Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:18015

Op 23 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/09/700573 / KG RK 26-381, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:18015. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/09/700573 / KG RK 26-381
Datum uitspraak:
23 April 2026
Datum publicatie:
2 July 2026

Indicatie

Verzet tegen weigering verstrekken afschrift vonnis. Artikel 29 lid 6 Rv. Verzoeker heeft beschikking over vonnissen die zijn gewezen. Dat er sprake is van een ander vonnis, zoals verzoeker stelt, kan nergens uit worden afgeleid en een ander vonnis is ook niet aangetroffen. Van een weigering van de griffier om een vonnis aan hem te verstrekken is dus geen sprake. Afwijzing verzoek om vonnis alsnog te verstrekken.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/700573 / KG RK 26-381

Beschikking van de voorzieningenrechter van 23 april 2026

in de zaak van

[verzoeker] te [woonplaats], gemeente [gemeente],

Verzoeker.

tegen

DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG te Den Haag,

verweerder.

Partijen worden hierna ‘[verzoeker]’ en ‘de Griffier’ genoemd.

1
De feiten en het verloop van het geding
1.1.

[verzoeker] is partij geweest bij de volgende twee procedures die aanhangig zijn geweest bij team kanton van deze rechtbank:

- de procedure met rolnummer 3173586 / 14-19380 (Voetnoot 1). In deze procedure is vonnis gewezen op 29 januari 2015 (hierna ook aan te duiden als de eerste procedure en het eerste vonnis).

- de procedure met rolnummer 4628124 RL EXPL 15-35358. In deze procedure is vonnis gewezen op 5 april 2016 (hierna ook aan te duiden als de tweede procedure en het tweede vonnis).

In beide procedures was [verzoeker] gedaagde partij en trad dezelfde partij op als eisende partij.

1.2.

Bij brief van 30 oktober 2025 heeft de president van deze rechtbank gereageerd op een klacht van [verzoeker]. De klacht heeft betrekking op de tweede procedure.

1.3.

Op 12 november 2025 heeft Postuma de Boer een ‘beroepschrift tegen weigering verstrekken van afschrift van vonnis (artikel 29 Rv lid 2)’ bij team bestuursrecht van deze rechtbank ingediend. [verzoeker] stelt in het beroepschrift dat hij beroep aantekent tegen het besluit van de president van 30 oktober 2025 om geen afschrift van een vonnis te verstrekken.

1.4.

Bij e-mail van 28 november 2025 heeft de teamvoorzitter van team kanton aan [verzoeker] bericht dat het in het beroepschrift gevraagde vonnis die dag nog aan hem zal worden verzonden. Tevens vraagt de teamvoorzitter in de e-mail aan [verzoeker] of hij het beroepschrift wil handhaven.

1.5.

Bij brief van 28 november 2025 zijn door de griffier van team kanton het eerste en het tweede vonnis aan [verzoeker] toegezonden.

1.6.

Bij e-mail van 15 december 2025 heeft [verzoeker] aan de teamvoorzitter van team kanton laten weten dat hij het beroepschrift niet intrekt, omdat hij het verzochte vonnis ook na toezending van de vonnissen bij brief van 28 november 2025 niet heeft ontvangen.

1.7.

Na 15 december 2025 is het beroepschrift van [verzoeker] in behandeling genomen door team bestuursrecht van deze rechtbank. Het is vervolgens – vanwege de woonplaats van [verzoeker] – doorgezonden naar de rechtbank Noord-Nederland, afdeling bestuursrecht. De rechtbank Noord-Nederland, afdeling bestuursrecht heeft het beroepschrift vervolgens doorgestuurd naar de voorzieningenrechter van team handel van deze rechtbank, waar het op 12 februari 2026 op de griffie is binnengekomen. Reden voor deze doorzending is dat op grond van artikel 29 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 254 Rv bevoegd is van een verzet tegen een weigering om een vonnis te verstrekken kennis te nemen. [verzoeker] is voorafgaand aan de doorzending bij brief van 21 januari 2026 over dit voornemen geïnformeerd. Hij is daarbij in de gelegenheid gesteld te laten weten of het zijn bedoeling was in verzet te komen bij de civielrechtelijke voorzieningenrechter in plaats van bij de afdeling bestuursrecht een beroep in te stellen. Bij brief van 23 januari 2026 heeft [verzoeker] bevestigd dat het zijn bedoeling was om in verzet te komen bij de voorzieningenrechter zoals genoemd in artikel 29 lid 6 Rv.

1.8.

Op 11 maart 2026 heeft de teamvoorzitter van team kanton, namens de Griffier van team kanton, een verweerschrift toegezonden.

1.9.

Op 18 maart 2026 heeft [verzoeker] een reactie op het verweerschrift ingediend. In deze reactie verzoekt [verzoeker] tevens om het beroepschrift van 11 november 2025 toe te sturen aan de bevoegde bestuursrechter. Naar aanleiding van dit verzoek is bij e-mail van 23 maart 2026 namens de voorzieningenrechter aan [verzoeker] bericht dat het beroepschrift op dat moment niet zal worden doorgezonden en dat [verzoeker] eventuele vragen of opmerkingen daarover tijdens de mondelinge behandeling aan de orde kan stellen. [verzoeker] heeft zijn verzoek om verwijzing naar de bevoegde bestuursrechter daarna ter zitting niet meer herhaald.

1.10.

De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026. Bij de mondelinge behandeling was [verzoeker] aanwezig. De Griffier is – zoals vooraf al was aangekondigd – niet ter zitting verschenen. Tijdens de zitting is aangekondigd dat de beschikking uiterlijk vandaag zou worden gewezen.

Overwegingen

2
De beoordeling
2.1.

In zijn beroepschrift stelt [verzoeker] dat hij beroep aantekent tegen het besluit van 30 oktober 2025 van de president om geen afschrift van een vonnis te verstrekken en vraagt hij zijn beroepschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en de rechtbank te dwingen middels een dwangsom het verzochte vonnis alsnog te verstrekken en te veroordelen in de proceskosten.

2.2.

Op grond van artikel 29 lid 6 Rv kan tegen een weigering van de griffier om een afschrift van een vonnis te verstrekken verzet bij de voorzieningenrechter worden ingediend. Hoewel [verzoeker] het beroepschrift in eerste instantie heeft ingediend naar aanleiding van de brief van de president van 30 oktober 2025, blijkt uit de latere correspondentie dat [verzoeker] zich verzet tegen de weigering van de griffier van team kanton om het door hem bedoelde vonnis toe te zenden. Dit blijkt uit de reactie van [verzoeker] in zijn e-mail van 15 december 2025 (Voetnoot 2) en uit zijn reactie op de brief van de griffier van de rechtbank Noord-Nederland van 23 januari 2026 (Voetnoot 3). Het beroepschrift van [verzoeker] wordt daarom opgevat als een verzet als bedoeld in artikel 29 lid 6 Rv, ook omdat op grond van de wet een afschrift van een vonnis wordt verstrekt door de griffier en niet door de president van een rechtbank. Deze voorzieningenrechter is daarom bevoegd het verzet te behandelen en daarop te beslissen.

2.3.

Ter zitting heeft [verzoeker] de kern van zijn verzet toegelicht. [verzoeker] stelt dat in het tweede vonnis wordt verwezen naar een ander vonnis en naar bepaalde feiten. Van dat andere vonnis, waarnaar in het tweede vonnis wordt verwezen, wil hij een afschrift ontvangen en de verstrekking van dát afschrift is ten onrechte geweigerd. Dat andere vonnis is volgens [verzoeker] niet het eerste vonnis, omdat de feiten die in het tweede vonnis zijn opgenomen volgens hem niet overeenkomen met de feiten in het eerste vonnis. Gelet hierop moet er volgens [verzoeker] sprake zijn van een ander vonnis of wellicht nog van andere stukken. [verzoeker] heeft al op verschillende manieren geprobeerd de beschikking te krijgen over dat andere vonnis, maar het wordt niet aan hem verstrekt.

2.4.

De voorzieningenrechter overweegt dat in deze procedure alleen de vraag voorligt of de Griffier de verstrekking van een vonnis heeft kunnen weigeren. Voor de vraag of er al dan niet stukken hadden moeten worden verstrekt, is op grond van de wet geen verzet bij de voorzieningenrechter mogelijk.

2.5.

Ten aanzien van de vraag of de Griffier ten onrechte heeft geweigerd [verzoeker] een afschrift van een vonnis te verstrekken overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In het tweede vonnis wordt verwezen naar het eerste vonnis. Bij die verwijzing staat het rolnummer van het eerste vonnis genoemd. Dat er bedoeld wordt te verwijzen naar een ander vonnis dan het eerste vonnis kan niet uit het tweede vonnis worden afgeleid. Dat er sprake moet zijn van een ander vonnis, zoals [verzoeker] stelt, kan nergens (anders) uit worden afgeleid en een ander vonnis is ook niet aangetroffen. [verzoeker] heeft de beschikking over het eerste en over het tweede vonnis. Van een weigering van de griffier om een vonnis aan hem te verstrekken is dus geen sprake. Dit betekent dat zijn verzoek om zijn beroepschrift gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en de rechtbank te dwingen middels een dwangsom het verzochte vonnis alsnog te verstrekken en te veroordelen in de proceskosten moet worden afgewezen.

Beslissing

3
De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1.

wijst het verzoek van [verzoeker] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Dam en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026

idt

Voetnoot

Voetnoot 1

In het vonnis van 29 januari 2015 wordt als rolnummer ook het nummer 3173586 / 14-9380 gebruikt. Dit betreft een verschrijving, het juiste rolnummer van die zaak is 3173586 / 14-19380.

Voetnoot 2

Zoals weergegeven onder 1.6

Voetnoot 3

Zoals weergegeven onder 1.7