vonnis
Team handel - voorzieningenrechter
zaak-/ rolnummer: C/09/560634 / KG ZA 18-1001
Vonnis in kort geding van 7 februari 2019
de publiekrechtelijke rechtspersoon
Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek,
gevestigd te Lisse, eiseres,
advocaat mr. V.L.T. van Roy te Leiden,
tegen:
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] , gedaagde,
advocaat mr. S.L. Sarin te Haarlem.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'ISD' en ' [gedaagde] '.
Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding;
de brief van mr. Van Roy, bij de griffie van deze rechtbank binnengekomen op 20 oktober 2018, met producties 1-12;
de brief van 25 oktober 2018 van mr. Sarin met producties 1-4;
de op 29 oktober 2018 gehouden mondelinge behandeling van de zaak, bij welke gelegenheid door ISD pleitnotities zijn overgelegd en de voorzieningenrechter de behandeling van de zaak pro forma heeft aangehouden tot 1 december 2018, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om met het oog op beëindiging van het geschil de mogelijkheid van mediation te beproeven;
de brief van 22 november 2018 - met bijlagen - van mr. Van Roy waarin ISO de voorzieningenrechter bericht over het nader te noemen mutatieformulier d.d. 14 november 2018 waarmee [gedaagde] haar in kennis heeft gesteld van de wijziging van zijn e-mailadres in [e-mailadres] , over het feit dat dit deze adreswijziging voor ISD aanleiding is geweest zich terug te trekken uit het mediation-traject en dat ISO de voorzieningenrechter daarom verzoekt om vonnis te wijzen;
de brief van 28 november 2018 van mr. Sarin over het beëindigen van de mediation; de brief van 10 januari 2019 van mr. Sarin met producties 5-1O;
de brief van 11 januari 2019 van mr. Van Roy met producties 13-16;
de voorzetting van de behandeling van de zaak op 16 januari 2019, bij welke gelegenheid door ISD pleitnotities zijn overgelegd en de voorzieningenrechter vonnis heeft bepaald op heden.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 29 oktober 2018 en van 16 januari 2019 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
ISO is een publiekrechtelijke rechtspersoon op basis van een samenwerkingsverband van • de gemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout en Teylingen. ISO voert voor inwoners van deze gemeenten de taken uit op het gebied van de sociale zekerheid, waaronder de Participatiewet en de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). ISO is bij de Kamer van Koophandel ingeschreven met de geregistreerde handelsnaam: Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISO) Bollenstreek. Voor de uitvoering van haar taken maakt ISO gebruik van de domeinnaam
[domeinnaam 1]
, op welke site het publiek wordt geïnformeerd over de diensten
en activiteiten van ISO.
2.2.
ISO heeft sinds februari 2014 diverse voorzieningen verstrekt aan [gedaagde] , onder meer krachtens de Wet Werk en Bijstand, het Besluit bijstandverlening zelfstandigen en de Participatiewet.
2.3.
Tussen partijen is sinds enige jaren sprake van meerdere (rechterlijke) procedures als gevolg van een aanzienlijk aantal aanvragen, klachten, bezwaarschriften en herzieningsverzoeken van [gedaagde] jegens ISO. [gedaagde] zelf stelt zich op het standpunt dat tussen hem en ISO sprake is van een langlopend conflict.
2.4.
Naar aanleiding van besluitvorming door ISO inzake 82 aan haar gerichte verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) heeft [gedaagde] eind 2015/begin 2016 beroep ingesteld bij de sector Bestuursrecht van deze rechtbank. In de daarop volgende uitspraak van 16 maart 2016 (zaaknummer AWB 15/8337) overweegt de rechtbank dat de handelswijze van [gedaagde] "een duidelijke aanwijzing oplevert dat eiser zijn bevoegdheden aanwendt met een ander doel dan waarvoor deze zijn toegekend".
2.5.
Naar aanleiding van een door [gedaagde] ingesteld beroep tegen (het door ISO niet tijdig nemen van) een besluit op een door [gedaagde] op basis van de Wet openbaarheid van bestuur ingediend verzoek heeft deze rechtbank, sector Bestuursrecht, bij uitspraak van 15 augustus 2018 (zaaknummer: 18/2582) met betrekking tot - zakelijk weergegeven - het tot dan toe aanzienlijke aantal door [gedaagde] bij ISO ingediende WOB-verzoeken geoordeeld dat er (anders dan in voormelde uitspraak van 16 maart 2016) voldoende gronden zijn om het handelen van [gedaagde] aan te merken als misbruik van recht.
2.6.
Ter zitting van 29 oktober 2018 heeft de voorzieningenrechter de openbare behandeling van de onderhavige zaak aangehouden ten partijen in de gelegenheid te stellen om voor wat betreft hun geschil door middel van mediation tot een vergelijk te komen.
2.7.
Op 14 november 2018 heeft [gedaagde] , vlak vóór de aanvang van het mediationtraject, ISO door middel van een mutatieformulier ervan in kennis gesteld dat zijn
e-mailadres is gewijzigd in [e-mailadres] . Kort daarop is. ISO uit
onderzoek gebleken [gedaagde] houder is van de [domeinnaam 2]. Een en ander is voor ISO aanleiding geweest om zich uit het met [gedaagde] in gang te zetten mediationtraject terug te trekken, als gevolg waarvan de eerste mediationbijeenkomst op 16 november 2018 geen doorgang heeft gevonden.
3. l. Na wijziging van eis ter terechtzitting van l 6 januari 2019 vordert ISO - zakelijk weergegeven - [gedaagde] op straffe van dwangsommen te verbieden om, binnen 24 uur na betekening van het hier uit te spreken vonnis, zich gedurende een aaneengesloten periode van twee jaar per kalendermaand meer dan twee keer met brieven, faxen en e-mails of op welke wijze dan ook (SMS, telefonisch, balie etc.) te richten tot ISO en/of haar medewerkers of andere organen of instellingen die zich vanwege de in art. 4 Wet openbaarheid van bestuur en/of andere wettelijke bepalingen opgenomen doorzendplicht moeten wenden tot ISO, daarbij uitdrukkelijk voor bezwaar vatbare beschikkingen niet inbegrepen, waarbij de correspondentie niet meer dan één aanvraag, bezwaar, klacht of herzieningsverzoek mag bevatten en niet mag zien op meer dan één procedure naar aanleiding van een dergelijke aanvraag, bezwaar, klacht of herzieningsverzoek,--, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.
3.2.
Daartoe wordt - samengevat - het volgende aangevoerd. Met het aanzienlijke, in de afgelopen jaren door hem jegens ISO geïnitieerde aantal aanvragen, ingebrekestellingen, bezwaarschriften, klachten of herzieningsverzoeken legt [gedaagde] een onevenredig groot beslag op de capaciteiten van ISO. Daardoor is ISO genoodzaakt om aanvullend op de bestaande capaciteit externe kracht in te schakelen om de hoeveelheid door [gedaagde] ingezette procedures te verwerken. Deze acties jegens de ISO hebben geen redelijk doel en lijken vooral gericht op dwarsbomen en hinderen van de organisatie van de ISO. Bedoeld handelen van [gedaagde] is daarmee onrechtmatig en dient vanwege de daaruit voor ISO volgende schade te worden beëindigd. ISO heeft bij het gevorderde een spoedeisend belang.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.
Overwegingen
4
De beoordeling van het geschil
4.1.
De vordering strekt tot beëindiging van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] . Het spoedeisend belang van ISO is daarmee gegeven.
4.2.
Vooropgesteld wordt dat uit staande jurisprudentie volgt dat de bevoegdheid van een burger om bij overheidsinstanties aanvragen en verzoeken in te dienen kan worden misbruikt, en dat het dientengevolge mogelijk is dergelijk misbruik, als zijnde een onrechtmatige daad, in kort geding te doen verbieden (vgl. ECLI:NL:GHDHA:2014:75), zij het dat daarbij terughoudendheid dient te worden betracht. Van bedoeld misbruik van recht kan sprake zijn als een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven (vgl. ECLI:NL:RVS:2015:3830).
4.3.
ISO heeft ter onderbouwing van het gevorderde onweersproken aangevoerd dat
in de periode van 10 februari 2014 tot datum dagvaarding (3 oktober 2018) bij ISO ruim 390 werkprocessen op naam van [gedaagde] zijn geregistreerd;
dat [gedaagde] over de periode 14 februari 2018 tot en met 22 maart 2018 in totaal 33 verzoeken in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur bij ISO heeft ingediend;
dat [gedaagde] in de hierop volgende periode 27 WOB-verzoeken heeft ingediend en dat [gedaagde] in totaal 106 WOB-verzoeken bij ISO heeft ingediend;
dat [gedaagde] in de periode van l januari 2018 tot 6 september 2018 in totaal 116 aanvragen, waaronder de voornoemde 60 WOB-verzoeken, alsmede ingebrekestellingen, bezwaren, herzieningsverzoeken, aanvragen en klachten bij ISO heeft ingediend;
dat [gedaagde] tegen nagenoeg iedere medewerker van ISD, met wie hij contact heeft gehad, minstens één klacht heeft ingediend, hetgeen klachten betreft tegen administratief personeel, juristen, consulenten en het managementteam van ISO, in totaal uitkomende op 24 klachten;
dat [gedaagde] in juli 2018 binnen één week 19 brieven/verzoeken bij de Afdeling Juridische Zaken van ISD heeft ingediend.
4.4.
Voorts heeft ISD in de dagvaarding onweersproken aangevoerd dat een unieke cliënt van ISD in 2017 gemiddeld 3,07 werkprocessen op zijn naam had staan en dat, daar waar vanaf 2014 sprake is van een dalend gemiddeld aantal werkprocessen (3,32 in 2014 naar 3,07 in 2017) per cliënt, het aantal werkprocessen op naam van [gedaagde] juist een zeer sterke stijging kent in 2017 en nog meer in 2018, waarbij in totaal sprake is van 86 klachten, bezwaren en beroepen die als werkproces bij ISD op naam van [gedaagde] zijn geregistreerd.
4.5.
Bij de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak op 29 oktober 2018 heeft ISD onweersproken aangevoerd dat [gedaagde] op dat moment 424 werkprocessen bij ISD op zijn naam had staan.
4.6.
Bij de voortzetting van de mondelinge behandeling van de onderhavige zaak op 16 januari 2019 heeft ISD onweersproken aangevoerd dat [gedaagde] op 11 januari 2019 524 werkprocessen bij ISD op zijn naam had staan.
4.7.
Niet in geschil is dat [gedaagde] heeft verklaard dat zijn WOB-verzoeken moeten worden gezien in het licht van het tussen hem en ISD bestaande conflict en dat deze verzoeken gericht zijn op het verkrijgen van duidelijkheid. Met ISO is de voorzieningenrechter van oordeel dat daarmee, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, evenwel bij een aanzienlijk deel van de door [gedaagde] aan ISD gerichte verzoeken om informatie niet zonder meer sprake is van redelijk doel, gezien het feit dat ISD onweersproken heeft aangevoerd dat de verzoeken van [gedaagde] onder meer zien op reisdeclaraties, arbeidsovereenkomsten en diploma's van bij ISD werkzame personen en op de aanschafnota van een bij ISD in gebruik zijn informatiebord met huisregels. Ter zitting van 29 oktober 2018 is van de zijde van [gedaagde] nog aangevoerd dat de reden voor de vele WOB-verzoeken gelegen is in het feit dat ISD bij verzending van beslissingen op verzoeken c.q. verzoekschriften niet alle stukken meestuurt en daarop weer volgende verzoeken nodig zijn. Dat is evenwel zonder nadere toelichting, die ook hier ontbreekt, niet te rijmen met het besluit van 27 maart 2018 (prod. 1 [gedaagde] ), waarin ISD alle op dat moment lopende WOB-verzoeken van [gedaagde] heeft ingewilligd en daarbij aan [gedaagde] tevens zijn "volledige dossier" heeft meegezonden, onder meer inzake alle afgehandelde werkprocessen en alle documenten die daarbij gebruikt zijn, daarvan onderdeel uitmaken of daaruit zijn voortgekomen, een en ander met vermelding dat [gedaagde] daarmee voor deze werkprocessen geen WOB-verzoeken meer hoeft in te dienen. Voorts wordt in aanmerking genomen dat, zoals ISD ter zitting van 16 januari 2019 onweersproken heeft aangevoerd, [gedaagde] op 10 december 2018, derhalve na de eerste zitting in deze zaak, nog zes WOB-verzoeken heeft ingediend die voornamelijk betrekking hadden "op declaraties door ambtenaren van hun reiskosten in het kader van zittingen met de heer [gedaagde] ". Zonder toelichting is ook hier niet duidelijk welk (rechtmatig) belang van [gedaagde] met het verkrijgen van dergelijke informatie kan zijn gediend.
4.8.
Een en ander leidt voorshands tot de slotsom dat [gedaagde] jegens ISO in meerdere gevallen zonder redelijk doel gebruik heeft gemaakt van de hem als burger ten opzichte van ISO als bestuursorgaan toekomende bevoegdheden, dan wel die bevoegdheden heeft aangewend met een ander doel dan waarvoor deze bevoegdheden zijn toegekend, en dat [gedaagde] daarmee ongerechtvaardigd een dermate onevenredig beslag legt op de capaciteit van ISO dat gesproken kan worden van misbruik van recht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is aannemelijk dat, als de vordering hem ter beoordeling wordt voorgelegd, ook de bodemrechter tot dit oordeel zal komen. De vordering zal daarom als navolgend worden toegewezen.
4.9.
Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. Gelet op de proceshouding van [gedaagde] ter zitting in deze zaak en de daar ook behandelde zaak met zaak- en rolnummer C/09/564350 / KG ZA 18-1267 ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de op te leggen dwangsom te matigen. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd.
4.10.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
Beslissing
5.1.
verbiedt [gedaagde] om, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, zich gedurende een aaneengesloten periode van twee jaar per kalendermaand meer dan twee keer met brieven, faxen en e-mails of op welke wijze dan ook (SMS, telefonisch, balie etc.) te richten tot ISO en/of haar medewerkers of andere organen of instellingen die zich vanwege de in art. 4 Wet openbaarheid van bestuur en/of andere wettelijke bepalingen opgenomen doorzendplicht moeten wenden tot ISO, daarbij uitdrukkelijk voor bezwaar vatbare beschikkingen niet inbegrepen, waarbij de betreffende correspondentie niet meer dan één aanvraag, bezwaar, klacht of herzieningsverzoek mag bevatten en niet mag zien op meer dan één procedure naar aanleiding van een dergelijke aanvraag, bezwaar, klacht of herzieningsverzoek, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,-- voor elke keer dat dit verbod wordt overtreden, met een maximum van€ 25.000,--;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van ISO begroot op € l.704,01, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat, € 626,-- aan griffierecht en € 98,01 aan dagvaardingskosten;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar op 7 februari 2019.