanige voorziening te treffen dat de Staat gehouden zal zijn de verdere aanbesteding in overeenstemming met de daarvoor geldende wet- en regelgeving uit
te voeren met inachtneming van de gerechtvaardigde belangen van alle inschrijvers;
met veroordeling van de Staat in de proceskosten en de nakosten, op de wijze zoals in de dagvaarding omschreven.
4.7.
Daartoe voert Protinus – samengevat – het volgende aan. Het intrekkingsbesluit kan niet in stand blijven, omdat de Staat onterecht en op onjuiste gronden gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot intrekking van de minicompetitie. Voor inschrijvers was volkomen duidelijk wat zij moesten invullen en hoe. De Staat heeft naar aanleiding van een vraag van Computacenter de systematiek ook nog verduidelijkt. Geen van de inschrijvers heeft vervolgens voorafgaand aan de inschrijving de aanbestedingsvoorwaarden aan de orde gesteld op het punt van de berekeningssystematiek. De intrekking leidt er verder toe dat er een onwettige situatie zal ontstaan ten aanzien van te verstrekken opdracht tot het leveren van de Cisco hardware die het onderwerp van de mini-competitie is. Heraanbesteding brengt ook een groot gevaar van leuren met zich.
4.8.
De Staat en Computacenter voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4.9.
Computacenter vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te gebieden zijn beslissing om de minicompetitie in te trekken te handhaven en, voor zover de Staat de opdracht nog wenst te gunnen, een heraanbesteding daartoe te organiseren.
4.10.
Verkort weergegeven stelt Computacenter daartoe dat de gronden voor intrekking de intrekking (meer dan) kunnen dragen en dat de Staat op grond hiervan verplicht was om de minicompetitie in te trekken.
4.11.
Voor zover nodig zullen de standpunten van Protinus en de Staat met betrekking tot de vorderingen van Protinus hierna worden besproken.
Overwegingen
5
De beoordeling van het geschil in beide zaken
Mocht de Staat overgaan tot intrekking van de minicompetitie?
5.1.
De huidige stand van zaken is dat de Staat de minicompetitie heeft ingetrokken vanwege een ernstig gebrek in de uitvraag waardoor de ontvangen inschrijvingen niet (voldoende) onderling vergelijkbaar zijn. Dit is volgens de Staat (als eerste) het geval omdat in de uitvraag een andere berekeningsmethode voor het opslagpercentage is gehanteerd dan in de raamovereenkomst (ROK) is vastgelegd. Volgens Computacenter rechtvaardigt dit de intrekking van de minicompetitie, maar volgens Protinus niet.
5.2.
Daarbij doet zich de enigszins bijzondere situatie voor dat, alhoewel het een besluit van de Staat is, de Staat zijn besluit niet nader heeft toegelicht en ook niet heeft betoogd dat en waarom zijn besluit stand zou moeten houden: de Staat refereert zich aan het oordeel van de voorzieningenrechter. Naar de voorzieningenrechter begrijpt is deze proceshouding van de Staat ingegeven doordat de Staat (met name) Computacenter kwalijk neemt dat zij niet voorafgaand aan inschrijving aan de orde heeft gesteld dat de Staat de gewijzigde berekeningssystematiek niet had mogen hanteren, ondanks dat zij dit toen al heeft geconstateerd. Wat daar echter ook van zij, de Staat heeft het besluit genomen om de minicompetitie in te trekken. De voorzieningenrechter moet beoordelen of de redenen die de Staat daar in zijn beslissing voor heeft gegeven die beslissing kunnen rechtvaardigen.
5.3.
Bij die beoordeling gelden de maatstaven zoals die volgen uit het ‘Croce Amica’- arrest (Voetnoot 1). In dat arrest is de vrijheid van de Staat om een aanbesteding in te trekken bevestigd, als hij daarbij tenminste de beginselen van gelijke behandeling en transparantie in acht neemt. Het Hof heeft verder de regel bevestigd dat de aanbestedende dienst niet slechts in uitzonderlijke gevallen van het plaatsen van een overheidsopdracht kan afzien en dat het besluit daartoe niet noodzakelijkerwijs op gewichtige redenen behoeft te berusten. De rechter moet integraal (vol) toetsen of de intrekking van de aanbestedingsprocedure rechtmatig is.
5.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat de Staat in de intrekkingsbeslissing duidelijke redenen heeft meegedeeld voor zijn beslissing. De als eerst genoemde reden, dat in de uitvraag een andere berekeningsmethode voor het opslagpercentage is gehanteerd dan in de raamovereenkomst (ROK) is vastgelegd, rechtvaardigt naar het oordeel van de voorzieningenrechter al de intrekking door de Staat van de minicompetitie. In de minicompetitie wordt het opslagpercentage (mark-up) niet toegepast op de inkoopprijs, zoals in de raamovereenkomst tot uitgangspunt wordt genomen, maar afgetrokken van het kortingspercentage. Het resulterende nettokortingspercentage wordt vervolgens toegepast op de listprijs (GPL-prijs). Dit is een wezenlijk andere berekeningssystematiek dan die welke in het kader van de raamovereenkomst is gehanteerd. Dit leidt ook daadwerkelijk tot verschillende uitkomsten bij gebruik van dezelfde listprijs en hetzelfde kortingspercentage en opslagpercentage. Of er overigens ook sprake was van al de onduidelijkheden, die in dit geding naar voren zijn gebracht, kan gelet daarop in het midden blijven.
5.5.
Alhoewel de Staat zich er in wezen over beklaagt dat geen van de inschrijvers hem op dit gebrek heeft gewezen en, zo begrijpt de voorzieningenrechter diens standpunt, wellicht de intrekking voorkomen had kunnen worden, is toch het ontstaan van het gebrek louter aan de Staat zelf te wijten. Ook onder deze omstandigheden staat het de aanbestedende dienst vrij tot intrekking over te gaan.
5.6.
Protinus heeft zich verder nog uitgelaten over de gevolgen van de intrekking van de aanbesteding. Zij wijst er op dat de vorige overeenkomst voor de levering van Cisco netwerk(security)apparatuur al is beëindigd, zodat de Staat nu zonder aanbestede overeenkomst deze apparaten inkoopt. Ook stelt zij dat de Staat mogelijk beloond wordt voor zijn handelwijze omdat inschrijvers de volgende keer wellicht nog scherper zullen offreren. Wat daar ook van zij, dit kan niet leiden tot de conclusie dat het intrekkingsbesluit niet in stand kan blijven.
Wat zijn de gevolgen hiervan voor de vorderingen van Protinus en Computacenter?
5.7.
De primaire vordering van Protinus in zaak 2 is gelet op het vorenstaande niet toewijsbaar. Bij het treffen van de subsidiair en meer subsidiair gevorderde voorzieningen ten behoeve van de heraanbesteding heeft Protinus geen spoedeisend belang. Dat is wel vereist in dit kort geding, dat uitsluitend is bestemd voor het treffen van ordemaatregelen in spoedeisende gevallen. Ook deze vorderingen zullen dus worden afgewezen.
5.8.
Nu de voorwaarde waaronder Computacenter haar vorderingen in zaak 1 heeft ingesteld niet is vervuld, komt de voorzieningenrechter aan de beoordeling van die vorderingen niet toe.
5.9.
Computacenter heeft in zaak 2 als interveniënt gevorderd om de Staat te gebieden zijn beslissing om de minicompetitie in te trekken te handhaven en, voor zover de Staat de opdracht nog wenst te gunnen, een heraanbesteding daartoe te organiseren. Bij die vordering heeft Computacenter geen (spoedeisend) belang, gelet op de huidige stand van zaken. Die vordering zal dus worden afgewezen.
5.10.
Computacenter zal in zaak 2 worden veroordeeld in de kosten van de Staat, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Staat als gevolg van de hiervoor bedoelde incidentele vordering extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet Protinus in zaak 2 in haar verhouding tot Computacenter worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Computacenter was immers te voorkomen dat de Staat geen gevolg zou mogen geven aan het intrekkingsbesluit, welk doel is bereikt. Protinus zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van Computacenter. Voorts zal Protinus, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat.
5.11.
De proceskosten van zowel Computacenter als de Staat worden in zaak 2 begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
-------------------
Totaal € 2.101
5.12.
In zaak 1, waarin de voorzieningenrechter niet toekomt aan beoordeling van de voorwaardelijke vorderingen, omdat de voorwaarde niet is vervuld, moet Computacenter worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij. Zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van Protinus en de Staat betalen. De proceskosten van Protinus en de Staat worden op hetzelfde bedrag begroot als in zaak 2 (zie 5.11).
5.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Beslissing
6.1.
veroordeelt Computacenter in de proceskosten van de Staat en Protinus van ieder € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Computacenter niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.2.
veroordeelt Computacenter in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het gevorderde af;
6.5.
veroordeelt Computacenter voor wat betreft de door haar ingestelde vordering jegens de Staat in de kosten van de Staat, tot dusver begroot op nihil;
6.6.
veroordeelt Protinus in de overige proceskosten van zowel de Staat als Computacenter van ieder € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Protinus niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 98,00 extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;
6.7.
veroordeelt Protinus in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.8.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.