2.1.
[eiseres] was verzekerd bij NN. Zij beëindigde in 2024 zelf haar autoverzekering en de verzekering van schade van inzittenden (SVI-verzekering). NN beëindigde de overige verzekeringen in 2025.
2.2.
[eiseres] was betrokken bij verkeersongevallen op 15 oktober 2016, 17 september 2019, 27 juli 2020, 9 september 2021 en 18 juni 2022.
2.3.
Ter afwikkeling van de schade van het verkeersongeval van 2016 heeft [eiseres] overlegd met ASR Schadeverzekering N.V. (hierna: ASR), de verzekeraar van de aansprakelijke partij. In dat verband zijn onder meer medische adviezen opgesteld, zijn schadeposten in kaart gebracht en is in november 2018 een huisbezoek gedaan. In januari 2019 is een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin [eiseres] en ASR zijn overeengekomen dat ASR [eiseres] een bedrag van € 36.000 betaalt en dat [eiseres] daarna niets meer van ASR te vorderen heeft.
2.4.
[eiseres] meldde op 18 september 2019 bij NN dat zij op 17 september 2019 een aanrijding had gehad met haar auto (hierna: het ongeval van 2019) en daardoor auto- en letselschade had geleden. Begin oktober 2019 meldde [eiseres] dat de schade aan herstel van haar auto € 2.611,25 kostte en dat zij taxikosten maakte, zelf fysiotherapie en accupunctuur moest betalen en dat een vriendin moest komen helpen met de huishouding.
2.5.
NN erkende aansprakelijkheid voor schade door het ongeval van 2019.
2.6.
In opdracht van NN werd op 19 december 2019 een ‘rapport personenschade’ opgesteld over de (gevolgen van) het ongeval van 2019 waarin onder meer het volgende staat:
Algemeen:
Op 17 december bezocht ik betrokkene [rechtbank: [eiseres] ] in Den Haag.
Doel van mijn bezoek was kennis te maken en de schade te inventariseren.
Mijn bezoek duurde ongeveer 60 minuten.
Beschrijving van het ongeval:
Verzekerde reed weg uit parkeerstand.
Medische situatie:
Over de medische situatie, vertelde betrokkene het volgende.
Klachten direct na het ongeval
Misselijk, duizeligheid.
Verloop herstel/behandelingstraject
Betrokkene is met haar hoofd tegen de linker zijde van de ruit terecht gekomen. Zij was misselijk en duizelig. Er is geen politie en ambulance ter plaatse gekomen. Betrokkene is zelf naar huis gereden. Nog dezelfde dag heeft betrokkene de huisarts gebeld. De volgende dag is zij naar de huisarts gegaan. Deze constateerde dat er sprake was van een hersenschudding en whiplashachtige klachten. De huisarts verwees betrokkene naar de fysiotherapeut. Daar is betrokkene gestart op 2 oktober. De behandelingen bestaan uit oefeningen en dry needling. Op advies van de fysiotherapeute gaat betrokkene eenmaal per 2 weken naar de accupunctuur.
Betrokkene heeft recent weer telefonisch contact opgenomen met de huisarts omdat zij het gevoel heeft dat haar zicht links is verminderd. Ook heeft de fysiotherapeut geadviseerd een scan te laten maken van de nek. De huisarts heeft met betrokkene afgesproken dat zij hiervoor in januari een afspraak maakt.
Huidige klachten en beperkingen
Betrokkene heeft heftige hoofdpijnklachten die zij omschrijft als een drukkende bonkende pijn. Verder zijn er nekklachten die doorstralen naar de schouders, rug en benen. Betrokkene ervaart tintelingen in de linker gezichtshelft. Zij heeft het gevoel dat haar wang naar beneden hangt. Verder zijn er visusklachten. Ook is er sprake van concentratieverlies en kan zij slecht tegen drukte/harde geluiden. Door de klachten slaapt betrokkene slecht.
Medicatie
Morfinepleisters en tramadol.
Gezondheid voor het ongeval
In 2017 was er sprake van een hernia in de onderrug. Deze is behandeld middels rust. Verder heeft betrokkene nooit eerder dergelijke klachten gehad.
Arbeidsaspecten:
Arbeid
Betrokkene zit al geruime tijd in de WIA vanwege psychische klachten.
Overige opmerkingen
Betrokkene is mantelzorger voor maar moeder en gehandicapte broer. Dit kan zij vanwege de klachten nu niet doen.
Persoonlijke omstandigheden:
(…)
Huishouding
Voor het ontstaan van het ongeval was betrokkene volledig belast met de huishoudelijke taken. Sinds het ontstaan van het ongeval komt de vriendin van betrokkene. Vanaf begin oktober heeft betrokkene een externe huishoudelijke hulp. Zij komt 5 uur per week en zij betaald haar € 15,00 per uur.
Zelfwerkzaamheid
Betrokkene bezit een koopwoning die zij verhuurt. In de zomer is de oude huurder vertrokken en was betrokkene bezit om de woning op te knappen zodat deze vanaf 1 januari weer verhuurd kan worden. Helaas lukt het betrokkene nu niet om de woning op te knappen en mist zij € 1.250,00 huuropbrengst vanaf januari 2020.
Tuinonderhoud
Ook het tuinonderhoud kwam voor ontstaan van het ongeval voor rekening van betrokkene. Omdat het nu winter is is onderhoud niet aan de orde.
Bijzonderheden
De zoon van betrokkene zit in het examenjaar van de HAVO. Betrokkene gaf hem zelf wiskundeles. Vanwege de concentratieproblemen lukt dit nu niet meer zodat betrokkene daar thans iemand voor inhuurt.
Schade:
schadestaat
- Huishoudelijke Hulp € 75,00 per week. Tot 1 januari noteer ik € 1.125,00
- Verlies Zelfwerkzaamheid (…)ter voorkoming van gemis huuropbrengst noteer ik € 1.000,00
- Reiskosten; betrokkene heeft gedurende 3 weken geen autogehad en heeft in die periode een beroep gedaan op beide buren.Het gaat om 3 x €85,00 € 255,00
- Bijles € 30,00 per week. Tot 1 januari noteer ik € 390,00
- Ziektekosten: betrokkene stuurt nota’s van fysiotherapieen accupunctuur toe PM
- Sportabonnement; €125,00 per maand. Tot 1 januari € 437,50
€ 3.207,50
Opmerkingen en/of toelichting schadestaat
Met betrokkene besprak ik de mogelijkheid van een pragmatische afwikkeling. Betrokkene gaf er echter de voorkeur aan herstel verder af te wachten.
Ik heb daarom met betrokkene besproken dat de kosten tot 1 januari conform opgave zullen worden overgenomen. Vanaf dat moment zal een en ander getoetst worden aan de hand van de beschikbare medische informatie. Betrokkene gaf aan dit te begrijpen.
Betaling voorschotten
Betaald € 1.000,00
Toegezegd € 2.500,00
Ik heb belanghebbende toegezegd, dat NN binnen 14 dagen na dit bezoek een betalingsopdracht verricht voor het afgesproken bedrag € 2.500.00
2.7.
Op 3 september 2020 liet de belangenbehartiger van [eiseres] , Letsel Consultancy, aan NN weten dat de medische toestand van [eiseres] nog niet was veranderd. Zij stuurde een voorlopige schadestaat (met onder meer de posten huishoudelijke hulp, zelfwerkzaamheid, tuinonderhoud en bijles) die uitkwam op € 10.523,50 voor de periode tot en met 31 augustus 2020 en verzocht verdere bevoorschotting. Op dat moment was € 3.500 bevoorschot.
2.8.
In november 2020 stuurde Letsel Consultancy aan NN onder meer
een bericht van de fysiotherapeut van de [eiseres] van 12 november 2019 waarin staat dat [eiseres] last heeft van spanningshoofdpijn, hypertonie nek- en rugmusculatuur, hersenschuddingsymptomen en orgaanklachten (darmen, nieren, lever, maag, milt), dat er whiplashklachten en orgaanklachten zijn ontstaan door een aanrijding, dat het doel is dat [eiseres] binnen 12 maanden klachtenvrij is en volledig herstel verwacht wordt;
een bericht van dezelfde fysiotherapeut van 19 augustus 2020 waarin staat dat [eiseres] sinds 2 oktober 2019 onder behandeling is en dat haar klachten zijn begonnen na een auto-ongeval op 17 september 2019. De klachten bestaan uit: hoofdpijn, nekpijn, schouderpijn, rugpijn, duizeligheid en concentratiestoornissen. De klachten zijn constant aanwezig. De prognose is nog onduidelijk omdat de klachten chronisch geworden zijn;
een bericht van de huisarts van [eiseres] van 25 september 2020 waarin over de voorgeschiedenis staat: “Sinds 2017 bekend met een HNP L5S1 links. Geen klachten meer na fysiotherapie in 2018. Na ongeval 17-09-2019 klachten volledig terug met uitstraling benen bdz.”.
Naar aanleiding van de door [eiseres] verstrekte medische informatie scheef de medisch adviseur van NN op 21 december 2020 dat hij verder inhoudelijk kon adviseren als duidelijk was wat op basis van welke informatie concreet als gevolg van de aanrijding werd geclaimd.
2.9.
[naam] , medisch adviseur van [eiseres] stelde op 18 februari 2021 een advies op. Hij schreef onder meer:
Na haar ongeval op 17-09-2019 had betrokkene klachten van een hersenschudding, een WAD (=Whiplash Associated Disorder) Graas 1-2 volgens de indeling van de QuebecTask Force (1995) met pijn in de nek, beide schouders en rug op basis van een hypertonie van de musculatuur met daarbij een uitstraling naar schouders, rug en benen. Daarnaast had ze een verminderd gevoel aan de linkerzijde van haar gezicht en links ook een verstoord gezichtsvermogen. Er waren concentratiestoornissen, ze verdroeg geen drukte en harde geluiden en sliep slecht. Deze klachten had ze nooit eerder gehad. (…)
In haar voorgeschiedenis was ze sinds 2017 bekend met een hernia tussen de 5e lendenwervel en het heiligbeen aan de linkerkant van de rug (=HNP L5-s1 links) Met behulp van fysiotherapie in 2018 had ze geen klachten meer. Na het ongeval op 17-09-2019 waren deze hernia-klachten weer terug met een uitstraling in beide benen.
(…)
De klachten van het gezicht en het gezichtsvermogen zijn ontstaan kort na het ongeval. Er wordt een verminderde en verkleurde zicht aan het linkeroog ervaren/ uit de ontvangen informatie lijkt er geen sprake te zijn van een voorgeschiedenis met betrekking tot het oog.
Conclusie:
Voor het bewijs van het bestaan van subjectieve klachten zoals geuit door betrokkene is het niet vereist dat ze worden geobjectiveerd aan de hand van in de reguliere gezondheidszorg gebruikte richtlijnen en onderzoeksmethoden. Het is voldoende als kan worden vastgesteld dat deze klachten niet ingebeeld dan wel overdreven zijn.
Aan de hand van beschikbare correspondentie van verschillende behandelaars komt dit naar mijn mening hierin niet naar voren. Voor het ongeval bestonden de door betrokkene geuite klachten niet. De klachten lijken duidelijk gerelateerd te zijn aan het ongeval van 16-09-2019.
2.10.
Letsel Consultancy stuurde NN in februari 2021 een aangepaste schadestaat voor de schade van het ongeval van 2019 over de periode tot en met 19 februari 2021 uitkomend op € 13.698,50 (waarvan toen € 6.000 bevoorschot).
2.11.
In 2021 hebben de medisch adviseurs van [eiseres] en NN nadere adviezen uitgebracht. Daarbij kwam van de kant van [eiseres] nog een bericht van haar huisarts van 21 juni 2021 aan de orde, waarin staat dat [eiseres] al 15 jaar bekend was in de praktijk en voor het ongeval niet bekend was met soortgelijke klachten.
Partijen werden het niet eens over het causaal verband tussen het ongeval van 2019 en de door [eiseres] gestelde schade en kwamen niet tot overeenstemming over een slotuitkering. NN betaalde in totaal 10.000 aan voorschotten aan [eiseres] .
2.12.
In de loop van 2021 raakte NN ermee bekend dat [eiseres] op 27 juli 2020 opnieuw betrokken was bij een ongeval en dat zij ook in 2016 schadevergoeding had geclaimd naar aanleiding van een aanrijding, hiervoor bedoeld in 2.3.
2.13.
In 2016 reed [eiseres] tegen een andere auto aan toen haar voet van de koppeling schoot terwijl zijn stilstond. Ze zou toen met haar hoofd tegen het stuur zijn gekomen en daardoor letsel aan haar nek, hoofd en schouders hebben opgelopen.
In een medisch advies van 8 februari 2018 staat dat [eiseres] door het ongeval van 2016 last heeft van nek- en lage rugklachten die uitstralen naar het linker en later ook het rechter been, en dat sprake is van hoofdpijn, concentratiestoornissen en duizeligheid.
2.14.
In het verslag van een in opdracht van ARS op 31 oktober 2018 uitgevoerd huisbezoek aan [eiseres] over de schade van het ongeval in 2016 staat onder meer dat het niet goed gaat met [eiseres] , dat zij last heeft van pijnklachten die uitstralen naar beide voeten en morfinepleisters gebruikt en dat zij geen huishoudelijk werk kan doen en vijf uur hulp heeft per week voor € 15 per uur en verder kosten heeft vanwege verlies aan zelfwerkzaamheid, fysiotherapie en accupunctuur en aanspraak maakt op smartengeld. De schadebehandelaar van ASR stelde destijds een slotbetaling voor van € 28.000.
Daarop reageerde [eiseres] in eerste instantie, medio november 2018, afwijzend en schreef: “U heeft bij het huisbezoek de schade voor 5 jaar na januari van dit jaar berekend en u kwam uit op 28000 euro. (…) Dan heb ik u gevraagd waarom u uitgaat van 5 jaar schade terwijl de afgelopen 2 jaar mijn klachten eerder zijn verergerd dan verminderd. (…) Ik heb zoals u advies was met mijn huisarts en mijn fysio hierover gesproken omdat zij mijn klachten kennen en ook zij vinden het onzin om ervan uit te gaan dat ik door een wonder over 5 jaar ineens genezen ben van de klachten.”. Later is [eiseres] toch met het voorstel akkoord gegaan en in januari 2019 werd met ASR de vaststellingsovereenkomst gesloten.
2.15.
In 2022 werd [eiseres] aangereden door een auto met een Spaans kentekenplaat, die na het ongeval is doorgereden. Het Nederlands Bureau zal de daardoor geleden schade vergoeden. Vanaf 9 februari 2024 treedt NN op als regelend verzekeraar inzake deze schadeclaim. [eiseres] meldde naar aanleiding van dat ongeval onder meer nek- en schouderklachten, en dat zij vanaf het ongeval 5 uur per week huishoudelijke hulp nodig had. Zij stuurde een schadestaat met deels dezelfde schadeposten als opgenomen in haar schadestaat voor de schade van het ongeval van 2019.
2.16.
De belangenbehartiger van [eiseres] stuurde bij e-mailbericht van 26 mei 2023 een nadere voorlopige schadestaat aan NN. Daarin is de verschenen schade opgenomen over de periodes:
17 september 2019 tot en met 31 augustus 2020 (€ 10.523,50),
1 september 2020 tot en met 19 februari 2021 (€ 3.175)
20 februari 2021 tot en met 12 september 2021 (€ 2.570) en
13 september 2021 tot en met 21 mei 2023 (€ 10.245). Het totaal komt daarmee – nog afgezien van de posten smartengeld en reiskosten die PM waren opgenomen – op € 26.513,50 (waarvan dan € 10.000 bevoorschot).
2.17.
Letsel Consultancy, dat [eiseres] bijstond in haar overleg met NN is een eenmanszaak op naam van [eiseres] .
2.18.
Bij brief van 23 december 2024 deelde NN aan [eiseres] mee dat er ernstige twijfels bestaan over de juistheid van de ingediende letselschadeclaims naar aanleiding van de ongevallen in 2019, 2020 en 2022 en dat daarom geen verdere uitkeringen meer worden gedaan, € 5.182 wordt teruggevorderd en de gegevens van [eiseres] tot 4 oktober 2030 worden opgenomen in de gebeurtenissenadministratie en het intern verwijzingsregister en tot 4 oktober 2028 in het Incidenten- en extern verwijzingsregister, en melding wordt gedaan bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit.
3.1.
[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. NN gebiedt [eiseres] uit alle interne- en externe registers te verwijderen;
II. NN gebiedt de opzegging van alle verzekeringen van [eiseres] ongedaan te maken;
III. NN gebiedt de vordering van € 5.182 te doen vervallen;
IV. NN gebiedt om het letselschadedossier van het ongeval in 2022 per omgaande te retourneren naar het Nederlands Bureau voor verdere behandeling;
V. NN veroordeelt aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 21.090,42, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 16.513,50 vanaf 21 mei 2023 en over € 4.576,92 vanaf 15 oktober 2024;
VI. NN gebiedt om met een redelijk afwikkelingsvoorstel te komen om het letselschadedossier inzake het ongeval in 2019 voorgoed af te ronden;
VII. NN veroordeelt in de kosten van deze procedure, inclusief de wettelijke rente.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering I ten grondslag dat zij ten onrechte is opgenomen in de registers omdat geen sprake was van fraude en zij niet opzettelijk onjuiste of te weinig informatie heeft verstrekt aan NN om zo een hogere uitkering te krijgen of valse claims heeft ingediend.
3.3.
Vordering V baseert [eiseres] op de aansprakelijkheid van NN voor de gevolgen van het ongeval in 2019. [eiseres] verwijst voor de hoogte van haar schade naar de schadestaat van mei 2023. Die schade moet NN haar vergoeden omdat met de door haar overgelegde medische adviezen voldoende duidelijk is dat die schadeposten voortkomen uit klachten en beperkingen die door het ongeval zijn veroorzaakt. Met vordering VI beoogt [eiseres] te bewerkstelligen dat de schadeafwikkeling verder voortvarend verloopt.
3.4.
[eiseres] heeft desgevraagd met betrekking tot vordering IV toegelicht dat NN al geruime tijd niets doet met dat dossier en dat zij er geen enkel vertrouwen in heeft dat haar schade adequaat zal worden afgewikkeld.
3.5.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] haar vordering ten aanzien van het ongedaan maken van de beëindiging van de verzekeringen bij NN niet gehandhaafd en met betrekking tot vordering III bevestigd dat haar standpunt ten aanzien van de tegenvordering van NN geldt als verweer tegen die door NN (in reconventie) ingestelde vordering.
3.6.
NN voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.7.
Volgens NN is voldaan aan de vereisten voor opname van [eiseres] in de registers omdat zij onjuiste en onvolledige informatie heeft verstrekt om een hogere uitkering te krijgen dan haar toekwam. NN voert daartoe onder meer aan dat [eiseres] ten onrechte niet heeft gemeld dat zij – mede naar aanleiding van het ongeval in 2016 – al klachten en beperkingen had en/of in het verleden had.
[eiseres] heeft volgens NN (primair) vanwege haar handelwijze geen aanspraak meer op uitkeringen en (subsidiair) niet voldoende onderbouwd dat zij meer schade heeft geleden door het ongeval in 2019 dan al aan haar is uitgekeerd.
3.8.
NN heeft verder naar aanleiding van de overige vorderingen aangevoerd dat de verzekeringen zijn beëindigd met inachtneming van de daarvoor geldende termijn van twee maanden tegen de eerstvolgende premiedata en dat het juist van belang is dat het dossier over de schade door het ongeval in 2022 door haar wordt behandeld omdat zij inmiddels op de hoogte is van de verschillende schadeveroorzakende ongevallen.
3.9.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3.10.
NN vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eiseres] veroordeelt tot vergoeding van de onderzoekskosten van € 532;
II. [eiseres] veroordeelt tot terugbetaling van een reeds uitgekeerd schadebedrag van € 4.650, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling;
III. [eiseres] veroordeelt in de kosten van deze procedure, inclusief de wettelijke rente.
3.11.
NN legt aan de vorderingen ten grondslag dat [eiseres] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst en onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De daardoor geleden schade bestaat in ieder geval uit de gemaakte interne onderzoekskosten van € 532. Daarnaast vordert NN (terug)betaling van € 4.650 op grond van onverschuldigde betaling. NN voert daartoe aan dat zij voorschotten heeft voldaan met het oog op schadeposten die reeds door ASR waren vergoed naar aanleiding van het ongeval in 2016.
3.12.
[eiseres] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van NN, dan wel tot afwijzing van haar vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van NN in de kosten van deze procedure.
3.13.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Overwegingen
[eiseres] heeft NN een verkeerde voorstelling gegeven van haar (medische) situatie
4.1.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [eiseres] bij de bespreking en behandeling van haar schade door het ongeval van 2019, waarbij zij stelde letsel te hebben opgelopen en daardoor last had van hoofdpijnklachten, nekklachten die doorstralen naar de schouders, rug en benen, tintelingen in de linker gezichtshelft, visusklachten en concentratieverlies, aan NN niet heeft gemeld dat zij eerder was aangereden met letsel als gevolg en dat zij niet heeft gemeld dat zij in de periode voorafgaand aan het ongeval (nog) gezondheidsklachten had. [eiseres] noemde alleen dat in 2017 sprake was van een hernia in de onderrug die was behandeld met rust. Zij zou nooit klachten hebben gehad zoals na het ongeval van 2019.
4.2.
Dat is niet te rijmen met het feit dat [eiseres] – naar haar later bleek – in 2016 ook is aangereden en in de periode tussen dat ongeval in 2016 en het moment dat daarover een vaststellingsovereenkomst werd gesloten met ASR begin 2019, heeft verklaard dat zij door dat ongeval nekklachten, rugpijn uitstralend naar het rechter- en linkerbeen, hoofdpijnklachten, concentratieproblemen en duizeligheid ervoer, die eind 2018 nog bestonden. Die eerdere aanrijding en de daardoor veroorzaakte klachten en beperkingen had [eiseres] moeten noemen.
4.3.
[eiseres] heeft aangevoerd dat haar na het ongeval in 2019 niet is gevraagd naar eerdere ongevallen en dat ook niet is doorgevraagd naar eventuele (nog) bestaande klachten en beperkingen en dat er geen relevante klachten meer bestonden. Tijdens de zitting heeft zij toegelicht dat haar lichamelijke situatie ten tijde van het ongeval in 2019 stabiel was in die zin, dat zij door onder meer oefeningen in de sportschool kon omgaan met de pijnklachten die nog resteerden na het eerdere ongeval en dat zij juist haar leven weer had opgepakt. In de jaren daarvoor had zij veel rugpijn waarvoor zij ook zware pijnstillers (morfine en Tramadol) kreeg die ook tot klachten leidden, maar die kon zij niet lang gebruiken omdat zij die door een maagverkleining niet goed verdroeg. Ze was in die periode ernstig beperkt door hoofdpijnklachten en migraine en kon niet goed bewegen door de rugpijn. In 2019 ging het juist weer goed.
[eiseres] heeft verder toegelicht dat zij in september 2019 geen huishoudelijke hulp meer had omdat het beter met haar ging en haar zoon meer in huis hielp. Zij werd toen ook niet meer behandeld. Door het ongeval van 2019 stortte haar wereld weer in. Na het ongeval in 2022 speelde dat opnieuw.
4.4.
Voor zover [eiseres] daarmee betoogt dat het haar niet duidelijk was dat zij een eerdere aanrijding en daarbij opgelopen letsel en/of andere gezondheidsklachten moest noemen gaat dat betoog niet op. Het was [eiseres] duidelijk dat haar overleg met NN ging over de schade die zij leed door het ongeval in 2019 en dat het van belang was dat zo goed mogelijk in kaart zou worden gebracht hoe ze er aan toe was voor dat ongeval en hoe ze eraan toe was na dat ongeval. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [eiseres] werkte als belangenbehartiger in letselschadezaken en de nodige ervaring heeft op dat vlak. Het moet haar duidelijk zijn geweest dat het voor de schadeafwikkeling van het ongeval relevant is of zij eerder soortgelijke klachten (als na het ongeval) had en hoe haar gezondheid verder in die periode was.
4.5.
[eiseres] meldde destijds alleen dat in 2017 een hernia was geconstateerd die behandeld was met rust. Uitgaande van de juistheid van haar verklaringen jegens ASR naar aanleiding van het eerdere ongeval, had zij echter nekklachten, rugpijn uitstralend naar beide benen, hoofdpijnklachten, concentratieproblemen en duizeligheid, en ervoer zij die klachten eind 2018 nog als zo ernstig dat het “een wonder” zou zijn als die na vijf jaar over zouden zijn. Ook als juist is dat -zoals [eiseres] nu aanvoert – haar situatie in de maanden daarna – tussen eind 2018 en september 2019 – zozeer was verbeterd dat [eiseres] ten tijde van het ongeval in 2019 geen noemenswaardige klachten meer had, dan nog had zij die voorgeschiedenis naar het oordeel van de rechtbank moeten noemen toen haar gevraagd werd naar eventuele klachten en beperkingen in het verleden. Dat klemt temeer omdat het gaat om dezelfde soort klachten.
4.6.
Verder geldt dat [eiseres] in 2022 tijdens een huisbezoek wel uitdrukkelijk is gevraagd naar de gevolgen van andere aanrijdingen, en dat zij toen verklaarde dat zij ten tijde van het ongeval in 2019 geen klachten had en de schadeafwikkeling van die eerdere aanrijding en de klachten die zij daarbij had beschreven opnieuw niet noemde. Dat wijst erop dat [eiseres] welbewust die voor de begroting van haar schade door NN relevante feiten en omstandigheden achterhield. Voor zover [eiseres] betoogt dat zij een en ander niet kon overzien en niet begreep dat zij dit soort dingen goed en volledig moest uitleggen, gaat de rechtbank daaraan voorbij. [eiseres] wist hoe verzekeraars letselschade behandelen en zij liet zich sinds 19 februari 2020 ook bijstaan door een belangenbehartiger. Zij kan zich er niet op beroepen dat zij het niet overzag en begreep. Inmiddels is duidelijk geworden dat die belangenbehartiger een vriendin was van [eiseres] die naar eigen zeggen wel met [eiseres] in de onderneming Letselschade en Consultancy had meegelopen, maar niet was opgeleid voor dat werk. [eiseres] vertelde tijdens de zitting dat zij die vriendin niet had verteld over het eerdere ongeval en de schade die zij daardoor had geleden. Dat komt voor haar eigen risico; [eiseres] had een ander kunnen kiezen, met meer kennis en ervaring en aan diegene openheid van zaken kunnen geven als zij bijgestaan wilde worden bij de afwikkeling van haar schade door het ongeval van 2019.
4.7.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat [eiseres] welbewust voor de schadebehandeling relevante informatie heeft achtergehouden door niet te melden dat zij na een ongeval in 2016 nog geruime tijd ernstige lichamelijke klachten had. Ook aanrijdingen van na 2019 heeft zij niet uit eigen beweging gemeld. Zij wilde daarmee minst genomen de kwestie eenvoudiger voorstellen dan die daadwerkelijk was, om te zorgen dat al de door haar opgevoerde schadeposten werden vergoed. Ook als moet worden aangenomen dat [eiseres] na het ongeval in 2019 wel degelijk de door haar beschreven klachten had en (kort) daarvoor niet (meer), dan nog is immers voor de vraag of schade door die klachten geheel veroorzaakt is door dát ongeval – en dus door deze verzekeraar moeten worden vergoed – relevant dat zij door een eerdere aanrijding eerder ernstige klachten had waardoor zij jarenlang niet goed kon functioneren. Door dat buiten beschouwing te laten heeft [eiseres] een verkeerde voorstelling van zaken gegeven zodat NN zonder verdere discussie zou aannemen dat al de door haar benoemde klachten en beperkingen (geheel) het gevolg waren van het ongeval in 2019 – terwijl dat zeer valt te betwijfelen – en de gestelde schade volledig zou vergoeden. Daarmee heeft [eiseres] NN misleid om een hogere uitkering te krijgen.
4.8.
Voor zover [eiseres] betoogt dat uit de door haar overgelegde medische adviezen blijkt dat zij juiste informatie over haar medische toestand van voor en na het ongeval heeft verstrekt en dat alle klachten die zij naar voren bracht als gevolg van (alleen) het ongeval in 2019, daarmee ook daadwerkelijk geheel in causaal verband staan, volgt de rechtbank haar daarin niet. Uit de medische adviezen komt niet naar voren dat de desbetreffende arts wist van ernstige klachten ten gevolge van het ongeval uit 2016. Dat maakt dat ook niet kan worden aangenomen dat de arts heeft afgewogen of de klachten die [eiseres] aangaf na het ongeval van 2019, (mede) verband konden houden met het eerdere ongeval en het letsel dat [eiseres] daardoor opliep. De rechtbank wijst er in dit verband ook op dat wat [eiseres] naar aanleiding van vragen en opmerkingen van NN over eerdere schadeclaims heeft verteld over klachten en behandelingen in het verleden ook niet, in elk geval niet geheel, overeenkomt met wat uit de verstrekte medische informatie naar voren komt.
Wat betekent dat voor de registraties?
4.9.
Omdat [eiseres] opzettelijk heeft misleid om een hogere uitkering te krijgen moet haar vordering die ertoe strekt dat haar gegevens worden verwijderd uit de registers, worden afgewezen. Opname in de registers was onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd en niet buitenproportioneel. Dat wordt hieronder verder uitgewerkt.
4.10.
Het gaat om de registraties in het Externe Verwijzingsregister (hierna: EVR), het Incidentenregister, de Gebeurtenissenadministratie, het Interne Verwijzingsregister (hierna: IVR) en de melding bij het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit van het Verbond van Verzekeraars (hierna: CBV). Verzekeraars mogen een gebeurtenis of incident in de registers opnemen als voldaan is aan de eisen die zijn opgenomen in het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (hierna: PIFI). Daarin staat in welke gevallen (persoons)gegevens mogen worden opgenomen in het Incidentenregister en het EVR.
4.11.
In dit geval was sprake van een ‘incident’ in de zin van artikel 2 PIFI, zijnde een gebeurtenis die als gevolg heeft, zou kunnen hebben of heeft gehad dat de belangen, integriteit of veiligheid van de cliënten of medewerkers van een financiële instelling, de financiële instelling of de financiële sector als geheel in het geding (kunnen) zijn, zoals (onder meer) opzettelijke misleiding. Dan mogen persoonsgegevens in het Incidentenregister worden opgenomen (3.1.1 PIFI).
4.12.
Het EVR is gekoppeld aan het Incidentenregister en is toegankelijk voor alle deelnemende financiële instellingen. Voor rechtmatige opname van persoonsgegevens in het EVR moet op grond van artikel 5.2.1 PIFI, kort gezegd, worden voldaan aan de volgende vereisten: (1) er moet sprake zijn van een gedraging van een (rechts)persoon die een bedreiging vormt voor een financiële instelling of de continuïteit en/of integriteit van de financiële sector, (2) deze gedraging staat voldoende vast en (3) opname is proportioneel.
Daarvan was in dit geval naar het oordeel van de rechtbank sprake omdat [eiseres] NN opzettelijk onjuiste en volledige informatie gaf bij de afhandeling van haar claim en sprake was van fraude.
4.13.
Op grond van artikel 4.2.3 PIFI mogen de gegevens uit het Incidentenregister van NN worden uitgewisseld met functionarissen, werkzaam bij de daartoe ingerichte coördinatiefuncties van (onder meer) het Verbond van Verzekeraars, de zogenaamde fraudeloketten. Het CBV is een dergelijk fraudeloket. Omdat sprake is van een rechtmatige opname van de persoonsgegevens in het Incidentenregister is ook de melding aan het CBV in overeenstemming met het PIFI en dus rechtmatig. NN mocht de melding bij het CBV doen, omdat andere verzekeraars er een gerechtvaardigd belang bij hebben om gewaarschuwd te worden voor gedragingen die hen mogelijk kunnen benadelen.
4.14.
De Gebeurtenissenadministratie en het IVR zijn interne registers. Met andere woorden: de hierin opgenomen persoonsgegevens mogen alleen worden gebruikt binnen de financiële instelling (NN) of de groep waartoe de financiële instelling behoort. Voor opname in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR is de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars (hierna: GVPV) het toetsingskader. De Gebeurtenissenadministratie wordt bijgehouden ter waarborging van de veiligheid en integriteit van de dienstverlening en de sector. De afdeling Veiligheidszaken of een andere daartoe aangewezen afdeling bij een verzekeraar kan besluiten de persoonsgegevens uit de Gebeurtenissenregistratie op te nemen in het IVR, indien de betreffende persoon een risico vormt voor de veiligheid en/of integriteit van de verzekeraar of de groep waartoe de verzekeraar behoort. Uit de toelichting op artikel 4.5.3 GVPV volgt dat voor opname sprake moet zijn van een ‘gebeurtenis’, in artikel 10 GVPV gedefinieerd als een voorval dat de aandacht verlangt van een verzekeraar vanwege een mogelijk effect op de veiligheid en integriteit van de bedrijfsvoering, werknemers, klanten, overige relaties en de verzekeringsbranche. Onder een dergelijk voorval valt onder meer mogelijke fraude. Anders dan voor opname in het EVR is hier dus niet vereist dat de fraude vast moet staan. Verder geldt ook voor opname in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR het proportionaliteitsbeginsel (artikel 3.1.1 GVPV).
4.15.
Nu in deze zaak sprake is van opzettelijke misleiding om een hogere uitkering te krijgen en dus van fraude, zijn ook de registraties in de Gebeurtenissenadministratie en het IVR gerechtvaardigd. Ook deze registraties zijn niet buitenproportioneel: het belang van NN om bij toekomstige verzekeringsaanvragen van [eiseres] goed geïnformeerd te kunnen beoordelen of zij opnieuw een verzekeringsovereenkomst met [eiseres] wenst aan te gaan, weegt, zeker gelet op het risico dat [eiseres] vormt vanwege de opzettelijke misleiding, zwaarder dan het belang van [eiseres] om niet intern te worden geregistreerd.
Moet NN nog aan [eiseres] betalen?
4.16.
[eiseres] stelt dat voldoende duidelijk is dat zij tenminste € 26.513,50 aan schade heeft geleden, waarvoor zij een voorschot van € 10.000 heeft ontvangen. Dit is door NN gemotiveerd betwist. [eiseres] wijst ter onderbouwing op de schadestaat die zij heeft opgesteld en waarin over vier tijdvakken tussen 17 september 2019 tot en met 21 mei 2023 bedragen zijn opgenomen voor huishoudelijke hulp, medische kosten en zelfwerkzaamheid/tuinonderhoud. Diezelfde posten zijn opgevoerd in een schadestaat die ziet op de gevolgen van het ongeluk van 2016 en in de schadestaat die ziet op de gevolgen van het ongeluk dat [eiseres] overkwam in 2022. Daarbij heeft [eiseres] niet duidelijk gemaakt dat het gaat om verschillende, na elkaar of naast elkaar, bestaande schadeposten die telkens maar op één ongeval zijn terug te voeren. Daarom kan de rechtbank niet vaststellen dat [eiseres] door het ongeval in 2019 de door haar gestelde schade heeft geleden. Het is immers niet voldoende duidelijk dat (een deel van) de kosten die [eiseres] heeft geclaimd na het ongeval van 2019, niet (mede) het gevolg waren van het ongeval in 2016. Eenzelfde redenering gaat op voor de kosten die [eiseres] heeft geclaimd naar aanleiding van de ongevallen waar zij ná 2019 bij betrokken is geraakt. Ook voor die ongevallen heeft [eiseres] kosten geclaimd die – mogelijk – (mede) het gevolg waren van het ongeval van 2016 en/of 2019. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat het door [eiseres] gevorderde bedrag (uitsluitend) betrekking heeft op schade veroorzaakt door het ongeval van 2019. Daarom wordt haar vordering afgewezen.
Overige vorderingen van [eiseres] en proceskosten
4.17.
Ook de vordering van € 4.576,92 voor de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen omdat niet voldoende duidelijk is dat [eiseres] die kosten heeft gemaakt. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling immers verklaard dat haar vriendin/belangenbehartiger geen vergoeding kreeg voor haar werkzaamheden.
4.18.
Bij deze stand van zaken, waar niet kan worden vastgesteld dat [eiseres] nog aanspraak kan maken op (verdere) uitkeringen kan NN ook niet veroordeeld worden om de schadeafwikkeling verder ter hand te nemen door [eiseres] een nader voorstel te doen voor een slotuitkering. Ook de vordering die daarop ziet is niet toewijsbaar.
4.19.
De overige vorderingen van [eiseres] worden ook afgewezen. Er is geen regel of afspraak op grond waarvan NN verplicht is om de behandeling van de vordering van [eiseres] op grond van het ongeluk uit 2022 over te dragen aan het Nederlands Bureau. Dat NN de verzekeringen van [eiseres] op een rechtmatige wijze heeft beëindigd is door [eiseres] niet betwist en de vraag of [eiseres] aan NN € 5.182 moet betalen wordt beoordeeld in reconventie.
4.20.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NN worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995
- salaris advocaat
€
1.672
(2 punten × tarief III van € 836)
- nakosten
€
189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.856
4.21.
Aan haar tegenvordering legt NN ten grondslag dat zij minimaal € 532 aan (interne) onderzoekskosten heeft moeten maken. Die kosten had zij niet hoeven maken als [eiseres] volledige en juiste informatie had verstrekt en geen (fraude)onderzoek plaats had hoeven vinden.
4.22.
Dat [eiseres] NN onjuiste en/of onvolledige inlichtingen verschafte betekent ook dat zij jegens NN tekortschoot in de nakoming van haar verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst, in het bijzonder in de nakoming van haar inlichtingenplicht. Daarom is zij op grond van artikel 6:74 BW aansprakelijk voor door NN als gevolg hiervan geleden schade. Dat NN door de tekortkoming van [eiseres] € 532 aan interne kosten heeft moeten maken is voldoende onderbouwd en door [eiseres] niet voldoende gemotiveerd weersproken. Daarom wordt de vordering tot betaling van dit bedrag op de voet van artikel 6:96 lid 2 sub b BW, toegewezen.
4.23.
Daarnaast vordert NN een bedrag van € 4.650 op grond van onverschuldigde betaling. Dit bedrag is opgebouwd uit door haar aan [eiseres] betaalde voorschotten voor huishoudelijke hulp en zelfwerkzaamheid, waarvoor [eiseres] – met de slotuitkering van ASR in 2019 – volgens NN reeds (voor vijf jaren) een vergoeding heeft ontvangen naar aanleiding van het ongeval in 2016. [eiseres] betwist dit.
4.24.
De rechtbank stelt voorop dat [eiseres] met ASR een finale regeling trof. Daarbij hebben ASR en [eiseres] weliswaar een inschatting gemaakt van de schade die [eiseres] had geleden en nog zou lijden door het ongeval in 2016, maar zij hebben daarvan ook geabstraheerd om tot een regeling te komen. Het karakter van een finale regeling brengt mee dat als de uiteindelijke schade hoger of lager uitvalt, dat niet tot nadere betalingen respectievelijk terugbetalingen leidt. Er is immers een inschatting gemaakt van de goede en de kwade kansen en die worden voor lief genomen.
4.25.
Dat betekent dat ook als, zoals NN stelt, ASR en [eiseres] in 2018 als uitgangspunt namen dat bepaalde kostenposten voor nog vijf jaar zouden worden vergoed, dat niet betekent dat [eiseres] dezelfde of vergelijkbare posten niet kon opvoeren als schade veroorzaakt door het ongeval van 2019 omdat die al waren vergoed. Als [eiseres] kan aantonen dat zij ten tijde van het ongeval van 2019 dergelijke kosten niet maakte en vanwege dat ongeval wel (weer), dan staat het feit dat zij al door ASR betaald werd er op zich niet aan in de weg dat zij jegens NN aanspraak maakt op vergoeding. Bij de door NN te vergoeden schade komt het immers aan op een vergelijking van de situatie met het ongeval – en de daaruit voortvloeiende beperkingen en de financiële gevolgen van dien – en de hypothetische situatie zonder het ongeval. Die hypothetische situatie kan zijn: met geld van ASR maar zonder noemenswaardige beperkingen. Het is dan wel aan [eiseres] om dat goed te onderbouwen, zodat kan worden aangenomen dat daadwerkelijk sprake is van nieuwe en/of andere beperkingen. In conventie is al overwogen dat [eiseres] dat niet heeft gedaan en dat daarom niet kan worden vastgesteld dat zij door het ongeval van 2019 meer dan het al betaalde bedrag van € 10.000 aan schade heeft geleden Tegelijkertijd kan niet worden gezegd dat van het voorschot van € 10.000 een deel onverschuldigd is betaald. Het is namelijk evenmin voldoende duidelijk dat het bedrag van € 4.650 (volledig) ziet op schade die is veroorzaakt door het ongeval van 2016. De vordering van NN wordt daarom afgewezen.
4.26.
NN is naar het oordeel van de rechtbank in reconventie in overwegende mate in het ongelijk gesteld. Daarom wordt NN veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten). De proceskosten van [eiseres] in reconventie worden begroot op:
- salaris advocaat
€
554
(2 punten × tarief I van € 554 x 0,5 gelet op de samenhang tussen het geschil in conventie en in reconventie)
- nakosten
€
189
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
743
Beslissing
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 4.856, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van een bedrag van € 532 aan NN;
5.6.
veroordeelt NN in de proceskosten van € 743, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als NN niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.