Rechtbank Den Haag, wraking civiel recht overig
ECLI:NL:RBDHA:2026:19359
Op 29 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een wraking procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/09/705918 / KG RK 26-851, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:19359. De plaats van zitting was Den Haag.
Indicatie
Wrakingsverzoek afgewezen. De meeste klachten van verzoekster betreffen in de kern de manier waarop zij tijdens de zitting door de rechter is bejegend. Voor dergelijke klachten is de wrakingsprocedure evenwel niet bedoeld. Verzoekster kan over de wijze van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur van deze rechtbank. Dit kan anders zijn indien de bejegening van dien aard is dat daarin (de schijn van) partijdigheid besloten ligt. Van concrete feiten en omstandigheden waaruit dat zou kunnen volgen, is niet gebleken. Het staat de rechter vrij om (één van) partijen kritische vragen te stellen en te onderbreken wanneer de rechter dat nodig acht. Wanneer hiervan tijdens de mondelinge behandeling sprake is geweest, kan daaruit geen (vrees voor) vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid.
Uitspraak
Rechtbank den haag
wrakingnummer 2026/41
zaak- /rekestnummer: C/09/705918 / KG RK 26-851
Beslissing van 29 juni 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
gemachtigde: ing. E.J. Genemans te Muiden,
strekkende tot de wraking van
mr. F.A.M. Veraart,
kantonrechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 5 mei 2026;
- de schriftelijke aanvulling van het wrakingsverzoek van 23 mei 2026;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 4 juni 2026;
- de schriftelijke reactie van verzoekster van 7 juni 2026;
- het e-mailbericht van de gemachtigde van 14 juni 2026, met bijgevoegde “openingsopmerking”.
1.2.
Op 15 juni 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij is verschenen:
- mr. P.C.E. Bosland, gemachtigde van de wederpartij in de hoofdzaak, als toehoorder.
Verzoekster is niet ter zitting verschenen. De gemachtigde van verzoekster en de rechter hebben laten weten niet te zullen verschijnen.
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 12068924 \ RL EXPL 26-2005 tussen verzoekster en de Staat der Nederlanden, ministerie van Justitie en Veiligheid. In die zaak is op 4 mei 2026 zitting gehouden.
2.2.
Verzoekster heeft op 5 mei 2026 een schriftelijk wrakingsverzoek gedaan. Op de ingenomen standpunten wordt hierna ingegaan.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna, voor zover nodig, besproken.
Overwegingen
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
De meeste klachten van verzoekster betreffen in de kern de manier waarop zij tijdens de zitting door de rechter is bejegend. Voor dergelijke klachten is de wrakingsprocedure evenwel niet bedoeld. Verzoekster kan over de wijze van bejegening door de rechter een klacht indienen bij het gerechtsbestuur van deze rechtbank. Dit kan anders zijn indien de bejegening van dien aard is dat daarin (de schijn van) partijdigheid besloten ligt. Van concrete feiten en omstandigheden waaruit dat zou kunnen volgen, is niet gebleken. Het staat de rechter vrij om (één van) partijen kritische vragen te stellen en te onderbreken wanneer de rechter dat nodig acht. Wanneer hiervan tijdens de mondelinge behandeling sprake is geweest, kan daaruit geen (vrees voor) vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid. Deze wrakingsgrond slaagt dan ook niet.
3.3.
Verder begrijpt de wrakingskamer het wrakingsverzoek en de daarop volgende reacties van verzoekster zo dat zij van mening is dat de rechter onvoldoende voorbereid was en dat de rechter ten onrechte heeft nagelaten een schikkingspoging te doen.
In de stukken, waaronder het proces verbaal van de zitting, bevindt zich geen enkele aanwijzing waaruit kan worden opgemaakt dat de rechter onvoldoende voorbereid was, zo dit al grond voor wraking zou kunnen opleveren. Dat de kantonrechter vragen stelt ter verduidelijking van de (kern) van het standpunt van één van de partijen, is een normale gang van zaken. Deze wrakingsgrond slaagt daarom evenmin.
Verder overweegt de wrakingskamer dat de rechter op de zitting de regie voert en een grote mate van vrijheid heeft bij het bepalen van het verloop en de voortgang van de zitting. Daartoe behoort ook het al dan niet bij partijen beproeven van een minnelijke regeling. Ook deze grond voor wraking slaagt niet.
3.4.
Gelet op bovenstaande wordt het wrakingsverzoek afgewezen.
Beslissing
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoekster p/a haar gemachtigde;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.E. Bierling, M.F, Baaij en R.E. Perquin, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Badermann en in het openbaar uitgesproken op
29 juni 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.