Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/695594 / KG ZA 25-1190
Vonnis in kort geding van 30 december 2025
[de vader] te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. P.C. Burger te Den Haag,
[de moeder]
te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. F.O. Ligeon-Merton te [geboorteplaats 2] .
Partijen worden in het navolgende respectievelijk ‘de vader’ en ‘de moeder’ genoemd.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
De vader en de moeder zijn met elkaar gehuwd geweest van [datum 1] 2011 tot [datum 2] 2024.
2.2.
Zij zijn de ouders van de thans nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2] ;
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats 2] .
2.3.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag over de kinderen.
2.4.
De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.5.
In de beschikking van de rechtbank Overijssel van 12 juli 2024 is op gemeenschappelijk verzoek van partijen de echtscheiding uitgesproken en het convenant en het ouderschapsplan zijn in de beschikking opgenomen. In het ouderschapsplan hebben partijen ten aanzien van de zorgregeling – voor zover hier van belang – afgesproken dat de vader de kinderen twee maal per week naar school brengt en ophaalt en op woensdagavond [de minderjarige 1] naar pianoles brengt en na de les weer terugbrengt naar de moeder. In het weekend ziet de vader de kinderen een aantal uren achter elkaar, in onderling overleg te bepalen en voorlopig altijd met de moeder of [naam 2] of [naam 3] (de grootouders vaderszijde) in de buurt.
2.6.
De zorgregeling zoals overeengekomen in het ouderschapsplan en vastgesteld in de beschikking van 12 juli 2024 wordt sinds 12 november 2025 door de moeder niet meer nagekomen. Sindsdien heeft de vader de kinderen niet meer gezien.
3.1.
De vader vordert – zakelijk weergegeven – en voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:
I. nakoming van de zorgregeling, zoals is vastgesteld in het ouderschapsplan en opgenomen in de beschikking van de rechtbank Overijssel van 12 juli 2024, in die zin dat de vader voortaan gerechtigd is om de kinderen onbegeleid bij zich te hebben tijdens de contactmomenten;
II. bij afwijzing van het onder I. gevorderde, de moeder te veroordelen om de zorgregeling zoals is vastgesteld in het ouderschapsplan en opgenomen in de beschikking van de rechtbank Overijssel van 12 juli 2024, na te komen;
III. aan de nakoming van de vordering onder I. en II. een dwangsom te verbinden van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de moeder de veroordeling niet nakomt, met een maximum van € 25.000,-, althans een zodanige dwangsom als de rechtbank juist acht;
IV. de moeder te veroordelen haar medewerking te verlenen aan een zorgregeling tijdens de aankomende kerstdagen, in die zin dat de vader de kinderen bij zich heeft op eerste of tweede kerstdag van 15:00 uur tot 21:30 uur, waarbij de vader de kinderen bij de moeder zal ophalen en weer terugbrengen, op straffe van verbeurte van en dwangsom van € 500,-, althans een zodanige dwangsom als de rechtbank juist acht;
V. de moeder te veroordelen in de kosten van het geding.
3.2.
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. Sinds 12 november 2025 heeft de vader de kinderen niet meer gezien. De moeder weigert nog langer mee te werken aan de door partijen overeengekomen zorgregeling die in de beschikking is vastgesteld. De vader heeft via zijn advocaat de moeder aangeschreven om de zorgregeling na te komen. Uit de reactie van de moeder maakt de vader op dat zij de zorgregeling niet meer in het belang van de kinderen vindt, waarbij zij zorgen heeft geuit over de veiligheid en het gedrag van de vader. De vader begrijpt de aanvallende en beschuldigende houding van de moeder niet en is het er niet mee eens dat zij de zorgregeling eenzijdig heeft stopgezet. Hij heeft erop gewezen dat zijn behandeling voor zijn stoornis al enige tijd geleden is afgerond en zijn behandelaar heeft aangegeven dat het risico dat er gevaarlijk gedrag voor de kinderen bestaat uiterst laag wordt ingeschat.
3.3.
De moeder voert verweer. De moeder concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vader in zijn vorderingen althans tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure.
Overwegingen
4
De beoordeling van het geschil
4.1.
Als uitgangspunt geldt dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling moet worden nagekomen. Dit kan echter anders zijn indien zich na de datum van de beschikking nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die maken dat deze zorgregeling niet (meer) in het belang van de kinderen moet worden geacht.
4.2.
De voorzieningenrechter constateert dat de situatie na de beschikking van 12 juli 2024, waarin de door de ouders in het ouderschapsplan onderling getroffen zorgregeling is opgenomen, is veranderd. Immers, gebleken is dat er frictie is ontstaan in de relatie tussen de vader en zijn ouders, waarvan de kinderen tijdens de begeleide omgang last hebben. Daarnaast hebben de ouders van de vader te kennen gegeven het zelf te belastend te vinden om steeds bij het contact tussen de vader en de kinderen aanwezig te moeten zijn. De grootouders hebben daarom te kennen gegeven niet langer meer te willen meewerken aan de begeleiding van het contact. Hierop heeft de moeder de zorgregeling eenzijdig beëindigd.
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het onder de gegeven omstandigheden niet in het belang van de kinderen is om de vastgestelde begeleide zorgregeling ongewijzigd voort te zetten. Daarbij is van belang dat begeleiding door de grootouders niet veel langer van hen kan worden gevergd. Voor zover de grootouders al bereid zouden zijn hun hulp nog te verlengen is dat ook geen oplossing meer, nu gebleken is dat de kinderen steeds meer last hebben van de spanningen tussen de vader en de grootouders.
4.4.
De vader wenst het contact met zijn kinderen voortaan onbegeleid voort te zetten en heeft er daarbij op gewezen dat bij het opstellen van het ouderschapsplan het de intentie van de ouders was om naar co-ouderschap toe te werken. De moeder verzet zich tegen onbegeleide omgang en meent juist dat de omgang tussen de vader en de kinderen verder begeleid door een professionele derde zal moeten plaatsvinden, zoals ook de ingezette hulpverlening (Veilig Thuis en Stichting Zo!) op 15 december 2025 heeft geadviseerd. Die heeft blijkens de stukken geadviseerd om zo snel mogelijk te starten met begeleide omgang (BOR) via Humanitas op de locatie in Gouda en als dit niet mogelijk is begeleide omgang via Next St3p.
4.5.
De voorzieningenrechter is met de moeder en de Raad van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat het contact tussen de vader en de kinderen voorlopig begeleid zal blijven plaatsvinden, met begeleiding door een professionele instantie. Immers, het is belangrijk dat er op regelmatige basis contact is tussen de vader en de kinderen, zodat de kinderen een hechtingsrelatie met hun vader kunnen opbouwen en dat de kinderen duidelijkheid ervaren over wanneer en hoe lang het contact precies zal plaatsvinden. Maar dit contact moet wel veilig zijn en zoveel mogelijk onbelast. In het beperkte kader van dit kort geding kan niet worden vastgesteld of de (nieuwe) zorgen van de moeder over de vader terecht zijn, omdat de vader deze heeft betwist. Het is echter wel duidelijk dat de kinderen veel spanning ervaren in de hele situatie die voor hen ook heel moeilijk is en het is daarom van belang dat onafhankelijke begeleiders hen steunen en begeleiden in het contact met de vader.
4.6.
Zoals op de zitting is besproken, ziet de voorzieningenrechter onder de gegeven omstandigheden aanleiding om een aangepaste zorgregeling vast te stellen voor de komende periode (waaronder de kerstvakantie) totdat de begeleide omgang door een professionele instantie zal starten. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de vader op zitting heeft aangegeven dat zijn ouders bij nader inzien bereid zijn om de omgang toch nog enige tijd te blijven begeleiden en de periode tot aan de start van de professionele begeleiding voor hen overzienbaar is.
4.7.
De voorzieningenrechter heeft op de zitting een dringend beroep op de ouders gedaan om in ieder geval met elkaar afspraken te maken voor de komende kerstvakantie. De ouders zijn vervolgens onder regie van de voorzieningenrechter het volgende overeengekomen:
de vader heeft tijdens de kerstvakantie omgang met de kinderen voor 5 uur per omgangsmoment, begeleid door de grootouders vaderszijde, waarbij de dagen en tijden in samenspraak met de grootouders nog definitief worden afgesproken (en als de grootouders niet willen / kunnen dan zal er geen omgang plaatsvinden) maar voor zover begeleiding mogelijk is in ieder geval op:
eerste kerstdag, 25 december 2025 van 15 uur tot 21 uur;
zondag 28 december 2025 van 12 uur tot 17 uur;
woensdag 31 december 2025 van 12 uur tot 17 uur;
zaterdag 3 januari 2026 dan wel zondag 4 januari 2026 van 12 uur tot 17 uur,
waarbij de moeder de kinderen zal halen en terugbrengen.
De voorzieningenrechter zal deze afspraken als regeling vaststellen, omdat dit in het belang van de kinderen is.
4.8.
De voorzieningenrechter hoopt dat de begeleide omgang via de professionele instantie (Humanitas dan wel Nextst3p) na de kerstvakantie kan worden gestart. Voor zover dit nog niet het geval is, zal de voorzieningenrechter bepalen dat er voorlopig twee contactmomenten per week tussen de vader en de kinderen zullen plaatsvinden, namelijk één moment doordeweeks en één moment in het weekend, begeleid door de grootouders dan wel de buddy’s van de kinderen. Verder zal de voorzieningenrechter bepalen dat de vader zodra dat is geregeld voorlopig onder begeleiding van een professionele instantie begeleide omgang met de kinderen zal hebben, waarbij de contactmomenten in samenspraak met de begeleiding worden vastgesteld en de zorgregeling onder regie van deze professionele instantie, indien dat door de begeleiding mogelijk wordt geacht, verder kan worden uitgebreid.
4.9.
De voorzieningenrechter ziet (nog) geen aanleiding om aan deze gewijzigde zorgregeling voor de moeder een dwangsom te verbinden. Dat zou op dit moment de verhoudingen meer op de spits drijven. Ook valt te verwachten dat de moeder deze begeleide omgangsregeling correct zal nakomen, nu zij daarom zelf heeft gevraagd en is niet aannemelijk dat zij nadere aanwijzingen van de hulpverlening over eventuele uitbreiding van contact niet zal volgen.
4.10.
Wel maakt de voorzieningenrechter zich, evenals beide partijen, grote zorgen over het welzijn van de kinderen. Mede gelet op het verleden van de vader en het grote wantrouwen van de moeder, waarbij zij zich afvraagt of de kinderen wel veilig bij de vader zijn zonder begeleiding, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om – evenals de raadsvertegenwoordiger op zitting heeft geadviseerd – in deze zaak aan de raad, vooruitlopend op de beslissingen in een nog aanhangig te maken bodemprocedure over in ieder geval de zorgregeling, te vragen om onderzoek te doen. Dat onderzoek dient betrekking te hebben op beantwoording van de volgende vragen:
Verzet het belang van de kinderen zich tegen (onbegeleid) contact met de vader? Zo niet, welke (opbouw-)regeling met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is het meest in het belang van de kinderen te achten en onder welke eventuele voorwaarden?
Is (nadere) hulpverlening voor de kinderen, de moeder en/of de vader noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
Daarbij is het aan de raad om te beoordelen of het nodig is het onderzoek uit te breiden met een onderzoek naar de vraag of een beschermingsmaatregel nodig is.
4.11.
Dit raadsonderzoek dient te worden uitgevoerd ten behoeve van en met het oog op een bodemprocedure tussen partijen. Dit geding leent zich daar niet voor. De voorzieningenrechter heeft met partijen besproken dat de meest gerede partij daartoe binnen vier weken na heden een bodemprocedure zal starten en het zaak- en rekestnummer van die procedure aan de raad dient door te geven. De raad dient zijn rapportage in die bodemprocedure in te brengen.
4.12.
In de omstandigheid dat partijen samen de ouders zijn van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , wordt aanleiding gevonden om te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.
Beslissing
5.1.
bepaalt, met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank Overijssel van 12 juli 2024 met daarin opgenomen het ouderschapsplan, dat de minderjarigen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 te [geboorteplaats 1] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats 2] ;
- [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 te [geboorteplaats 2] ;
tijdens de komende kerstvakantie een aantal dagen contact hebben met de vader, mits begeleid door de grootouders vaderszijde, waarbij de dagen en tijden in samenspraak met de grootouders nog definitief worden afgesproken, maar waarbij wordt gestreefd naar:
eerste kerstdag, 25 december 2025 van 15 uur tot 21 uur;
zondag 28 december 2025 van 12 uur tot 17 uur;
woensdag 31 december 2025 van 12 uur tot 17 uur;
zaterdag 3 januari 2026 dan wel zondag 4 januari 2026 van 12 uur tot 17 uur,
waarbij de moeder de kinderen zal halen en terugbrengen;
en vervolgens, totdat de begeleide omgang door een professionele instantie zal starten, er twee contactmomenten per week tussen de vader en de kinderen zullen plaatsvinden, namelijk één moment doordeweeks en één moment in het weekend, begeleid door de grootouders dan wel de buddy’s van de kinderen;
en vanaf het moment dat de begeleide omgang door een professionele instantie is gestart, dat de vader voorlopig onder begeleiding van de professionele instantie begeleide omgang met de kinderen heeft en dat deze zorgregeling zo mogelijk onder regie van deze professionele instantie verder kan worden uitgebreid;
5.2.
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten als hierboven onder 4.10 en 4.11 overwogen en daarover te rapporteren en te adviseren ten behoeve van de nog aanhangig te maken bodemprocedure, waarvan het zaak- en rekestnummer nog door de meest gerede partij aan de Raad voor de Kinderbescherming zal worden doorgegeven;
5.3.
bepaalt dat de griffier daartoe een afschrift van de gedingstukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet in het openbaar uitgesproken op
30 december 2025.